Conclusie
V.O.F. [verweerster 1]
[verweerder 2]
[verweerster 3] B.V.
1.Feiten en procesverloop
de auto). Het betreft een ‘oldtimer’. Op het aangifteformulier staan [eiser] en [betrokkene 1] als
Geschädigter [2] vermeld. Met de aangifte werd de auto internationaal als gestolen gesignaleerd.
[verweerster 3]), die deze heeft verkocht aan [A] B.V. (hierna:
[A]). De auto is door [A] op of omstreeks 20 september 2011 voor een importkeuring aangeboden bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna:
RDW) te Groningen.
[verweerster 1]).
[betrokkene 2]) heeft verkocht.
primairop het standpunt gesteld dat [eiser] niet heeft aangetoond dat hij de auto in 2008 in Zweden heeft gekocht en dat hij daarvan door eigendomsoverdracht eigenaar is geworden.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
[i]n deze specifieke omstandigheden (…) het ontbreken van de door [eiser] gestelde kentekenbewijzen (…) op zich geen reden voor nader onderzoek [vormde].”
kopiedeel III (die formeel geen deel uitmaakte van het kentekenbewijs), die nodig was om het kentekenbewijs te doen overschrijven op de koper. De ‘autopapieren’ bestonden destijds dus uit een driedelig kentekenbewijs en een kopie deel III.
Van der Peijl/Van der Gun [20] geoordeeld dat de door die bepaling aan de bezitter verleende bescherming niet toekomt aan hem, die een auto koopt onder zodanige omstandigheden, dat hij had behoren te begrijpen dat de zaak niet ‘eerlijk’ was en desondanks nalaat inlichtingen in te winnen bij de persoon op wiens naam de bij de auto aanwezige autopapieren staan.
Apon/Bisterbosch [21] heeft uw Raad de standaardregel geformuleerd met betrekking tot hetgeen vereist is voor een geslaagd beroep op goede trouw bij de koop van een tweedehands auto. Dat arrest heeft, aldus uw Raad [22] , betrekking op het geval dat A een hem in eigendom toebehorende auto, alsmede de autopapieren met uitzondering van kopie deel III, vrijwillig meegeeft aan B, die de auto vervolgens verkoopt en levert aan C, die de auto op zijn beurt verkoopt en levert aan D. In dit arrest heeft uw Raad met betrekking tot het beroep van D (in casu Bisterbosch) op art. 2014 BW Pro (oud) overwogen:
Bull’s Eye/Chrysler [23] was sprake van verkoop van een tweedehands (lease)auto. De verkrijger had bij de aankoop het volledige kentekenbewijs (inclusief kopie deel III) van de vervreemder ontvangen. Het kentekenbewijs deel II stond echter niet op naam van de vervreemder, maar op naam van een leasemaatschappij.
[...]/[...] [25] heeft uw Raad de regel van het arrest
Apon/Bisterboschherhaald en geoordeeld dat er geen grond bestaat deze regel te beperken tot het geval dat de eigenaar van de auto het bezit daarvan heeft verloren door diefstal dan wel verduistering.
DFM/Mobiel Lease [26] stond het kentekenbewijs deel IB op naam van de vervreemder en stond de auto, naar de verkrijger was nagegaan, op naam van de vervreemder geregistreerd bij de RDW. Het kentekenbewijs deel II (het overschrijvingsbewijs) was echter niet aan de koper getoond of afgegeven. Dit bevond zich onder de stil pandhouder, die met de vervreemder een vervreemdingsverbod was overeengekomen.
Apon/Bisterboschen
[...]/[...], dat:
onderzoeksplicht 1e fase’.
Apon/Bisterboschen
[...]/[...]laat uw Raad ruimte voor
uitzonderingenop de hier bedoelde regel c.q. onderzoeksplicht naar de autopapieren.
Bull’s Eye/Chryslereen door uw Raad geaccepteerde uitzondering en geeft nog een zestal denkbare voorbeelden. [30] Daartoe behoort niet het geval dat sprake is van een buitenlandse auto zonder kenteken. Schuijling acht de ruimte voor uitzonderingen zeer beperkt. [31]
DFM/Mobiel Leasewordt van eventuele uitzonderingen niet langer gewag gemaakt. Dit heeft in de literatuur de vraag doen rijzen of uw Raad voor het maken van uitzonderingen geen ruimte meer ziet. [32] Ik acht dat niet zeer aannemelijk.
nader onderzoekte doen naar de bevoegdheid van zijn voorman. [34] Men zou hier kunnen spreken van een ‘
onderzoeksplicht 2e fase’.
Apon/Bisterboschniet (onverkort) zal kunnen worden toegepast indien voor het voertuig in het geheel geen kentekenbewijs is afgegeven of als een kentekenbewijs is afgegeven dat geen overschrijvingsbewijs omvat. Hij wijst erop dat andere landen een kentekenbewijs kennen dat slechts uit één deel bestaat, zonder overschrijvingsbewijs. Dit kan ook het geval zijn bij binnen de EU uitgegeven kentekenbewijzen, omdat Richtlijn 1999/37/EG (zoals gewijzigd door Richtlijn 2003/127/EG) lidstaten niet verplicht tot het gebruik van een overschrijvingsbewijs.
