Conclusie
3 Procesverloop 3.1-3.18
4 Het principaal cassatieberoep 4.1-4.117
Onderdeel 1: Overdracht exploitatierechten (art. 45d Aw)4.1-4.45
5 Het incidenteel cassatieberoep 5.1-5.36
Onderdeel 1: Schadestaatprocedure5.1-5.8
Onderdeel 3: Buitenlandse rechthebbenden5.19-5.23
Onderdeel 4: Uitlokken wanprestatie5.24-5.26
Onderdeel 5: Kostencompensatie5.28-5.31
Onderdeel 6: Billijke vergoeding5.32-5.34
Onderdeel 7: Veegklacht5.35
Slotsom5.36
6 Conclusie
1.Inleiding
Lira) is een collectieve beheersorganisatie (afgekort:
cbo) voor auteurs van werken van tekstuele aard. Ziggo Services B.V., Ziggo B.V. en Delta Fiber Nederland B.V. (hierna:
de kabelexploitanten) zijn distributeurs van onder andere televisieprogramma’s via de kabel. Verweerder sub 4 (hierna:
Rodap) is een samenwerkingsverband van tv- en filmproducenten, omroepen en distributeurs. Verweerders in het principale beroep worden gezamenlijk aangeduid als
Ziggo c.s.
Norma/NLKabeluit 2014. [1] Allereerst is aan de orde de vraag of Lira de auteursrechten kan uitoefenen op beschermde werken in films die worden doorgegeven via de kabel. Meer specifiek gaat het om werken van tekstuele aard, zoals het script of het scenario. Lira baseert haar vorderingsrechten jegens de kabelexploitanten op de contractuele overdracht van primaire openbaarmakingsrechten door de makers aan haar zelf. Ziggo c.s. stellen dat de exploitatierechten op grond van art. 45d Auteurswet (hierna:
Aw) bij de filmproducent liggen en niet aan Lira kunnen worden overgedragen. In de zaak
Norma/NLKabelis deze kwestie ook aan de orde geweest. De Hoge Raad hoefde daarover toen niet te beslissen. [2] A-G Verkade sloot zich aan bij het standpunt van de kabelbedrijven. [3] In deze zaak heeft het hof zich bij die opvatting aangesloten. Onderdeel 1 keert zich tegen deze beslissing van het hof.
Norma/NLKabelontkennend beantwoord op de grond dat wegens technologische veranderingen kabelbedrijven niet langer een secundaire openbaarmakingshandeling verrichten. Aan de doorgifte via de kabel gaat namelijk niet langer een voor het publiek toegankelijke uitzending door de omroepen vooraf. Art. 14a Wet op de naburige rechten, het equivalent van art. 26a Aw, is niet op een primaire openbaarmaking van toepassing. In onderdeel 2 stelt Lira dat deze uitspraak in strijd is met het Unierecht. Zij nodigt uw Raad uit terug te komen op de in het arrest
Norma/NLKabelgegeven uitleg, althans daarover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie (hierna:
HvJEU).
Norma/NLKabelis voor de wetgever aanleiding geweest om art. 45d Aw aan te passen. Op grond van een nieuw tweede lid hebben scenarioschrijvers en hoofdregisseurs die hun exploitatierechten hebben overgedragen aan de producent, aanspraak op een proportionele billijke vergoeding van de distributeurs van de programma’s waarin hun werken zijn opgenomen. Die aanspraak moet collectief worden uitgeoefend. [4] Deze nieuwe regeling is op 1 juli 2015 in werking getreden. [5]
2.Feiten
het Aansluitingscontract), waarbij zij hun rechten op auteursrechtelijk beschermde werken, zowel bestaande als toekomstige rechten, voor de looptijd van de overeenkomst aan Lira overdragen. Het Aansluitingscontract luidt, voor zover in cassatie van belang:
de kabelovereenkomst), op grond waarvan zij een vergoeding verschuldigd waren voor de doorgifte van beschermde werken in programma’s. De laatste kabelovereenkomst liep op 1 oktober 2012 af.
3.Procesverloop
Eerste aanleg
de rechtbank) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: [9]
Norma/NLKabel, Lira haar vorderingsbevoegdheid niet langer kan ontlenen aan art. 26a Aw, nu geen sprake (meer) is van heruitzending (rov. 4.13).
Hoger beroep
het hof). Lira heeft bij memorie van antwoord incidenteel appel ingesteld. [12]
tussenarrest) heeft het hof allereerst geoordeeld dat Lira geen belang meer heeft bij een verbod of gebod, omdat inmiddels de wet en de situatie zijn gewijzigd en het haar gaat om vaststelling van haar rechten op vergoeding voor het verleden (rov. 3.4).
Norma/NLKabel, die ertoe heeft geleid dat de kabelexploitanten menen geen licentievergoedingen voor de kabeldoorgifte van omroepuitzendingen meer te hoeven betalen (rov. 3.3). Bij openbaarmaking via de kabel door middel van de Media Gateway, die de meerderheid van de gevallen uitmaakt, is sprake van slechts één openbaarmakingshandeling. Ook uit het arrest van het HvJEU in de zaak
SBS Belgium/Sabam [14] volgt dat alsdan sprake is van één openbaarmaking. De Hoge Raad heeft daaraan de consequentie verbonden dat in die situatie geen sprake is van heruitzending. Een eventuele gelijktijdige uitzending door de omroep via andere technische weg is niet relevant. Volgens het hof zou dit betekenen dat Lira niet langer een grondslag voor haar vordering aan art. 26a Aw kan ontlenen.
SBS Belgium/Sabamaan de orde geweest. Het hof heeft de beslissing op de vraag of van heruitzending ook sprake kan zijn als het gaat om een gelijktijdige primaire openbaarmaking aangehouden (rov. 3.8). Het heeft verder overwogen dat uit het Unierecht (en de Berner Conventie) volgt dat auteurs een billijke vergoeding dienen te ontvangen voor de exploitatie van hun arbeid en dat door Lira is gesteld dat de auteurs nu een lagere vergoeding ontvangen dan vóór het arrest
Norma/NLKabel.
free to airuitzendingen, wat meebrengt dat in zoverre toch nog sprake zou kunnen zijn van heruitzending als bedoeld in art. 26a Aw (rov. 3.12.3). Omdat Lira voorshands in haar bewijs is geslaagd, wordt aan haar verzoek tot het bevelen van een deskundigenbericht dan wel exhibitie ex art. 843a Rv niet toegekomen (rov. 3.12.1).
eindarrest) heeft het hof in principaal en incidenteel appel het bestreden vonnis van de rechtbank vernietigd. Ziggo c.s. zijn veroordeeld tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, die is voortgevloeid uit het zonder toestemming van Lira in Nederland openbaar maken van:
de eerdere vergoedingen, waarover vele jaren branchebrede overeenstemming had bestaan, billijk waren”) een
obiter dictumvormt (rov. 2.2). Het hof ziet geen aanleiding terug te komen op zijn oordeel omtrent art. 45d Aw en verduidelijkt dat de overweging omtrent het ontbreken van een belang bij een verbod of gebod ziet op de aanspraken die worden bestreken door de nieuwe wettelijke regeling in art. 45d lid 2 Aw (rov. 2.3); deze overweging ziet niet op post- en pre-existente werken, radio-uitzendingen, buitenlandse rechthebbenden en doorgifte anders dan via de Media Gateway (rov. 2.4).
