Conclusie
1.Feiten
Werknemer zowel als werkgever zijn bevoegd de arbeidsovereenkomst door opzegging te doen beëindigen met inachtneming van een opzeggingstermijn van:
2.Procesverloop
3.Juridisch kader
De partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, is aan de wederpartij een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.”
1. (…)
1. De gefixeerde schadevergoeding, bedoeld in artikel 677 lid Pro 4, is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgesteld loon voor de tijd, dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren.
enigesanctie de gefixeerde vergoeding van art. 7:672 lid 11 BW Pro. Deze in de wet omschreven vergoeding bij onregelmatige opzegging wordt ook wel de onregelmatigheidsvergoeding genoemd. [14]
Voor werknemers van 50 jaar en ouder geldt tot 2020 een hogere vergoedingsregeling. De transitievergoeding voor 50-plussers met een dienstverband van meer dan tien jaar wordt tot 2020 gesteld op één maand per dienstjaar boven de 50, waarbij een uitzondering geldt voor bedrijven met minder dan 25 werknemers. Dit past binnen de van-werk-naar-werk benadering en sluit aan bij het streven de positie van ouderen te verbeteren conform de aanpak van de Beleidsagenda 2020 van de Stichting van de Arbeid.”
Voor werknemers die bij ontslag 50 jaar of ouder zijn, geldt vanwege hun vooralsnog slechtere arbeidsmarktpositie tot 1 januari 2020 een hogere berekeningsmaatstaf over de jaren dat zij na hun vijftigste bij een werkgever in dienst zijn, onder voorwaarde dat zij ten minste 10 jaar in dienst zijn geweest bij die werkgever. Deze berekeningsmaatstaf bedraagt een maandsalaris per dienstjaar. De referte-eis van 10 jaar brengt tot uitdrukking dat van de werkgever alleen een hogere vergoeding wordt verlangd als een oudere werknemer langere tijd bij hem werkzaam is geweest. In dat geval heeft al gedurende langere tijd geen transitie van werk-naar-werk buiten deze werkgever plaatsgevonden. Dit kan het vinden van een andere baan bemoeilijken. Door het toepassen van een hogere berekeningsmaatstaf voor deze groep werknemers, wordt het gevolg van de minder gunstige arbeidsmarktpositie van deze groep werknemers in de huidige economische situatie niet enkel door de werknemer gedragen. Met het toepassen van de hogere berekeningsmaatstaf draagt de werkgever bij aan de bevordering van werk-naar-werk van de werknemer die jarenlang bij hem werkzaam is geweest en nu genoodzaakt wordt elders te werken.”
Artikel 7:673a BW behelst een tijdelijke uitzondering (tot 1 januari 2020) op de hoogte van de verschuldigde transitievergoeding ten gunste van werknemers die bij het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst 50 jaar of ouder zijn. Alleen indien de duur van hun arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:673 BW Pro meer dan tien jaar bedraagt, geldt dat over elke periode van zes maanden waarin een werknemer nadat hij 50 was in dienst was bij de werkgever, deze laatste de helft van het laatstverdiende loon per maand verschuldigd is. Deze maatregel is ingegeven door de minder gunstige arbeidsmarktpositie van deze groep. (…)”
(…) Wij wijzen er daarbij op dat een onregelmatige opzegging geen grond vormt voor een actie uit hoofde van art. 7:681 (nieuw) BW of 7:682 (nieuw) BW. Dit zou voor werkgevers aanleiding kunnen zijn in dergelijke situaties onregelmatig op te zeggen, om op die manier een vordering in kort geding te blokkeren. De enige sanctie voor een onregelmatige opzegging is namelijk de verplichte schadeloosstelling, waarbij in het wetsvoorstel geen keuze meer bestaat tussen de volledige of de gefixeerde schadeloosstelling. Op grond van art. 7:672 lid Pro 9 (nieuw) BW is alleen de gefixeerde schadeloosstelling verschuldigd. (…)”
Als een werkgever in een concreet geval onregelmatige opzegging overweegt, is het belangrijk de afweging te maken tussen enerzijds de (financiële) voordelen en anderzijds het wegvallen van de arbeid die de werknemer gedurende de
soms een slimme kaart te spelen door de werkgever” is. [41]
bewustonregelmatig opzegt, om op die manier de rechten van de werknemer op de wettelijke transitievergoeding te frustreren – hetzij doordat de werknemer daar in het geheel geen recht op heeft doordat de tot voor kort geldende 24-maanden grens niet werd gehaald, hetzij doordat sprake is van een (veel) lagere vergoeding – kan sprake zijn van misbruik. Met de onregelmatige opzegging wordt dan immers beoogd om te ontkomen aan de werking van dwingendrechtelijke wetsbepalingen die de werknemer recht geven op een vergoeding bij ontslag.
