In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:
(i) De vader en de moeder zijn getrouwd. Hun zoon [de zoon] (verder: de zoon) is enig directeur/aandeelhouder van [A] Holding B.V. (verder: [A] ) en van [B] B.V. (verder: [B] ).
(ii) Verhuurder is vennoot van de v.o.f.
(iii) Tussen verhuurder en [A] als huurder is op 14 maart 2011 een huurovereenkomst in de zin van art. 7:230a BW gesloten met betrekking tot een bedrijfsruimte van ca. 1800 m2 te [plaats] voor de duur van vijf jaar, met het oog op de realisering van een indoorspeeltuin.
(iv) In artikel 8.13 van deze huurovereenkomst is het volgende opgenomen:
‘Deze huurovereenkomst geschiedt onder de opschortende voorwaarde dat de gemeente Roermond toestemming verleent voor het gebruik van het gehuurde als kinderspeeltuin en de benodigde vergunning afgeeft. Indien toestemming van de gemeente Roermond later geschiedt als de genoemde ingangsdatum van de huurovereenkomst zal de ingangsdatum van de huurovereenkomst worden opgeschoven naar de datum van toestemming/afgifte vergunning door de gemeente Roermond. Alle andere relevante/gekoppelde data verschuiven dan eveneens.’
(v) Bij besluit van 25 augustus 2011 heeft de gemeente Roermond een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een indoorspeeltuin in het gehuurde, onder de voorwaarde dat het gebruik is gelimiteerd tot een maximale oppervlakte van 1500 m2. In september 2013 heeft de gemeente Roermond een omgevingsvergunning verleend voor de resterende 300 m2 van de bedrijfshal.
(vi) Daarnaast is tussen de v.o.f. enerzijds en [B] , de zoon en de vader anderzijds op 9 mei 2012 een overeenkomst tot stand gekomen waarin onder meer is afgesproken om de huur van de maanden maart, april, mei en juni 2012 om te zetten in een lening van de v.o.f. aan [B] , de zoon en de vader.
(vii) Tussen partijen is een geschil ontstaan over het al dan niet zijn ingetreden van de opschortende voorwaarde en daaraan gekoppeld de vraag of, en zo ja vanaf wanneer, [A] dan wel [B] huurpenningen verschuldigd is aan verhuurder. Hierover en over de overeenkomst van 9 mei 2012 hebben verhuurders c.s. op 28 januari 2014 een procedure geëntameerd tegen [A] , [B] , de zoon en de vader.
(viii) In die procedure heeft de kantonrechter bij vonnis van 23 juli 2014 onder meer geoordeeld dat de opschortende voorwaarde in art. 8.13 van de huurovereenkomst op 25 augustus 2011 is vervuld en voor recht verklaard dat tussen partijen op 14 maart 2011 een rechtsgeldige huurovereenkomst tot stand is gekomen en dat met ingang van 6 december 2011 huurpenningen verschuldigd zijn. [A] is onder meer veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 94.169,09 met rente. [B] , de zoon en de vader zijn op grond van de overeenkomst van 9 mei 2012 hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan de v.o.f. van een bedrag van € 29.126,22 met rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
(ix) Verhuurder c.s. hebben diverse beslagen laten leggen. Door [A] , [B] , de zoon en de vader is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter. In de tussentijd zijn tussen partijen op 12 december 2014 executie-afspraken gemaakt en hebben de zoon en de vader betalingen verricht.
(x) Bij arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 28 juli 2015 is het vonnis van de kantonrechter van 23 juli 2014 vernietigd en is verhuurder veroordeeld tot terugbetaling van huurbetalingen aan [A] , [B] en de vader, met rente, met veroordeling van verhuurders c.s. in de kosten van beide instanties en met afwijzing van het over en weer meer of anders gevorderde. Dit arrest is in kracht van gewijsde gegaan.
(xi) In verband met de executie van het vonnis van 23 juli 2014 inzake de veroordeling tot betaling van € 29.126,22 met rente hebben de zoon en de vader in totaal € 43.223,20 betaald.
(xii) De zoon, [A] en [B] hebben hun vorderingen jegens verhuurder c.s. op 30 januari 2016 gecedeerd aan de vader.
(xiii) Op vordering van [het echtpaar] (in deze procedure het echtpaar) heeft de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding van 8 juni 2016 verhuurder c.s. veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van € 43.223,20 met rente.