Norma/NL Kabelin overeenstemming is met het Europees recht en ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU (rov. 2.7) omdat het arrest
SBS Belgium/Sabamvoldoende helderheid biedt (rov. 2.7.1-2.7.3).
het Lira-beding(rov. 2.11). Art. 45d is evenmin van toepassing op andere werken dan gewone filmwerken, zoals pre-existente, post-existente werken en radio-uitzendingen, door het hof aangeduid als
pre-existente werken c.a.(rov. 2.10).
4.Het principaal cassatieberoep
Onderdeel 1: Overdracht exploitatierechten (art. 45d Aw)
Inleiding
Juridisch kader
BC) is enkele malen aangepast. [16] Bij de Akte van Parijs (1971) werd art. 14 bis Pro toegevoegd dat als volgt luidt: [17]
3. Tenzij de nationale wetgeving anders bepaalt, zijn de bepalingen van het tweede lid, onder b, niet van toepassing op auteurs van scenario's, dialogen en muziekwerken die zijn gemaakt voor het tot stand brengen van het cinematografische werk noch op degene die bij het tot stand brengen daarvan de leiding heeft […].”
présomption de légitimation, feitelijk een exclusieve licentie van ieder van de makers aan de filmproducent. Het staat de verdragstaten vrij een ander stelsel te kiezen. Ik citeer Spoor/Verkade/Visser: [18]
bisBC laat de nationale wetgevers de keuze tussen de volgende stelsels:
Film Copyright, volgens hetwelk krachtens wetsbepaling (wetsfictie) de producent geldt als maker van resp. als auteursrechthebbende op het filmwerk, met uitsluiting van anderen; dit stelsel was bekend uit Groot-Brittannië;
cessio legis: dit stelsel gaat uit van auteursrechten van de makers volgens algemene auteursrechtelijke regels, doch de exploitatierechten komen van rechtswege toe aan de producent, zonder de mogelijkheid van een afwijkend beding; dit was het in o.a. Italië en Oostenrijk vigerende stelsel;
présomption de cession: het […] stelsel dat in art. 45d Aw is neergelegd, en dat reeds bestond in Frankrijk en Duitsland;
présomption de légitimation: vergelijkbaar met de présomption de cession, met dien verstande dat niet een overdracht, doch een exclusieve licentie aan de producent verondersteld wordt.
moestechter ingevolge art. 14
bisBC gekozen worden.”
oeuvres préexistantes, zoals een te verfilmen boek. Deze werken bestaan ook los van de geproduceerde film.
Artikel 45a
worden de makers geacht aan de producent het recht overgedragen te hebben om vanaf het in artikel 45c bedoelde tijdstip het filmwerk openbaar te maken, dit te verveelvoudigen in de zin van artikel 14, er ondertitels bij aan te brengen en de teksten ervan na te synchroniseren. Het vorenstaande geldt niet ten aanzien van degene die ten behoeve van het filmwerk de muziek gemaakt heeft en degene die de bij de muziek behorende tekst gemaakt heeft.
De producent is aan de makers of hun rechtverkrijgenden een billijke vergoeding verschuldigd voor iedere vorm van exploitatie van het filmwerk. […].”
‘présomption de cession’. Dat sloot volgens de wetgever het beste aan bij de wetgeving in omliggende landen, met name Frankrijk en Duitsland. Het gaat om een wettelijk vermoeden van overdracht door de maker aan de producent. Voor die overdracht is geen overeenkomst en ook geen akte nodig. Anders dan bij de varianten
‘film copyright’en
‘cessio legis’kunnen maker en producent een afwijkende afspraak maken waarmee het vermoeden van overdracht kan worden weerlegd. Ik verwijs naar de memorie van toelichting: [19]
een ieder die het filmwerk uitzendt of doet uitzenden of op enige andere wijze mededeelt aan het publiek, per draad of draadloos, met uitzondering van de beschikbaarstelling van het filmwerk op zodanige wijze dat het filmwerk voor de leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk is,
aan de hoofdregisseur en de scenarioschrijver van het filmwerk die deze rechten aan de producent heeft overgedragen een proportionele billijke vergoeding verschuldigd. Van het recht op een proportionele billijke vergoeding kan geen afstand worden gedaan.
Het recht op de vergoeding bedoeld in het tweede lid wordt uitgeoefend door representatieve rechtspersonendie zich ingevolge hun statuten ten doel stellen de belangen van hoofdregisseurs of scenarioschrijvers te behartigen door de uitoefening van dat recht. Artikel 26a, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
distributeurseen recht op een proportionele billijke vergoeding toe voor de exploitatie in Nederland. Het recht op een billijke vergoeding wordt uitgeoefend door cbo’s. Voor de scenarioschrijvers is dat Lira.
Norma/NLKabelwas gesneuveld (zie hierna), is weer terug. Maar om daarop aanspraak te maken moet de auteur zijn exploitatierechten aan de producent hebben overgedragen (lid 2). Verder heeft de cbo weer een eigen rechtspositie en een vorderingsrecht voor de proportionele billijke vergoeding (lid 3).
Uradex, [23] gaat over de vraag of Uradex, een Belgische cbo, toestemming kon geven voor de exploitatie van werken, waaronder de doorgifte per kabel, of dat haar rol beperkt was tot financiële aspecten, zoals het innen van vergoedingen. Die vraag zag op de situatie genoemd in art. 9 lid 2 van Pro de SatKabRichtlijn. Het HvJEU koos voor de eerste, ruime, interpretatie van die bepaling. In hetzelfde arrest werd echter, enigszins terloops, de volgende verduidelijking gegeven:
Luksan, [25] ging onder meer over de rechtsverhouding tussen de hoofdregisseur en de producent van een filmwerk, meer precies de reikwijdte van de overdracht van rechten aan de producent. [26] Volgens de hoofdregisseur had deze aan derden toestemming gegeven voor bepaalde exploitatiewijzen die niet tussen hen beiden waren overeengekomen. In die zaak kwam betekenis toe aan art. 2 lid 1 van Pro Richtlijn 2006/116, dat luidt: [27] “
De hoofdregisseur van een cinematografisch of audiovisueel werk wordt als auteur of een van de auteurs beschouwd. […].”
cessio legisrechtstreeks overgedragen aan de producent. Het HvJEU bepaalde dat het
rechtstreekstoekennen van de exploitatierechten aan een ander dan de feitelijke makers (de stelsels
‘film copyright’en
‘cessio legis’) niet langer is toegestaan in de lidstaten van de EU, omdat die rechten aan de auteur op grond van het Unierecht zijn toegekend:
Handvest) [28] als eigendom beschermd en kan als zodanig alleen worden ontnomen in het algemeen belang, in de gevallen en onder de voorwaarden waarin de wet voorziet en mits het verlies tijdig op billijke wijze wordt vergoed. [29]
cessio legisniet verenigbaar is met het Unierecht, oordeelde het HvJEU dat een wettelijk vermoeden van overdracht van rechten wél verenigbaar is met het Unierecht, mits dit vermoeden weerlegbaar is:
Tegengestelde opvattingen
Norma/NLKabel, kan een filmmaker niet bij voorbaat zijn exploitatierechten overdragen aan een cbo omdat het wettelijk vermoeden van overdracht aan de producent (art. 45d Aw) prevaleert. Aanhangers van deze lijn beroepen zich onder meer op punt 24 van het arrest
Uradex(zie 4.17). Het hof heeft in zijn tussenarrest deze opvatting gevolgd en daar in zijn eindarrest aan vastgehouden. Daar tegenover staat de opvatting dat de filmmaker wél de exploitatierechten bij voorbaat kan overdragen aan een cbo en dat die overdracht in de weg staat aan een latere overdracht aan de producent, althans tot het moment waarop de film vertoningsgereed is. Aanhangers van deze lijn beroepen zich onder meer op het arrest
Luksan(zie 4.18 e.v.) Zoals we zagen heeft de rechtbank zich aangesloten bij deze tweede, door Lira verdedigde opvatting.