Campina-arrest. Daarin overwoog de Hoge Raad dat als sprake is van
een constructie die zich naar haar aard ertoe leent om te ontkomen aan de werking van de dwingendrechtelijke wetsbepalingen die beogen de werknemer bescherming tegen hem verleend ontslag te bieden, de rechter, vrij vertaald, daar doorheen moet kijken
. [45] In lijn hiermee kan worden aangenomen dat als de werkgever de arbeidsovereenkomst op onregelmatige wijze opzegt, met als enige doel om de rechten van de werknemer te frustreren, de rechter aan die onregelmatige opzegging in zoverre zijn gevolgen moet onthouden.
Van Hooff Elektra-beschikking, waarin de Hoge Raad de mogelijkheid aanvaardde van een beroep op misbruik van bevoegdheid bij het onregelmatig opzeggen van een arbeidsovereenkomst. In dat geval had de onregelmatige opzegging door de werkgever ten doel om een ontbindingsverzoek van de werknemer te frustreren. [46]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
3.21 (…) Nu (i) aangenomen moet worden dat Nayak voorafgaand aan de opzegging op de hoogte was van de juiste opzegtermijn en (ii) zij wist dat zij ingevolge artikel 7:673a BW een aanzienlijk hogere transitievergoeding aan [Werknemer] verschuldigd zou zijn indien zij bij de opzegging de juiste opzegtermijn in acht zou nemen, acht het hof het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Nayak zich thans ter afwering van het verzoek erop beroept dat – zoals de kantonrechter heeft overwogen – de gefixeerde schadevergoeding van artikel 7:672 lid 10 BW Pro de enige door de wetgever toegelaten sanctie is op het niet in acht nemen van de te gelden opzegtermijn en dat voor het toekennen van een hogere transitievergoeding op grond van de onregelmatige opzegging geen wettelijke grondslag bestaat. Voor zover Nayak van haar kant het verweer heeft gevoerd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als [Werknemer] een hogere vergoeding zou krijgen, vindt dat verweer zijn weerlegging in het bovenstaande. Ook in zoverre slaagt het beroep van [Werknemer].”
subonderdeel agetuigt de beslissing van het hof van een onjuiste rechtsopvatting over het bepaalde in art. 6:2 lid 2 BW Pro (en in art. 6:248 lid 2 BW Pro), omdat het hof onvoldoende in het oog heeft gehouden (a) dat de rechter bij de beoordeling van de vraag of de toepassing van een wettelijke regel in een bepaald geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, terughoudendheid moet betrachten, en (b) dat dit eens te meer geldt indien het gaat om een wettelijke regel van dwingend recht.
KSVO-beschikking, [47] waarin de Hoge Raad dit uitgangspunt voorop stelde. Daaraan werd toegevoegd dat als in een wettelijke regel al een afweging van belangen door de wetgever besloten ligt, een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ten aanzien van die belangen alleen in uitzonderlijke gevallen zal kunnen slagen. [48]
en
aanzienlijkhogere transitievergoeding aan Werknemer verschuldigd zou zijn indien zij bij de opzegging de juiste opzegtermijn in acht zou nemen (rov. 3.21).
