Conclusie
Nummer 17/05574
Verjaring?
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverweging
(BFK: $ 1.041.666,64)voor de periode november 2000 tot eind februari 2001, omdat wij in gebreke zijn gebleven om de overeengekomen en contractuele en zakelijke voorwaarden die voortvloeien uit het contract met het kenmerk [003] na te komen. Tegelijk staan wij vanaf maart 2001 tot december 2001 met $ 260.416,67 per maand borg." Deze brief, gedateerd 9 maart 2001, met borgstelling is ondertekenend door de verdachten [verdachte] , [betrokkene 1] en [betrokkene 4] en is mede ondertekend door [betrokkene 6] , op dat moment de eigenaar van [H] . De borgstelling is gelegaliseerd door notaris mr. T.A.M. Weijermans te Elst (Gld.).
(BFK: fl. 50.000)gedupeerd.
(BFK: het hof)wisten dat deze rendementen in alle redelijkheid niet zouden kunnen worden behaald. Van de voorgestelde historische rentepercentages was geen sprake, nu [B] pas in het jaar 2000 is opgericht. Evenmin is aannemelijk geworden dat [C] dergelijke historische rendementen heeft behaald. Verdachten hebben inleggers onder andere laten denken dat er werd samengewerkt met gerenommeerde bedrijven. Ook hebben zij in overeenkomsten vermeld dat het geld niet van criminele oorsprong mocht zijn en hebben zij gebruik gemaakt van notarissen.
sole and decisivezijn aan te merken, zodat er voor uitsluiting van hun verklaringen geen reden is.’
Het derde middel
derdemiddel behelst een bewijsklacht in verband met feit 2 en ziet, zo begrijp ik, op de bewezenverklaarde oplichtingsmiddelen.
iemand- dus: een individu - door een oplichtingsmiddel tot iets moet zijn
bewogen.Een en ander brengt mee dat op grond van een algemene tenlastelegging, zoals die in de onderhavige zaak voorligt, niet snel tot een bewezenverklaring van de oplichting van
allebeleggers zal kunnen worden gekomen. Dit kan slechts anders zijn wanneer van één of meer in de tenlastelegging opgenomen oplichtingsmiddelen zonder aarzeling kan worden aangenomen dat:
de kern van de overeenkomsten omvatten.
[betrokkene 30] [destijds commercieel manager bij Avero , NvS ] heeft mij medegedeeld dat dit soort beleggingsconstructies met hoge rendementen bestonden en dus niet onmogelijk waren."'
geenoplichtingsmiddelen zijn. Deze vaststelling heeft tot gevolg dat in ieder geval niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen ten aanzien van de beleggers die niet als getuige zijn gehoord; dat is voor 17 van de 29 benadeelden het geval. Van hen is immers niets méér bekend dan dat zij door de kern van de overeenkomst zijn ‘bewogen’, hetgeen evenwel dus geen oplichting oplevert.’
Het tweede middel
tweedemiddel ziet eveneens op de bewezenverklaring van feit 2. De bewijsconstructie van het hof zou volgens de steller onvoldoende inzichtelijk maken wat de afzonderlijke beleggers heeft bewogen tot de inleg van hun geld. De steller van het middel wijst ook in dit verband op ’s hofs bewijsoverweging, inhoudend dat het op grond van de bewijsmiddelen ‘niet anders kan (zijn dan) dat alle inleggers kennis hebben genomen van de in de bewezenverklaring opgenomen oplichtingsmiddelen – in het bijzonder het voorgespiegelde (en historisch) rendement en de voorgespiegelde zekerheden – en dat het niet anders kan dan dat zij zich daardoor ook allen hebben laten leiden aangezien zij de kern van de overeenkomsten omvatten’ en ‘dat dit kan worden vastgesteld ook zonder dat alle afzonderlijke beleggers daarover zijn gehoord’. Door de verdediging zou uitvoerig onderbouwd zijn bepleit dat en waarom in casu bij de beleggers geen sprake was van een gelijksoortige causaliteit.