eerste opvattingwordt aangehangen door onder meer de volgende schrijvers:
cessio legis-stelsel (het arrest
Luksanzou een jaar later worden gewezen). Met het betrokken advies is niet beoogd een antwoord te geven op de vraag hoe een contractuele overdracht van rechten aan een cbo zich verhoudt tot de wettelijke overdacht van exploitatierechten aan de filmproducent. Naar het oordeel van de Commissie Auteursrecht ontbrak de noodzaak de
cessio legisin te voeren omdat de producent zich in de praktijk uitstekend weet te redden:
kan voorkomen’ dat de exploitatierechten aan een cbo zijn overgedragen en daarom ‘
niet altijd bij de filmproducent terecht komen’omdat het ‘nemo plus’-beginsel van toepassing is. Ook bij deze passage komt het aan op de context, te weten dat er geen goede gronden zijn om het wettelijk vermoeden in te ruilen voor een dwingendrechtelijke overdracht aan de producent dan wel een fictief makerschap.
Luksan, daarover de vrije beschikking moeten hebben. (…) Op grond van het uitzonderingskarakter van artikel 45d Aw, dient het vermoeden van overdracht restrictief te worden uitgelegd. (…) Een bijkomend argument voor die restrictieve uitleg kan zijn het minimale karakter van de verplichtingen uit de Berner Conventie. Inhoudelijk gezien moet die restrictieve uitleg op grond van overweging (10) van de Auteursrechtrichtlijn leiden tot een situatie waarin de producent een passende beloning krijgt om het werk te kunnen financieren en de maker voor het gebruik dat van zijn werk wordt gemaakt. Een (niet: hét) middel tot verkrijging van die passende beloning wijst de Berner Conventie aan: de verplichting voor de makers zich niet te verzetten tegen vertoning en reproductie van het filmwerk, indien niet anders overeengekomen. Die verplichting behoort in het systeem van de BC tot de verbintenis tussen maker en producent, hoewel dat er niet uitdrukkelijk staat.”
Luksanis duidelijk dat de bescherming van de maker niet door een Unierechtelijke ondergrens mag zakken. Waar die ondergrens precies ligt, is moeilijk in zijn algemeenheid aan te geven (zie ook hierna, bij de bespreking van subonderdeel 1.5).
Bestreden overwegingen
Norma/NLKabel, waarin wél is ingegaan op de vraag wat de status is van een eerdere overdracht bij voorbaat. [37] De kern staat in de volgende passage:
Artikel 45d Aw behelst niet een (bewijs-)vermoeden maar behelst - als hoofdregel- een materiële rechtsregel, die de in het artikel genoemde rechten van rechtswege op de producent doet overgaan, zodat een leveringshandeling niet aan de orde is. Door de overgang van rechtswege is een ‘overdracht onder opschortende voorwaarde’ niet aan de orde, zo min als palavers over het moment van overdracht. Voor de maker / uitvoerende kunstenaar die niet gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheid om met de producent schriftelijk anders overeen te komen, is er van beschikkingsbevoegdheid geen sprake meer, en kan (bij een levering bij voorbaat van rechten op toekomstige uitvoeringen in het algemeen aan Norma) het ‘nemo plus’-beginsel door Norma juist niét tegen de producent, en door de producent juist wél tegen Norma ingeroepen worden.”
Samenvatting van de klachten
subonderdeel 1.1); [38]
subonderdeel 1.2); [39]
subonderdeel 1.3); [40]
subonderdeel 1.4); [41]
Luksanontoelaatbaar geoordeeld systeem waarin de exploitatierechten van rechtswege en uitsluitend aan de producent worden toegekend en aan de maker worden ontnomen (
subonderdeel 1.5); [42]
subonderdeel 1.6); [43]
subonderdeel 1.7);
subonderdeel 1.8).
Afbakening en belang
Bespreking van de klachten
subonderdelen 1.5 en 1.6).
Tenzij de makers en de producent schriftelijk anders overeengekomen zijn, worden de makers geacht aan de producent het recht overgedragen te hebben omvanaf het in artikel 45c bedoelde tijdstiphet filmwerk openbaar te maken”. Er staat niet:
“Tenzij de makers en de producent schriftelijk anders overeengekomen zijn, worden de makers geachtvanaf het in artikel 45c bedoelde tijdstipaan de producent het recht overgedragen te hebben om het filmwerk openbaar te maken”. Zoals de Ziggo c.s. stellen, ziet de tijdsbepaling in art. 45d Aw (oud) enkel op de
inhoudvan het recht dat wordt geacht te zijn overgedragen en niet op het
momentvan overdracht. [45] Dat geldt overigens ook voor het huidige art. 45d lid 1 Aw. Tenzij schriftelijk anders is overeengekomen tussen de maker en de filmproducent, heeft de producent ‘van meet af aan’ (namelijk: zodra het werk is voltooid) het recht om de film openbaar te maken, welk recht hij echter pas kan uitoefenen als de film vertoningsgereed is. [46] De door het hof gegeven interpretatie is rechtens niet onjuist.
subonderdeel 1.2betoogt. Ook als wordt aangenomen dat niet iedere ‘overdracht bij voorbaat’ aan een cbo onmogelijk is, blijft staan dat het recht een werk openbaar te maken wordt vermoed aan de producent te zijn overgedragen zodra het is ontstaan. Een wat hybride rechtsfiguur op grond waarvan overdracht bij voorbaat mogelijk is maar niet in de weg staat aan latere overdracht van exploitatierechten aan de producent, zoals de Duitse
Urheberrechtsgesetzdie kent, [47] bestaat in Nederland niet. Als een overdracht bij voorbaat in de weg zou staan aan de overdracht van exploitatierechten aan de producent, zoals Lira betoogt, dan zou de producent alsnog met verschillende cbo’s (of andere derden) moeten onderhandelen om de exploitatierechten te verkrijgen. Het wettelijk vermoeden van overdracht zou dan worden doorkruist. [48]
subonderdeel 1.3. Art. 45d Aw (oud) geldt niet
voor zovermaker en producent afwijkende afspraken hebben gemaakt. Alleen een overeenkomst die ertoe strekt dat (een deel van) de exploitatierechten
nietbij de producent zijn komen te liggen, staat (in zoverre) aan toepassing van het wettelijk vermoeden in de weg. [49] Uiteraard dient elke overeenkomst tussen producent en maker volgens de gebruikelijke maatstaven te worden uitgelegd. Dat heeft het hof niet miskend.
subonderdeel 1.4betoogt, maakt het wettelijk vermoeden van art. 45d Aw (oud) geen onderscheid tussen rechten die wel en rechten die niet collectief worden beheerd. Voor zover Lira wil betogen dat iets anders zou moeten gelden voor rechten die vóór het in art. 45c Aw bedoelde tijdstip contractueel aan een cbo zijn overgedragen, berust haar betoog op een uitleg van art. 45d Aw (oud) die ik bij de bespreking van subonderdeel 1.1 als onjuist heb aangemerkt. De producent beschikt over de exploitatierechten, tenzij hij met de maker schriftelijk iets anders is overeengekomen.
