Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de fase tussen de bij verstek gewezen uitspraak in hoger beroep (5 juni 2003) en het tijdstip waarop deze uitspraak ter kennis van de betrokkene is gebracht (27 maart 2018), is overschreden. Het
tweede middelhoudt de klacht in dat artikel 51 (oud) Sv is geschonden doordat is verzuimd een afschrift van de ‘oproeping van veroordeelde in hoger beroep’ te verzenden aan de raadsman van de betrokkene, althans het hof ten onrechte nagelaten heeft te onderzoeken of dit artikel is nageleefd. Het
derde middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat het wederrechtelijk verkregen voordeel ad € 1.504,74 geheel aan de betrokkene moet worden toegerekend en hij voor dit gehele bedrag ook een betalingsverplichting heeft opgelegd gekregen onbegrijpelijk althans ontoereikend is gemotiveerd omdat de betrokkene de diefstal waarmee dit voordeel is behaald ‘tezamen en in vereniging’ met een ander heeft gepleegd, althans uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat bij de inbraak ook nog een andere persoon betrokken was.
NJ2001/552. In de hoofdzaak was het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging in verband met overschrijding van de redelijke termijn. De ontnemingsvordering werd op die grond afgewezen. Het openbaar ministerie stelde in beide zaken beroep in cassatie in. Daarbij deed zich de volgende complicatie voor. De afwijzing van de ontnemingsvordering was in het licht van de uitspraak in de hoofdzaak onontkoombaar. Daarbij had het hof de juiste maatstaf gehanteerd. Maar als het openbaar ministerie geen cassatiemiddel tegen deze uitspraak zou richten, zou dat ertoe leiden dat de oplegging van een ontnemingsmaatregel niet aan de orde was. Dat zou ook het geval zijn indien de Hoge Raad vervolgens zou oordelen dat het openbaar ministerie in de strafzaak op onjuiste of ontoereikende gronden niet-ontvankelijk was verklaard. De Hoge Raad koos een pragmatische weg voor de oplossing van dit probleem en oordeelde dat het middel in de ontnemingsprocedure klaarblijkelijk was voorgesteld onder de voorwaarde dat de Hoge Raad het arrest van het hof in de hoofdzaak op het daartegen ingestelde beroep in cassatie zou vernietigen. In deze zaak betrok de Hoge Raad bij de behandeling van de ontnemingszaak dus de uitkomst van de cassatieprocedure in de hoofdzaak. In HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1947,
NJ2019/8 koos de Hoge Raad eenzelfde benadering nadat het hof de verdachte in de hoofdzaak had ontslagen van alle rechtsvervolging. [6] De Hoge Raad overwoog dat de behandeling van het middel van het openbaar ministerie afwijkt van de wijze waarop een dergelijk middel van een betrokkene wordt beoordeeld. Daarbij wees de Hoge Raad erop dat een ontnemingsbeslissing tegen een betrokkene pas kan worden ten uitvoer gelegd als de veroordeling in de strafzaak onherroepelijk is geworden, terwijl een ontnemingsbeslissing van rechtswege vervalt als de uitspraak als gevolg waarvan een veroordeling achterwege blijft in kracht van gewijsde gaat. De wet voorziet niet in min of meer spiegelbeeldige voorzieningen voor het openbaar ministerie.
NJ2013/241, rov. 2.6.2 bedoelde, in een dergelijk geval vereiste toelichting. Dat betekent dat de betrokkene op de voet van art. 80a RO in het door hem ingestelde beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard en dat de middelen verder geen bespreking behoeven.