Onderdeel 1klaagt dat als het hof heeft bedoeld om, overeenkomstig de vordering van de VvE in de appeldagvaarding, een dwangsom te verbinden aan de veroordeling van Lanvas om de wijziging aan de gemetselde buitengevel (het derde kozijn) ongedaan te maken, dit oordeel onvoldoende duidelijk (gemotiveerd) is, omdat het hof noch in rov. 22 noch in het dictum vermeldt dat het een dwangsom oplegt.
Onderdeel 2klaagt, kort gezegd, dat (althans) onvoldoende inzichtelijk is vanaf welk moment Lanvas dan volgens het hof een dwangsom zou verbeuren en dat het hof, zeker gelet op de in dit verband vereiste rechtszekerheid, in zijn motiveringsplicht is tekortgeschoten.
Onderdeel 3klaagt dat, indien het hof aan het niet naleven van Lanvas’ veroordeling om de gevel terug te brengen in zijn voormalige staat een bij voorraad uitvoerbare dwangsom heeft willen verbinden met onmiddellijke ingang, althans vanaf de betekening van het arrest (art. 611a lid 3 Rv), dan wel vanaf vier weken na de datum van het arrest (vgl. de ingangsdatum in het vonnis), dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat het innerlijk tegenstrijdig is. Het onderdeel wijst er daarbij, samengevat, op dat het hof enerzijds overweegt (rov. 22, vierde tot en met zevende zin) dat het zijn arrest overeenkomstig de vordering van de VvE in hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren, wat er volgens het onderdeel op duidt dat het hof ook een dwangsomveroordeling uitvoerbaar bij voorraad wil doen zijn, maar anderzijds overweegt (rov. 22, eerste zin) dat het bestreden vonnis grotendeels in stand dient te blijven, (kennelijk: enkel) met uitzondering van de kwestie van de bestickering, wat er volgens het onderdeel op duidt dat het hof ook in stand heeft willen laten dat de dwangsomveroordeling pas ingaat vier weken na het onherroepelijk worden van het vonnis.
Onderdeel 4wijst erop dat het hof de bestickering alsnog toestond en dus tot een andere veroordeling kwam dan de rechtbank en klaagt dat het hof heeft miskend dat het vonnis daarom ook ten aanzien van de dwangsomveroordeling had moeten worden vernietigd. Door het vonnis niettemin te bekrachtigen wat betreft de dwangsom heeft het hof ten onrechte met terugwerkende kracht een dwangsom verbonden aan een andere veroordeling, aldus het onderdeel. Dat is in strijd met de zeker bij een dwangsomoplegging vereiste rechtszekerheid en strookt niet met het karakter van de dwangsom als prikkel tot nakoming en dat geldt volgens het onderdeel zeker als het hof heeft bedoeld de dwangsom te laten ingaan vier weken na het vonnis, ongeacht dat dit toen nog niet onherroepelijk was (en nog steeds niet is).
Onderdeel 5is geformuleerd voor het geval het hof heeft geoordeeld dat Lanvas met onmiddellijke ingang, althans direct vanaf de betekening van het bestreden arrest, een dwangsom verbeurt. Volgens het onderdeel heeft het hof dan miskend dat de schuldenaar aan wie een dwangsom wordt opgelegd de gelegenheid moet worden gegeven om tijdig aan de veroordeling te voldoen en zo te voorkomen dat hij dwangsommen verbeurt. Als het hof impliciet heeft geoordeeld dat Lanvas deze gelegenheid heeft gehad, is dat oordeel volgens het onderdeel niet begrijpelijk, omdat niet zonder meer valt in te zien dat Lanvas de gevel binnen één dagdeel (na betekening) had kunnen terugbrengen in zijn eerdere staat en, kort samengevat, van algemene bekendheid is dat tijd nodig is om dat herstel te realiseren.