subonderdeel 1.5, dat het wettelijke vermoeden van overdracht op de voet van art. 45d Aw (oud) op hetzelfde neerkomt als een
cessio legis-stelsel, volg ik niet. Anders dan de Oostenrijkse regeling in de zaak
Luksan, heeft de maker hier de mogelijkheid andersluidende afspraken met de producent te maken. Toch snijdt Lira hier een belangrijk punt aan, dat raakt aan wat ik in 4.28 de ‘Unierechtelijke ondergrens’ heb genoemd. De ‘tenzij-bepaling’ aan het begin van art. 45d Aw (‘
Tenzij de makers en de producent schriftelijk anders overeengekomen zijn’) maakt duidelijk dat de maker die een afwijkende afspraak wil maken daartoe de producent mee moet zien te krijgen. Het wettelijk vermoeden van overdracht is namelijk pas weerlegd als partijen schriftelijk anders
zijn overeengekomen. Het maken van een eenzijdig voorbehoud door de auteur volstaat daartoe dus niet. In dat verband viel mij op dat Ziggo c.s. in hun stukken enkele malen spreken van
een voorbehoudvan de maker: ‘
behoudens voorbehoud van de maker jegens de producent’en ‘
De maker heeft de mogelijkheid om te bedingen dat de rechten niet bij de producent komen te liggen’. [50] Ik kan moeilijk inschatten of Ziggo c.s. daarmee de suggestie willen wekken dat de maker eenzijdig de overdracht kan tegenhouden. Dat lijkt mij niet het geval te zijn. Sterker: het lijkt aannemelijk dat de gemiddelde maker geen daadwerkelijke keuze heeft af te wijken.
vrij over de rechten kan beschikken die hij in de hoedanigheid van auteur heeft om zijn belangen te beschermen’? (zie arrest
Luksan, punt 87, geciteerd in 4.21). Alles afwegende meen ik van niet: de regeling van art. 45d Aw (oud) zakt niet door de Unierechtelijke ondergrens. Ten eerste
kande auteur iets anders overeenkomen met de producent. Dat het in de praktijk vaak moeilijk zal zijn voor makers om de producent daarin mee te krijgen, laat onverlet dat de regeling die mogelijkheid biedt. De Unierechtelijke toetsing dient plaats te vinden op het niveau van de regeling. Wat deze zaak betreft wijs ik er overigens op dat het hof heeft vastgesteld dat ten minste in enkele gevallen een Lira-beding is overeengekomen (zie hiervoor, 3.14). Het was dus kennelijk niet onmogelijk afwijkende afspraken te maken waarmee het wettelijk vermoeden wordt weerlegd. Ten tweede staat tegenover de overdracht een billijke vergoeding. Het is altijd lastig vast te stellen wanneer een vergoeding ‘billijk’ of juist ‘niet billijk’ is. Ook als die vergoeding weinig voorstelt (zie hierna, 4.86), betekent dat niet art. 45d Aw niet gerechtvaardigd zou zijn. Als in een concreet geval sprake is van onbetamelijk optreden van de producent jegens de maker, biedt het algemene vermogensrecht de maker middelen om daar tegen op te treden.
subonderdeel 1.6. Voor zover Lira opkomt tegen rov. 3.11 van het tussenarrest, waarin het hof overwegingen wijdt aan de billijkheid van de eerder verstrekte vergoeding, ziet zij eraan voorbij dat het hier een overweging ten overvloede betreft, zoals het hof heeft verduidelijkt in rov. 2.2 van het eindarrest. Lira kan niet worden gevolgd waar zij stelt dat het ontbreken van een billijke vergoeding meebrengt dat de exploitatierechten niet op de voet van art. 45d Aw (oud) bij de producent zijn komen te rusten. Genoemd artikel schrijft voor dat de producent een billijke vergoeding moet betalen, maar de overdracht van de exploitatierechten is daar niet afhankelijk van gesteld. Als geen billijke vergoeding is betaald, is het aan de maker om alsnog (in rechte)
van de producenteen billijke vergoeding af te dwingen. Waar de vorderingen van Lira alleen betrekking hadden op de kabelexploitanten – en niet zagen op de producenten – bestond er voor het hof ook geen aanleiding in het kader van de uitleg van art. 45d Aw (oud) nader in te gaan op de stellingen van partijen omtrent het al dan niet ontbreken van een billijke vergoeding van de producent. Het hof heeft níet feitelijk vastgesteld dat een billijke vergoeding
van de producentontbrak; wél dat de kabelexploitanten na 1 oktober 2012 niet meer hebben betaald voor de kabeldoorgifte.
Conclusie
subonderdelen 1.7en
1.8delen dat lot. Op zichzelf is er wel enige twijfel mogelijk of het mechanisme van art. 45d Aw (oud) dat slechts met instemming van de producent kan worden afgeweken van het wettelijk vermoeden van overdracht van exploitatierechten aan diezelfde producent, de toets van het arrest
Luksandoorstaat (zie de bespreking van
subonderdeel 1.5). Aanleiding om uw Raad te adviseren hierover een prejudiciële vraag aan het HvJEU te stellen zie ik niet, om de redenen die ik zo-even heb genoemd in 4.43. Deze kwestie zou echter meegenomen kunnen worden in het geval dat uw Raad beslist om naar aanleiding van onderdeel 2 prejudiciële vragen te stellen.
Onderdeel 2: Secundaire openbaarmaking (art. 26a Aw)
Inleiding
Norma/NLKabelheeft de Hoge Raad bepaald dat de doorgifte via de kabel technisch gezien niet langer een handeling is als bedoeld in art. 26a Aw. Het gevolg is geweest dat cbo’s de kabeldoorgiftevergoeding niet langer konden invorderen.
Juridisch kader
one stop shopwerd beoogd kabelmaatschappijen de zekerheid van 100% clearance van rechten te geven en daarmee belemmeringen voor het grensoverschrijdend dienstenverkeer weg te nemen. Collectief beheer draagt er tegelijkertijd toe bij dat alleen toestemming wordt verleend als daar een redelijke vergoeding voor de maker tegenover staat omdat de maker bij individuele uitoefening van zijn rechten doorgaans een zwakke onderhandelingspositie heeft. Voor zowel de gebruikers als de rechthebbenden werd collectief beheer aantrekkelijk geacht.
Norma/NLKabelgeoordeeld dat de verspreiding van via de Media Gateway ontvangen signalen niet als een secundaire, maar als een primaire openbaarmaking dient te worden aangemerkt. Het gevolg daarvan was dat het doorgifteregime van art. 26a Aw e.v., met het daarbij horende collectieve rechtenbeheer, niet langer van toepassing was.
transmission initiale’ en ‘
retransmission par câble’, ‘
Erstsendung’ en ‘
Kabelweiterverbreitung’, respectievelijk ‘
initial transmission’ en ‘
cable retransmission’.
transmission’ en van ‘
retransmission’. (…)
De strekking van artikel 9 lid 1 SatKabRI Pro is, dat de doorgifte van complete, kant en klare programma's, collectieve in plaats van individuele uitoefening van de daarbij betrokken auteurs- en nabuurrechten vereist. Voor die strekking is volstrekt niet van belang of die doorgifte na, naast, of in plaats van een uitzending door de omroep zelf geschiedt.
Maar gelet op de strekking van de regeling is er geen reden om haar tot die techniek beperkt te achten.”
een omroepeen mededeling aan het publiek doet en daarvoor toestemming van Sabam, een cbo, moest hebben, wanneer zij programmasignalen door de techniek van directe injectie één-op-één ter beschikking stelt aan distributeurs, die deze signalen doorgeven aan hun abonnees. Doet de omroep daarbij een mededeling aan het publiek in de zin van art. 3 lid 1 van Pro de Auteursrechtrichtlijn? Die bepaling heb ik geciteerd in 4.57.