drievoudigezou hebben belopen dan de transitievergoeding bij de onregelmatige opzegging waarvoor Nayak heeft gekozen (€ 23.772,93 bruto). Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof dit
aanzienlijkeverschil, Nayaks wetenschap daarvan én de omstandigheid dat het door Nayak aanzienlijk te behalen financiële voordeel dat zij zou behalen met een onregelmatige opzegging het
enigemotief is geweest voor de onregelmatige opzegging, tot het oordeel gebracht dat het beroep van Nayak op de exclusiviteit van de onregelmatigheidsvergoeding in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
evenwichtige en gestandaardiseerde bouwwerk van de wetgever – dat beoogt een evenwicht te bieden tussen belangen van de werknemer en de werkgever’ (verzoekschrift tot cassatie p. 25, onder xxii). Volgens mij is het precies andersom: als zou worden aanvaard dat een werkgever op grond van een kosten-batenanalyse bewust kan koersen op een onregelmatige opzegging, waardoor de werknemer een (aanzienlijk) deel van zijn wettelijke transitievergoeding misloopt, wordt het uitgebalanceerde en gestandaardiseerde bouwwerk van Wwz-vergoedingen, waarin beoogd is een balans te vinden tussen de belangen van de werknemer en die van de werkgever, op onaanvaardbare wijze verstoord. Ik verwijs naar mijn opmerkingen onder 3.41.
a fortioriniet worden gezegd dat in de regel voor dergelijke situaties een afweging van belangen besloten zou liggen.
alleomstandigheden van het geval. Indien het hof dit niet heeft miskend, dan is zijn beslissing onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, nu het hof bij die beslissing geen kenbare aandacht heeft besteed aan de in dat verband door Nayak naar voren gebrachte argumenten, althans daarop niet begrijpelijk heeft gerespondeerd, aldus het subonderdeel. In dat verband noemt Nayak de argumenten (i) dat het slecht ging met Nayak in financiële zin en dat zij daarom een urgent belang had om niet meer te betalen dan waartoe zij wettelijk verplicht was, en (ii) het handelen van Werknemer sinds medio 2016. Bij dat laatste gaat het om de stelling dat door toedoen van de ondernemingsraad, waarvan Werknemer lid was, vertraging is opgetreden in het adviestraject en dat de eerste ontslagaanvraag door het UWV ten onrechte is afgewezen, omdat Werknemer in die procedure een evident onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven.
dievraag overweegt (ad i) dat er te weinig inzicht bestaat in de huidige financiële positie van Nayak, geldt datzelfde uiteraard ook wanneer het gaat om de vraag of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Werknemer de hogere transitievergoeding misloopt, doordat Nayak bewust onregelmatig heeft opgezegd. Met andere woorden, die stelling kon het hof niet tot een ander oordeel over de onaanvaardbaarheid leiden.
voorafgaandaan de opzegging aan Nayak heeft verzonden. Uit de bijgevoegde brief van 30 augustus 2017 blijkt onmiskenbaar dat Nayak door de gemachtigde van Werknemer expliciet is gewezen op én de opzegtermijn van zes maanden én de wettelijke transitievergoeding van € 73.463,-- waarop Werknemer aanspraak heeft. [51]
5.9 Ter zitting heeft [Werknemer] zich eveneens op het standpunt gesteld dat hij recht heeft op de transitievergoeding ex artikel 7:673a BW, omdat Nayak de arbeidsovereenkomst bewust onregelmatig heeft opgezegd. Indien Nayak de te gelden opzegtermijn in acht had genomen, was de arbeidsovereenkomst immers geëindigd op 31 december 2017 en zou [Werknemer] tien jaar in dienst zijn geweest en dus recht hebben op de transitievergoeding ex artikel 7:673a BW. Nayak was er volgens [Werknemer] van op de hoogte dat, indien zij deze opzegtermijn in acht zou nemen, zij de transitievergoeding voor oudere werknemers verschuldigd zou zijn. Volgens [Werknemer] heeft Nayak derhalve steeds bewust getracht om de einddatum van de arbeidsovereenkomst niet op of na 31 december 2017 te zetten. Het verschil tussen de door Nayak berekende transitievergoeding en de transitievergoeding waar [Werknemer] op grond van artikel 7:673a BW recht op zou hebben is € 50.000,00 bruto. Volgens [Werknemer] heeft Nayak aldus handelend misbruik gemaakt van recht. Nayak betwist dat.”
voornamelijk richt op de vraag of Nayak haar bevoegdheid heeft misbruikt (…), in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad (…)’. [55] Het is in dát kader dat in het beroepschrift onder 32 een opsomming wordt gegeven van omstandigheden waaruit deze onevenredigheid blijkt.