Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beslissing
27 mei 2014.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 27 mei 2014 het beroep in cassatie van verdachte verworpen tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor strafbare voorbereiding van ernstige zedendelicten jegens een fictief meisje van 10 jaar.
De verdachte had diverse voorwerpen en stoffen bij zich die bestemd waren voor het plegen van verkrachting en seksueel binnendringen van een persoon beneden twaalf jaar. Uit e-mail- en sms-contacten met een persoon die zich 'Richard' noemde, en een ontmoeting met deze persoon, bleek dat verdachte concrete plannen had om seksueel contact te hebben met een minderjarige. Hoewel het meisje fictief was, stond vast dat verdachte opzettelijk handelingen verrichtte ter voorbereiding van de misdrijven.
De Hoge Raad oordeelde dat het feit dat het slachtoffer fictief was en het misdrijf niet kon worden voltooid, niet aan de bewezenverklaring in de weg staat. Strafbare voorbereiding vereist slechts dat de gedragingen gericht zijn op het begaan van het misdrijf en dat het opzet daarop is gericht. De bewezenverklaring was voldoende gemotiveerd en het beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de strafbare voorbereiding van ernstige zedendelicten ondanks het fictieve slachtoffer en verwerpt het cassatieberoep.