Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
medeplichtigheid tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en 2 “
medeplegen van voorbereiding van diefstal voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” en veroordeeld voor tweeëntwintig maanden gevangenisstraf.
eerste middelklaagt over de bewezenverklaring. Het betreft in het bijzonder de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een diefstal met (bedreiging met) geweld getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, nu zij het weg te nemen voorwerp reeds onder zich had. De voor diefstal kenmerkende wegnemingshandeling is dus nooit uitgevoerd zodat de bewezenverklaring onbegrijpelijk is.
zij op 10 december 2014 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het met anderen te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten een diefstal in vereniging voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld, opzettelijk een personenauto, merk BMW, en een personenauto, merk Opel Astra, en een personenauto, merk KIA, en bivakmutsen en handschoenen en mobiele telefoons, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad.”
Op de eerste plaats volgt uit het dossier, uit de verklaring van cliënte op zitting in hoger beroep en uit de veroordeling van de rechtbank Noord-Holland van 25 oktober 2016 dat cliënte een koffer met geld zou gaan vervoeren. Zij is veroordeeld voor het verwerven en voorhanden hebben van deze koffer met geld, met daarin een geldbedrag van € 374.000,- op 10 december 2014 te Amsterdam en Bavel.
De verdachte is, toen zij werd veroordeeld voor witwassen, vrijgesproken van het medeplegen van het witwassen. Dat was omdat er geen bewijs was dat zij het geld tezamen en in vereniging met [medeverdachte 5] voorhanden had gehad. Daartegen is het openbaar ministerie niet in hoger beroep gegaan. Hier kan niets anders uit worden afgeleid dan dat alleen de verdachte het geld voorhanden heeft gehad. Als iemand het geld met haar instemming had afgepakt, dan was dat het medeplegen van verduistering geweest. Het is vergelijkbaar met de situatie dat een winkelmedewerker pakken Nutrilon uit de winkel mee naar buiten neemt en daar overhandigt aan een ander.”
[medeverdachte 4] heeft dus uit zichzelf het appartementencomplex aangewezen waar de overval zou plaatsvinden (te weten het appartementencomplex waar [verdachte] woonachtig is).
Ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het wegnemen op zichzelf overweegt het hof tot slot nog als volgt. [verdachte] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij het geld zou vervoeren voor andere mensen. Verder heeft zij niet willen verklaren over de mensen voor wie zij het geld zou gaan vervoeren. Het hof stelt vast dat het geld kennelijk toebehoorde aan deze mensen, hierna ‘de organisatie’ genoemd, en in elk geval niet aan haar. Daardoor zou er, ongeacht het antwoord op de vraag of ‘de organisatie’ illegaal over het geld beschikte, sprake zijn van een wederrechtelijk wegnemen van het geld indien het tot een uitvoering van het voorgenomen delict zou zijn gekomen.”
wegnemen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging aangevoerd – en in cassatie herhaald en hier door mij samengevat – dat de verdachte het geldbedrag reeds voorhanden had en dus nooit de voor diefstal essentiële handeling van het wegnemen zou kunnen verrichten. Dat de verdachte het goed onder zich had, wordt onderbouwd met een verwijzing naar de eerdere veroordeling voor het verwerven en voorhanden hebben (witwassen) van dat hierboven genoemde geldbedrag. [6] Zodoende zou een veroordeling voor het – evenwel niet strafbare – voorbereiden van verduistering meer in de rede liggen, aldus de steller van het middel. In het geval van verduistering is immers onder meer vereist dat de verdachte het toe te eigenen goed onder zich heeft alvorens het wordt toegeëigend. Dat is het geval indien de verdachte het goed in haar macht had, bijvoorbeeld omdat het haar is toevertrouwd. [7]
tweede middelis gericht tegen het oordeel van het hof dat de verdachte voorbereidingsmiddelen voorhanden heeft gehad.
[medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] zijn op een terras aangehouden, waar zij waren gearriveerd met drie voertuigen. Bij de aanhouding zijn bij de verdachten en in hun voertuigen verschillende goederen aangetroffen, waaronder bivakmutsen, handschoenen en mobiele telefoons. Blijkens de getapte telefoongesprekken waren deze - speciaal voor de overval aangeschafte - prepaid telefoons van groot belang voor de timing van de overval. Gelet op het misdadige doel dat verdachten voor ogen stond, zoals hiervoor uiteengezet, waren deze voorwerpen dus bestemd tot het samen plegen van een diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld. Uit de tapgesprekken blijkt dat [verdachte] in de periode voorafgaand aan de aanhouding dusdanig nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte 2] , dat ook zij als medepleger de auto’s, handschoenen en bivakmutsen voorhanden heeft gehad.”
Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.”
de specifieke relatie van een voorwerp tot een misdrijf dan wel de voorbereiding daarvan [is] en het belang van het voorwerp in relatie tot dat misdrijf dan wel de voorbereiding daarvan”. [16] De volgende zaken bieden meer inzicht in de zienswijzen van de Hoge Raad.
dat verdachte met zijn medeverdachte de bank kennelijk aan het ‘afleggen’ waren ten behoeve van het plegen van een overval op die bank en dat zij derhalve die auto op dat moment bezigden voor dat criminele doel”. Dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de auto ook een rol bij de uitvoering van het misdrijf had moeten hebben, deerde de Hoge Raad kennelijk niet; de uitspraak van het hof werd in stand gelaten.
NJ2015/540 m.nt. Reijntjes, direct al enigszins bijgestuurd. [21] In die zaak werd de verdachte verweten met anderen onder meer een gewelddadige overval op het Holland Casino in Zandvoort te hebben voorbereid. Ter terechtzitting in hoger beroep werd een filmpje vertoond waarop de verdachte met een aantal anderen te zien is met een plattegrond die sterke gelijkenis vertoont met de feitelijke situatie van het Holland Casino in Zandvoort en de omgeving. Omdat volgens de Hoge Raad in de overwegingen van het hof besloten lag “
dat de met de hand getekende plattegrond die door de gefilmde gespreksdeelnemers, onder wie de verdachte, wordt bestudeerd en besproken naar zijn uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig kan zijn voor het misdadige doel dat de verdachte en een ander met het gebruik van de plattegrond voor ogen hadden”, liet de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand. Dat oordeel gaf, aldus de Hoge Raad, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, “
in aanmerking genomen dat het Hof blijkens de bewijsoverweging heeft vastgesteld dat (i) tijdens het gefilmde gesprek onder meer gedetailleerd wordt gesproken over de meest wenselijke route, de wijze waarop men bij het geld wil komen en op welke wijze men zich na de overval van die plaats kan verwijderen zodat het risico van aanhouding gering is, (ii) in het gefilmde gesprek enkel de naam van het Holland Casino te Zandvoort wordt genoemd en (iii) de plattegrond sterke gelijkenis vertoont met de feitelijke situatie van het Holland Casino te Zandvoort en omgeving.”
tijdensde overval met elkaar te kunnen communiceren. De verdachte heeft aan die bestemming gevolg gegeven. Afgesproken was immers om per sms te laten weten wanneer het geld afgeleverd zou zijn en het moment van vertrek aan te geven. Daaraan heeft zij zich gehouden.
kunnenvaststellen dat de verdachte telefoons, bivakmutsen en auto’s voorhanden heeft gehad, staat niks aan een veroordeling voor het voorbereiden van de overval in de weg. Bovendien kan de overweging van het hof zo worden opgevat dat daarin besloten ligt dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van de handschoenen door haar medeverdachten. [25] Het ligt immers in de rede dat bij een overval handschoenen worden gebruikt om het achterlaten van (dactyloscopische en biologische) sporen te vermijden. Ook in dat opzicht is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en bovendien voldoende gemotiveerd.