ECLI:NL:HR:1998:ZD1016

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 1998
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
106.887P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Hermans
  • raadsheer Bleichrodt
  • raadsheer Corstens
  • raadsheer Aaftink
  • raadsheer Orie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511i SvArt. 557 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling gevolgen vernietiging strafzaak voor beslissing ontnemingszaak

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam een beslissing van de Arrondissementsrechtbank Utrecht vernietigd en de betrokkene verplicht tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak, maar stelde geen middelen van cassatie voor.

De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft ambtshalve de bestreden uitspraak beoordeeld en geoordeeld dat er geen grond is om het arrest ambtshalve te vernietigen. De Hoge Raad benadrukte dat de betalingsverplichting mede is opgelegd ter ontneming van voordeel dat betrokkene in de hoofdzaak onder 9 bewezenverklaard heeft verkregen, maar dat de vernietiging van het arrest in de hoofdzaak geen gevolgen heeft voor de ontnemingsvordering.

De Hoge Raad verwees naar artikel 557, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat bepaalt dat een uitspraak op een vordering tot ontneming pas tenuitvoer kan worden gelegd nadat de veroordeling in de hoofdzaak in kracht van gewijsde is gegaan. Tevens geldt op grond van artikel 511i Sv dat de ontnemingsuitspraak van rechtswege vervalt indien de veroordeling in de hoofdzaak achterwege blijft. De Hoge Raad concludeerde dat de bestreden uitspraak rechtmatig is en verwierp het cassatieberoep.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de ontnemingsuitspraak van het Hof.

Uitspraak

14 april 1998
Strafkamer
nr. 106.887 P
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 oktober 1996 op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 23 juni 1995 - de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van vijfduizend gulden, subsidiair vijftig dagen hechtenis.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door [betrokkene].
Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.1. De Hoge Raad oordeelt geen grond aanwezig waarop het bestreden arrest ambtshalve zou behoren te worden vernietigd. Derhalve moet het cassatieberoep worden verworpen.
4.2. De omstandigheid dat de aan [betrokkene] opgelegde verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat mede is opgelegd ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat hij ter zake van het in de hoofdzaak onder 9 bewezenverklaarde heeft verkregen en dat de Hoge Raad bij arrest van heden (griffienummer 106.758) het in die hoofdzaak gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam onder meer voor wat betreft de beslissingen ten aanzien van het bij inleidende dagvaarding aan [betrokkene] onder 9 tenlastegelegde heeft vernietigd doet aan hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen niet af. Ingevolge het vierde lid van art. 557 Sv Pro kan een uitspraak op een vordering van het openbaar ministerie, als bedoeld in art. 36e Sr, immers eerst worden tenuitvoergelegd nadat en voorzover de veroordeling, als bedoeld in art. 36e, eerste lid, Sr, in kracht van gewijsde is gegaan, terwijl ingevolge art. 511i Sv een uitspraak op een vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in art. 36e Sr van rechtswege vervalt doordat en voorzover de uitspraak als gevolg waarvan de veroordeling van de verdachte, als bedoeld in art. 36e, eerste lid, Sr, achterwege blijft, in kracht van gewijsde gaat.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Bleichrodt, Corstens, Aaftink en Orie in bijzijn van de griffier Bogaert, en uitgesproken op 14 april 1998.