Airfield en Canal Digitaal, C‑431/09 en C‑432/09, EU:C:2011:648, punt 80).
Airfield en Canal Digitaal, C‑431/09 en C‑432/09, EU:C:2011:648, punt 79).
SBS Belgium/Sabamaf dat de Nederlandse distributeurs, ook sinds de programma’s aan hen rechtstreeks via de Media Gateway worden aangeleverd, onverminderd toestemming van de makers nodig hebben voor de door hen verrichte mededeling aan het publiek.
SBS Belgium/Sabamis gewezen door een kamer van slechts drie rechters en zonder voorafgaande conclusie van de advocaat-generaal. Kennelijk bestond de perceptie dat dit een eenvoudige zaak zonder nieuwe rechtsvragen was, na het grote aantal zaken over het recht op mededeling aan het publiek dat al in Luxemburg voorbij was gekomen. [62] Dat is achteraf gezien wellicht niet helemaal een juiste inschatting geweest.
Richtlijn 2019/789) vastgesteld. [63] Met deze richtlijn wordt beoogd grensoverschrijdende levering van online TV- en radioaanbod te vergemakkelijken. Duidelijk is dat deze richtlijn, die onderdeel is van het
Digital Single Market-programma, temporeel niet van toepassing is op onderhavige zaak. Niettemin zou de richtlijn aanknopingspunten kunnen bieden voor de uitleg van het Unierecht zoals dat van toepassing was in de hier relevante periode waarin de kabelexploitanten voor de kabeldoorgifte niet hebben betaald (van 1 oktober 2012 tot 1 januari 2015).
Bestreden overwegingen
tussenarrestoverwogen:
eindarrestluiden:
Uitzendingen via de Mediagateway
“Dient artikel 1 lid 3 van Pro de KabSatRichtlijn zodanig te worden uitgelegd dat met ‘eerste uitzending’ uitsluitend een signaal wordt bedoeld dat (mede) door eindgebruikers te ontvangen is, of kan het ook zien op een signaal dat niet rechtstreeks door eindgebruikers te ontvangen is en wordt opgepikt door een distributeur met het oog op de gelijktijdige, ongewijzigde en integrale doorgifte, door middel van een kabel- of microgolfsysteem, aan het publiek?”
Samenvatting van de klachten
Norma/NLKabelen subsidiair om vragen van uitleg over de SatKabRichtlijn aan het HvJEU te stellen. Achtereenvolgens bevat het onderdeel de volgende klachten:
subonderdeel 2.1); [65]
SBS Belgium/Sabamniet volgt dat ‘eerste uitzending’ in de zin van art. 1 lid 3 SatKabRichtlijn Pro niet ziet op een signaal dat niet rechtstreeks door eindgebruikers te ontvangen is en evenmin dat dit artikel, en dus ook art. 9 SatKabRichtlijn Pro niet van toepassing is op doorgifte via de kabel van een signaal dat niet door eindgebruikers is te ontvangen, nu dat arrest uitsluitend zag op de uitleg van de Auteursrechtrichtlijn met betrekking tot de vraag of een in die zaak aan de orde zijnde doorgifte van een signaal een mededeling aan het publiek vormde (
subonderdeel 2.1); [66]
subonderdeel 2.2). [67]
subonderdeel 2.3);
subonderdeel 2.4);
subonderdeel 2.5);
van de producentde auteursrechten verwerft om de film via de kabel uit te zenden (
subonderdeel 2.6).
op zichzelfnog geen mededeling aan het publiek oplevert (de door de omroep aangeleverde signalen zijn voor het publiek immers niet toegankelijk), er niet aan in de weg staat dat de kabelmaatschappijen voor hun bijdrage aan de uitzending van de programma’s, toestemming van de rechthebbenden behoren te verkrijgen. [68]
Belang
Norma/NLKabel,waar de Hoge Raad het volgende heeft overwogen (mijn onderstreping):
Dit brengt mee dat de collectieve beheersorganisatie (Norma) niet meer op grond van art. 14a WNR ten behoeve van deze uitvoerende kunstenaar (die immers geen rechthebbende meer is) kan optreden.
indien de uitvoerende kunstenaar met de producent schriftelijk anders is overeengekomen; in dat geval kan de uitvoerende kunstenaar zelf over zijn rechten beschikken en
kan de collectieve beheersorganisatie op de voet van art. 14a WNR ten behoeve van hem blijven optreden. Het betoog van Norma dat aldus het in art. 14a WNR en art. 9 SatKabRichtlijn Pro neergelegde systeem van collectieve belangenbehartiging wordt doorkruist en dat daardoor mede de (onderhandelings)positie van de uitvoerende kunstenaars wordt verzwakt, stuit op bovenstaande rechtspraak van het HvJEU af.”
Norma/NL Kabeler aan in de weg staat dat Lira kan optreden ten behoeve van een maker om een vergoeding te bedingen voor het toestaan van de kabeldoorgifte. Die toestemming is gegeven met de overdracht aan de producent. Lira’s vorderingen – ook haar vordering tot schadevergoeding – zijn gebaseerd op de aanname dat zij bevoegd is om voor tekstschrijvers op te treden. Die veronderstelling is, als onderdeel 1 faalt, onjuist. Alleen voor zover haar klachten relevant zijn voor de gevallen waarop art. 45d Aw niet van toepassing is (en voor zover het tevens zou gaan om uitzendingen niet via de Media Gateway), heeft Lira belang bij haar klachten.
wettelijkmandaat, op grond waarvan zij ook auteurs kan vertegenwoordigen die niet bij haar zijn aangesloten. Dat mandaat kan, zo is gebleken, niet worden uitgeoefend als de exploitatierechten van de maker zijn overgegaan naar de filmproducent. En dat is bijna altijd het geval. Ziggo c.s. zien dat kennelijk ook zo: wanneer de exploitatierechten bij de producent zitten, is voor het hebben van ‘schone rechten’ nog slechts een contract tussen producent en omroep en tussen omroep en distributeur nodig, [71] maar de cbo’s moeten er vooral buiten worden gehouden. [72]
Norma/NLKabelbuiten spel, behalve als de maker met de producent andere afspraken heeft weten te maken. Dat resultaat vind ik niet alleen onbevredigend maar ook paradoxaal: het handjevol makers van filmwerken dat weet te bedingen dat zij niet hun rechten aan de producent hoeven over te dragen kan wél worden vertegenwoordigd door een cbo; alle andere makers, die veelal moeten tekenen bij het spreekwoordelijke kruisje, kunnen dat niet. Zij krijgen van de producent een honorarium dat wordt geacht zowel een beloning voor hun creatieve inspanningen als een compensatie voor het prijsgeven van hun exploitatierechten te omvatten. Of daar in de praktijk veel van terecht komt is een vraag die hier onbeantwoord kan blijven. Ik wijs er wel op dat Visser naar aanleiding van het arrest
Norma/NLKabelschreef: [73]
Onverminderd het bepaalde in art. 26a’kent het nieuwe lid 2 aan de scenarioschrijver (en de hoofdregisseur) van een film jegens de kabelmaatschappij het recht toe op een proportionele billijke vergoeding mits hij zijn exploitatierechten heeft overgedragen aan de producent. Ingevolge lid 3 wordt genoemd recht collectief uitgeoefend (zie 4.11). Dat overdracht van rechten en collectief beheer hier wél samengaan komt m.i. omdat lid 2 niet voorziet in een verbodsrecht maar in een vergoedingsrecht: de maker heeft zijn toestemming voor de doorgifte gegeven met de overdracht van zijn exploitatierechten aan de producent, zodat alleen hoeft te worden onderhandeld over het bedrag van de vergoeding van de distributeurs. Dít – eigen – recht van de maker staat los van de exploitatierechten en kan ook niet worden overgedragen aan een cbo. Deze oefent dit recht slechts uit. Naar mijn indruk werkte in het verleden het systeem van de kabelovereenkomsten in wezen op dezelfde manier. Het ging in de praktijk om een vergoedingsrecht dat voor de makers een tweede bron van inkomsten betekende, naast het van de producent ontvangen honorarium.