Apon/Bisterboschonverkort van toepassing op uit het buitenland geïmporteerde (tweedehands) auto’s, in die zin dat de verkrijger, wil hij te goeder trouw zijn, tenminste ‘de autopapieren’ moet hebben onderzocht. Indien die ‘autopapieren’ slechts uit één onderdeel bestaan, of indien in het geheel geen kentekenbewijs is afgegeven, is het onderzoek noodzakelijkerwijs tot dat ene onderdeel respectievelijk die vaststelling beperkt. Met dat onderzoek respectievelijk die vaststelling heeft de verkrijger aan zijn onderzoeksplicht 1e fase voldaan.
[i]n deze specifieke omstandigheden (…) het ontbreken van de door [eiser] gestelde kentekenbewijzen (…) op zich geen reden voor nader onderzoek [vormde].”
[C], op haar beurt van haar rechtsvoorganger ([D] Ltd/[betrokkene 3]) een bij de auto behorend kentekenbewijs, het chassisplaatje en onderhoudsboekjes heeft gekregen;
hun voorgangerniet de door [eiser] gestelde onderzoeksplicht rustte om na te gaan of de auto als gestolen te boek stond;
[C]als
beschikkingsbevoegdede auto aan hen heeft verkocht;
[C] beschikkingsbevoegdwas;
[eiser]is om dit (lees: de
beschikkingsonbevoegdheid van [C]) in het kader van tegenbewijs aan te tonen.
[C] beschikkingsonbevoegdwas;
[C]– dus de
voorgangervan [verweerders] – beschikkingsonbevoegd was. In rov. 5.13 ligt besloten dat het hof in dat kader heeft onderzocht of ( [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat)
[C]niet een beroep toekwam op de bescherming van art. 3:86 lid 1 BW Pro. Waar het hof in de bestreden slotoverweging van rov. 5.13 tot het oordeel komt dat er “geen reden [was] voor nader onderzoek”, ziet dat derhalve op eventueel door
[C]te verrichten nader onderzoek.
onbevoegd was en tot het oordeel is gekomen dat
[verweerders]te goeder trouw waren en (ook in geval van beschikkingsonbevoegdheid van [C]) eigenaar zijn geworden (s.t. nr. 5; zie ook s.t. nr. 39, 50, 51), en
“nader” onderzoek. Hierin ligt besloten dat
enigonderzoek is gedaan, terwijl niet vast staat dat de verkrijger enig onderzoek met betrekking tot de autopapieren heeft gedaan en het hof daarover ook niets heeft overwogen, aldus het onderdeel.
niet geldtdat “voor een geslaagd beroep op goede trouw in de zin van (thans) art. 3:86 leden Pro 1 en 2 BW vereist [is] dat degene die een tweedehands auto verkrijgt, de autopapieren heeft onderzocht” (met verwijzing naar HR 21 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:B3057 (
DFM/Mobiel Lease), rov. 3.4 [47] ). Geklaagd wordt dat dit oordeel berust op een onjuiste rechtsopvatting. Daartoe wordt aangevoerd dat die norm ook geldt in deze specifieke omstandigheden, in elk geval ook indien naar de registratie van de eigendom eenvoudig navraag gedaan kan worden (bij de RDW), zoals hier het geval was.
niet geldtin de in rov. 5.13 genoemde specifieke omstandigheden van het geval. Het hof is tot het oordeel gekomen dat door de verkrijger aan deze onderzoeksplicht 1e fase is voldaan en dat de bevindingen van dat onderzoek de verkrijger in de specifieke omstandigheden van het geval niet noopten tot
naderonderzoek (geen ‘onderzoeksplicht 2e fase’).
subonderdelen 1.2.2, 1.2.4 en 1.2.5gaan eveneens uit van de lezing dat het hof van oordeel is dat genoemde regel c.q. norm
niet van toepassing is, en wel gelet op de in het betreffende subonderdeel genoemde omstandigheid:
subonderdeel 1.2.2);
subonderdeel 1.2.4); respectievelijk
subonderdeel 1.2.5).
voldaan isaan de verplichting tot onderzoek van de autopapieren, indien bij de auto wel degelijk een bij de auto behorend kentekenbewijs aanwezig was, zij het dat dit niet het laatst afgegeven kentekenbewijs was. Het klaagt dat dit oordeel onjuist is.
naderonderzoek van de bevoegdheid van de vervreemder. Het hof heeft evenwel geoordeeld dat dergelijk nader onderzoek in de door hem vastgestelde – in cassatie niet bestreden – omstandigheden niet vereist was. Dit oordeel valt m.i. binnen de beoordelingsmarge van het hof; het geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. [48] Het middel betoogt dat ook niet.
de toepasselijkheidvan voornoemde regel (dat de autopapieren moeten worden onderzocht)
vereistis “dat sprake was van een directe en concrete aanwijzing dat de auto gestolen was, anders dan de signalering als zodanig in de registers bij de RDW”. In dat geval zou het oordeel van het hof onjuist zijn.
voortbouwklacht(procesinleiding p. 7).