Bespreking van de klachten
Norma/NLKabeldaarvan de oorzaak
.Zoals wij zagen is daarin uitgemaakt dat sinds de directe aanlevering van de omroepsignalen via de Media Gateway de distributeur niet langer een secundaire openbaarmaking verricht en daarmee art. 26a Aw als wettelijke grondslag voor het collectief uitoefenen van het openbaarmakingsrecht is komen te vervallen.
Norma/NL Kabel(zie 4.62) Dit arrest staat m.i. ook op gespannen voet met art. 3 lid 1 van Pro de Auteursrechtrichtlijn: weliswaar is het gevolg strikt genomen alleen dat de cbo niet langer op de voet van art. 26a het recht kan
uitoefenen, duidelijk lijkt echter dat daarmee het uitsluitende recht op mededeling aan het publiek in zijn
bestaanis aangetast, nu een realistische alternatieve handhavingsmogelijkheid ontbreekt. Waar een recht is moet een remedie zijn; zonder remedie is er geen recht.
SBS Belgium/Sabambevestigt dat de overgang naar de nieuwe techniek van directe injectie niet tot gevolg heeft gehad dat de maker niet langer beroep kan doen op zijn recht op mededeling aan het publiek (zie 4.68 en 4.69). Het wegredeneren van deze bescherming op de grond dat er geen eerste uitzending meer is bij gebrek aan publiek en er geen tweede openbaarmaking meer is bij gebrek aan eerste uitzending lijkt mij Unierechtelijk aanvechtbaar. Dankzij voortvarend ingrijpen van onze wetgever is de ontstane beschermingslacune per 1 juli 2015 gelukkig weer goeddeels gedicht. [77]
Norma/NL Kabelheeft gegeven in overeenstemming is met doel en strekking van art. 1 lid 3 en Pro art. 8 (en eventueel art. 9) van de SatKabRichtlijn. Daarnaast zou een vraag gesteld kunnen worden over de uitleg van art. 3 lid 1 van Pro de Auteursrechtrichtlijn, in verbinding met art. 17 Handvest Pro. [78] Nu deze laatste bepaling blijkens het arrest
Luksanhorizontale werking heeft, [79] kan zij een rol spelen in een procedure met geschilpunten als hier aan de orde.
Conclusie
Onderdeel 3: Deskundigenbericht of exhibitie
Bestreden overwegingen
free to airbeschikbaar worden gesteld aan het publiek. [80] De kabeldoorgifte van die signalen zou daarom nog steeds een ‘heruitzending’ zijn waarvoor Ziggo c.s. op grond van art. 26a Aw moeten betalen aan Lira. Lira betoogt dat de bewijslast bij Ziggo c.s. ligt, omdat alleen zij beschikken over de informatie welke zenders precies (ook)
free to airuitzenden. Indien het hof echter zou oordelen dat de bewijslast op Lira rust, dan moet Lira voor haar bewijslevering hulp krijgen in de vorm van een deskundigenbericht of, subsidiair, een exhibitie op de voet van art. 843a Rv. [81]
free to airuitzendingen plaatsvinden door 24 zenders die staan vermeld op een door Ziggo c.s. overgelegde lijst. [82] Het gaat daarbij overwegend om buitenlandse publieke zenders. Deze beslissing betekent dat, naar het oordeel van het hof, ten aanzien van die 24 zenders (‘in zoverre’) de door Lira gestelde voorwaarde (te weten: dat zij de bewijslast heeft) niet is vervuld. Lira wil echter weten hoe het zit met andere dan de 24 zenders, waarbij zij benadrukt dat de Nederlandse en Vlaamse publieke zenders niet op de lijst van 24 voorkomen. Daarvan zegt het hof dat dit niet ter zake doet omdat Ziggo c.s. voor die zenders het signaal in elk geval via de Media Gateway ontvangen en een eventueel
free to airsignaal niet het signaal is dat door Ziggo c.s. bij de doorgifte van die zenders wordt gebruikt.
free to airde ether ingaat. In het midden kan blijven of dat zo is. Voor zover dat het geval is, is naar het oordeel van het hof in die situatie geen sprake van heruitzending in de zin van artikel 26a Aw, omdat de omroep het signaal dat de kabelexploitanten gebruiken, rechtstreeks bij hen aanlevert via de - niet voor het publiek toegankelijke - Mediagateway; dat er, wellicht, tegelijk een ander signaal wordt uitgezonden mist belang (zie hiervoor onder r.o. 2.7.2). Gelet daarop is het door Lira verzochte deskundigenbericht over die stellingen niet nodig.
Samenvatting van de klachten
Bespreking van de klachten
in zoverreniet is vervuld. Van de andere zenders die mogelijk
free to airuitzenden, gaat het hof nog slechts in op NPO1, 2 en 3, BBC en de Belgische publieke zenders. [85] Volgens het hof kan voor deze zenders in het midden blijven of eenzelfde signaal dat direct wordt aangeleverd bij de kabelexploitanten via de Media Gateway tegelijk ook
free to airde ether ingaat. Gevolg is dat de schadestaatprocedure op dit onderdeel is beperkt tot werken die Ziggo c.s. hebben doorgegeven via de 24 televisiezenders. [86] Het klopt echter dat Lira heeft betwist dat de kabelexploitanten (uitsluitend) het via de Media Gateway ontvangen signaal gebruiken voor doorgifte.
free to airwordt uitgezonden en dát signaal door de kabelexploitanten zou kunnen worden opgepikt. Ik zou menen dat Lira in deze langlopende procedure ampel de gelegenheid heeft gehad dat vermoeden meer te concretiseren. Het kennelijke oordeel van het hof dat Lira daar niet in is geslaagd, acht ik te billijken en in elk geval niet onbegrijpelijk. Zelfs als aan de door Lira gestelde ‘voorwaarde’ is voldaan, behoefde het oordeel in rov. 2.17.1 dat het deskundigenbericht niet nodig was geen nadere motivering. Dat geldt eveneens voor de art. 843a-vordering en voor het passeren van het relevante deel van Lira’s bewijsaanbod.
Bestreden overwegingen
Samenvatting van de klachten
subonderdeel 4.1); [87]
subonderdeel 4.2);
subonderdeel 4.3);
subonderdeel 4.4);
subonderdeel 4.5).
Bespreking van de klachten
subonderdeel 4.1.
Subonderdeel 4.2deelt hetzelfde lot. Lira stelt, op zichzelf terecht, dat de primaire doelstelling van een verbod het voorkomen van een ‘dreigend onrecht’ is en dus ook kan worden gevorderd als een onrechtmatige daad dreigt te geschieden. [91] Dat kan haar hier echter niet baten. Lira had enkele (relatief oude) voorbeelden van een inbreuk aangevoerd, maar naar het oordeel van het hof de dreiging van een nieuwe inbreuk onvoldoende concreet gemaakt. De overweging dat de noodzaak van een gebod in de huidige gewijzigde situatie niet voldoende is onderbouwd, dient m.i. tegen die achtergrond te worden begrepen. Dat de woorden ‘in de huidige gewijzigde situatie’ slaan op de wijziging van art. 45d Aw per 1 juli 2015 blijkt niet. Daarom is niet van belang dat die wetswijziging geen gevolgen heeft gehad voor pre-existente werken. [92]
subonderdeel 4.3dat het voor een gebod of verbod (steeds) nodig is dat vastgesteld kan worden dat onrechtmatig is gehandeld jegens concreet aan te geven makers of ten aanzien van concrete werken. In zijn algemeenheid heeft Lira hier zeker een punt. Voor het opleggen van een gebod of verbod kán voldoende zijn dat vaststaat dat onrechtmatig is gehandeld en dat niet is gebleken dat onrechtmatig handelen in de toekomst zal uitblijven, zonder dat duidelijk is welke concrete makers of werken het betreft. In een zaak als de onderhavige betekent dit dat het hof nader diende te motiveren waarom geen reden bestaat voor toewijzing van de gebods- of verbodsvorderingen. Daartoe volstaat echter de overweging van het hof dat een dergelijk gebod ingrijpend is en de noodzaak ervan niet behoorlijk is onderbouwd (slot rov. 2.14.1).
subonderdeel 4.4aangeland. Lira acht onvoldoende begrijpelijk het oordeel van het hof dat voor toewijzing van het gevorderde bevel tot opgave nodig is dat vaststaat om welke werken en makers het gaat, zodat de kabelexploitanten weten welke informatie zij moeten verstrekken en voorkomen wordt dat niet-relevante informatie wordt verstrekt. Het gevorderde bevel tot opgave zag niet op de werken en makers, maar op de zenderpakketten en de aantallen abonnees. De gevorderde opgave is – zoals Lira in feitelijke aanleg heeft gesteld en in cassatie herhaalt [93] – van belang voor de berekening van de schade.
subonderdeel 4.5geen bespreking.
5.Het incidenteel cassatieberoep
Bestreden overwegingen
Samenvatting van de klachten
isgemaakt. Dat aannemelijk is dat sprake is van inbreuken, resp. dat de mogelijkheid van inbreuken aannemelijk is, is onvoldoende (
onder 1.1 en 1.1.1);
onder 1.2), omdat Lira niet heeft bewezen en door het hof ook niet is vastgesteld dat zich gevallen voordoen waarin cumulatief (i) de auteur ‘anders is overeengekomen’ met de producent, (ii) Lira de betreffende auteursrechten kan handhaven en (iii) deze werken in de relevante periode door de kabelexploitanten zijn (her)uitgezonden (
onder 1.2.1). [95]
onder 1.2.2);
onder 1.2.2).
Bespreking van de klachten
Norma/NLKabel. In deze overweging wordt tot uitdrukking gebracht dat voor een verwijzing naar de schadestaat kan worden volstaan met de vaststelling dat sprake is geweest van een inbreuk. Niet hoeft vast te staan welke kabelexploitant, jegens welke rechthebbende en met betrekking tot welke uitzendingen een inbreuk heeft gepleegd op de rechten. Een andere opvatting zou onaanvaardbaar afbreuk doen aan de effectieve belangenbehartiging door cbo’s.
mogelijkheid van inbreuk en dus van schade’. Uit de overwegingen blijkt evenwel dat het hof heeft aangenomen dat van een inbreuk sprake
iszodat het woord ‘mogelijk’ kennelijk alleen ziet op de mogelijkheid van schade. Het hof heeft overwogen dat er gevallen zijn waarin een ‘Lira-beding’ is overeengekomen, sprake is van pre-existente werken c.a. of aan Lira (dan wel een buitenlandse zusterorganisatie waarmee zij een wederkerigheidsovereenkomst heeft) bedoelde rechten zijn overgedragen bij de aansluitcontracten en dat niet in alle gevallen om toestemming is gevraagd en voor die rechten is betaald aan Lira. Dat is de grondslag van de verplichting tot schadevergoeding. Daarmee is de mogelijkheid van schade aannemelijk. Voor zover Ziggo c.s. klagen dat het hof heeft miskend dat voor een verwijzing naar de schadestaatprocedure ten minste vereist is dat in de hoofdprocedure wordt vastgesteld dat een inbreuk is gemaakt, mist het onderdeel dan ook feitelijke grondslag.
Ten eerstevolgt dit uit de verklaring van Tom de Lange, de managing director van AGICOA (Productie 16). AGICOA vertegenwoordigt buitenlandse producenten. Tom de Lange heeft verklaard dat naar zijn weten, afwijkende schriftelijke bedingen waarin auteursrechten door scenarioschrijvers worden voorbehouden, niet of
amper[cursivering door mij] voorkomen. Gezien het aantal rechthebbenden dat AGICOA vertegenwoordigt, is dit een belangrijke feitelijke vaststelling.”
allemakers dit doen. Namens Lira is ter zitting terecht opgemerkt: [100]
Bestreden overwegingen
Norma/NL Kabelook al aan de orde. Het hof heeft het volgende overwogen:
Samenvatting van de klachten
die zullen worden uitgezonden, een onbegrijpelijke uitleg gegeven van de tekst van het Aansluitingscontract. De tekst van het Aansluitingscontract laat zich niet anders uitleggen dan dat wordt beoogd dat de auteur de “Rechten” op alle door hem vervaardigde en tijdens de looptijd van de overeenkomst nog te vervaardigen “Werken” aan Lira overdraagt, althans bij voorbaat aan Lira levert. Uit de tekst blijkt geen beperking van de beoogde overdracht tot de “Werken” voor zover deze zullen worden uitgezonden (
onder 2.1.1).
onder 2.1.2);
alhun auteursrechten van tekstuele aard aan haar overdragen. In het licht daarvan is het oordeel dat het in casu gaat om tekstuele werken die voldoende identificeerbaar zijn omdat het uitsluitend gaat om tekstuele werken die zullen worden uitgezonden, onbegrijpelijk. De situatie die in
Norma/NLKabelaan de orde was, doet zich ook hier voor. Niet valt in te zien waarom de redenering in dat arrest wel op zou gaan voor een lied, opgevoerd in familiekring, maar niet voor bijvoorbeeld een op papier gezette speech voor een uitvaart of trouwerij of een brief in relationele sfeer. Tegen deze achtergrond heeft het hof miskend dat niet is voldaan aan de bepaaldheidseis. Immers niet het gehele repertoire waarop een auteur auteursrechten verkrijgt kan achteraf worden geïdentificeerd, zodat de omschrijving in de aansluitingsovereenkomsten onvoldoende bepaald is (
onder 2.2); [101]
onder 2.3). [102]
Bespreking van de klachten
Norma/NLKabelkwam het bepaaldheidsvereiste aan de orde. Voor zover hier van belang, werd in dat arrest daaromtrent het volgende overwogen:
Norma/NLKabelis ook op dit onderdeel kritisch ontvangen. Ik citeer de NJ-noot van Hugenholtz: [103]
en detailidentificeerbaar is.
Mulder q.q./Rabobankuit de (overvloedige) jurisprudentie afleidde, moet de “maatstaf van ‘voldoende bepaaldheid’ hierbij naar gelang van de omstandigheden verschillend […] worden ingevuld” (Concl. P-G Hartkamp bij HR 20 september 2002,
NJ2004/182). In dat arrest accordeerde de Hoge Raad een generiek geformuleerde pandakte waarmee verpand werden “alle ten tijde van ondertekening van de pandlijst bestaande rechten/vorderingen van de pandgever en alle rechten/vorderingen van de pandgever die worden verkregen uit ten tijde van de ondertekening van de pandlijst bestaande rechtsverhoudingen tussen de pandgever en derden”. Bedenk hierbij dat de Hoge Raad en de lagere rechtspraak het bepaaldheidsvereiste ‘verre van strikt’ (P-G Hartkamp, para. 8; zie ook HR 20 september 2002,
NJ2004/182, ro. 3.5) plegen uit te leggen en toe te passen. Volgens Verstijlen is het vereiste zelfs ‘verwaterd tot homeopathische proporties’ (Verstijlen,
WPNR6906, 919). Met dat al valt moeilijk in te zien waarom een generiek omschreven verpanding wel, maar de Norma-overdracht niet aan de eis van art. 3:84 lid 2 BW Pro voldeed.”
nietbedoeld te overwegen dat alle rechten die onderwerp zijn van de levering moeten kunnen worden geïdentificeerd, wat inderdaad een aanvullend vereiste in de bepaaldheidseis van art. 3:84 lid 2 BW Pro zou introduceren. Overwogen is slechts dat de eis van bepaalbaarheid betrekking heeft op elk van de over te dragen goederen. Wordt ten aanzien van sommige goederen niet aan dat vereiste voldaan en ten aanzien van andere goederen wel, dan kunnen eerstbedoelde goederen niet en laatstbedoelde goederen wel zijn overgedragen. Overigens deel ik de kritiek dat het bij de rechtsfiguur van collectief rechtenbeheer niet past te eisen dat ieder werk of iedere uitvoering waarop het aansluitingscontract betrekking heeft
en detailidentificeerbaar is.
“de hier relevante aan Lira bij voorbaat overgedragen rechten”. [104] De toevoeging van de woorden ‘hier relevante’ houdt de mogelijkheid open dat is beoogd meer rechten over te dragen. In de verhouding met de kabelexploitanten gaat het echter slechts om rechten die rusten op werken die zullen worden uitgezonden. Dat zijn de hier relevante rechten. De overweging dat
“(uit de tekst van het aansluitcontract als geheel valt op te maken dat)hier
uitsluitend wordt gedoeld op tekstuele werken die zullen worden uitgezonden”, moet ook in die zin worden gelezen. Mogelijk is beoogd de rechten op alle vervaardigde en tijdens de looptijd van de overeenkomst nog te vervaardigen werken over te dragen of bij voorbaat te leveren, zoals Ziggo c.s. onder verwijzing naar stellingen van Lira aanvoeren, [105] maar
hier(lees; voor zover hier van belang) wordt uitsluitend gedoeld op tekstuele werken die zullen worden uitgezonden. Het gaat dan ook om de vraag of die rechten met voldoende bepaaldheid zijn omschreven. Dat partijen hebben beoogd rechten over te dragen die rusten op werken die zullen worden uitgezonden, is in het licht van het Aansluitingscontract met Bijlage en Voorwaarden [106] en van de (ook door Ziggo geciteerde) stellingen van Lira niet onbegrijpelijk.
“voldoende identificeerbaar zijn, omdat (uit de tekst van het aansluitcontract als geheel valt op te maken dat) hier uitsluitend wordt gedoeld op tekstuele werken die zullen worden uitgezonden.”(rov. 2.13.3, slot). Het hof heeft ook de door de rechtbank genoemde gronden voor dat oordeel overgenomen. Daaruit volgt dat aan de bepaaldheidseis is voldaan omdat i) het begrip ‘Werken’ in de Voorwaarden is gedefinieerd, ii) het daarbij steeds gaat om werken van stoffelijke aard die steeds ter verificatie voorhanden zijn, nu het gaat om tekstuele werken, en iii) in art. 6 lid 1 van Pro de Voorwaarden is bepaald dat de auteurs zich verbinden om hun werken bij Lira aan te melden in een zo vroeg mogelijk stadium en uiterlijk op het moment van voltooiing daarvan. Deze door de rechtbank genoemde gronden worden in cassatie niet bestreden.
Norma/NLKabel. In die procedure ging het niet om voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten én in die procedure was er door Norma geen beroep gedaan op de bepaling dat de uitvoerend kunstenaar het repertoire ‘met name voor zover daarvan opnamen, reprodukties en/of uitzendingen zijn gemaakt’ deze dient aan te melden. De stellingen van de kabelexploitanten dat dit geval zeer wel vergelijkbaar is met
Norma/NLKabelstranden reeds daarop. Het oordeel van het hof dat aan de bepaaldheidseis is voldaan is, alle daartoe aangedragen gronden in aanmerking genomen, niet onbegrijpelijk en geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Bestreden overwegingen
Samenvatting van de klachten
onder 3.1); [111]
onder 3.2);
onder 3.3).
Bespreking van de klachten
Bestreden overwegingen
Samenvatting van de klachten
onder 4.1.1);
onder 4.1.2).
Bespreking van de klachten
De klachten
onder 5.1);
onder 5.2). Het enkele feit dat het hof Lira de kans heeft gegeven haar stellingen in de schadestaatprocedure alsnog te bewijzen, betekent niet dat het hof Lira in het gelijk heeft gesteld;
onder 5.3).
Bespreking van de klachten
onder 5.1.mist feitelijke grondslag voor zover de klacht berust op de veronderstelling dat het hof niet zowel in het principaal als in het incidenteel appel een kostenveroordeling heeft uitgesproken. Het dictum betreft onmiskenbaar het principaal en incidenteel appel en moet zo worden begrepen dat het hof beide keren de kosten heeft gecompenseerd.
onder 5.2 en 5.3merk ik het volgende op. De beslissing over de vraag of, en zo ja op welke wijze, de kosten zullen worden gecompenseerd indien partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, staat – zoals Lira in haar schriftelijke toelichting onder 5.5.3 met juistheid stelt – ter vrije beoordeling van de rechter die over de feiten oordeelt. Dat oordeel kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst en hoeft geen blijk te geven van een weging of partijen in gelijke mate over en weer in het ongelijk zijn gesteld. [118] Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk. Vergelijking van de uitkomst in relatie tot het gevorderde leert dat partijen over en weer op verschillende punten in het ongelijk zijn gesteld. [119] Het hof hoefde niet tot een ander oordeel te komen op de grond dat het relatief gewicht van de onderwerpen ten aanzien waarvan Ziggo c.s. in het gelijk zijn gesteld zwaarder is dan dat van de onderwerpen ten aanzien waarvan Lira in het gelijk is gesteld.
Bestreden overwegingen
obiter dictummet het oog op de situatie dat partijen nader in onderhandeling treden.
De klachten
in de persoon van Rodap’;
obiter dictumwillen geven om partijen tot een schikking te bewegen. Daarbij heeft het hof niet uitdrukkelijk geoordeeld dat op dit moment niet langer van een billijke vergoeding sprake is, maar – kennelijk met het oog op de beoogde schikkingsonderhandelingen – gebruik gemaakt van bedekte bewoordingen. Uit rov. 2.22 van het eindarrest volgt dat het hof heeft onderkend dat het debat over het al dan niet ontbreken van een billijke vergoeding nog niet ten volle is gevoerd en dat Lira ter zake de producenten dient aan te spreken. De vorderingen in de onderhavige procedure zien op de kabelexploitanten en betreffen niet de billijke vergoeding van de producent.