"dalen van de maandlasten”en de (niet nader geduide)
“verhalen van [betrokkene 16] [ [betrokkene 16] - NvS ]”.
€ 290.000 (…)oftewel
€ 10.000(…)per slachtoffer’. In de bewezenverklaarde periode maakte art. 36f Sr oplegging van de schadevergoedingsmaatregel slechts mogelijk bij een rechterlijke uitspraak ‘waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld’ (lid 1), ‘indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht’ (lid 2). [8] Van schade die door het strafbare feit is toegebracht is geen sprake als het slachtoffer niet onder de personen valt die door de bewezenverklaring worden omvat. [9] De oplegging van de schadevergoedingsmaatregel is door het hof blijkens de motivering daarvan in het bijzonder gerelateerd aan de ‘onder feit 2 bewezen verklaarde oplichting door verdachte’.
NJ2017/158 m.nt. Keijzer onder
NJ2017/162 bijvoorbeeld overwoog Uw Raad (met weglating van voetnoten):
Voorts neemt de Hoge Raad in dit verband in aanmerking dat het Hof met betrekking tot 57 in zijn arrest genoemde personen, onder wie 49 andere personen dan de personen die in de bewezenverklaring zijn genoemd, heeft geoordeeld dat “uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat voornoemde benadeelde partijen als gevolg van het (...) bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade hebben geleden en dat deze schade aan verdachte kan worden toegerekend”, op grond waarvan het Hof hun vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partijen geleden schade heeft toegewezen. Tot de gedingstukken behoren ten aanzien van al deze benadeelde partijen hun opgaven van de inhoud van hun vordering en van de gronden waarop deze berusten, vervat in de formulieren als bedoeld in art. 51g, eerste lid, Sv, alsmede in daaraan gehechte bijlagen, waaronder in een aantal gevallen het door de desbetreffende benadeelde partij ontvangen, door het Hof als bewijsmiddel 12 aan zijn beslissing ten grondslag gelegde prospectus. In dat verband geldt voorts dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat een formulier voor voeging als bedoeld in art. 51g, eerste lid, Sv - indien het voldoet aan de bewijsvoorschriften - voor het bewijs wordt gebruikt (vgl. HR 22 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:91).
Tegen deze achtergrond geeft het oordeel van het Hof dat niet uitsluitend de in de bewezenverklaring met name genoemde personen maar ook andere personen mede door de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte en zijn medeverdachte werden bewogen tot de afgifte van geldbedragen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Ook in zoverre faalt het middel.’
NJ2004/681 m.nt. Reijntjes. Het dertiende middel in die zaak klaagde dat de bewezenverklaring in zoverre zij behelsde dat een groot aantal personen, zoals vermeld op de aan de dagvaarding gehechte lijsten 1 en 2, waren ‘bewogen tot’ afgifte van het aldaar vermelde bedrag, onvoldoende door bewijsmiddelen werd geschraagd. Uw Raad stelde vast dat uit de bewijsmiddelen kon volgen dat vier betrokkenen ‘door onder meer de inhoud van de genoemde brochures en bescheiden zijn bewogen tot hun investeringen’. En dat het hof uit de bewijsmiddelen kennelijk heeft afgeleid ‘dat ook de overige, met naam, nummer van de houtopstand en geïnvesteerd bedrag vermelde personen op overeenkomstige wijze tot het aangaan van de contracten en hun beleggingen zijn bewogen’ (rov. 7.4). De bewijsklacht inzake het ‘bewegen tot’ werd derhalve verworpen mede in het licht van een bewijsmiddel dat duidelijkheid verschafte over de betreffende personen en de door hen geïnvesteerde geldbedragen. Mij komt het voor dat de ondergrens van hetgeen in zaken als de onderhavige als bewijsconstructie aanvaard kan worden daarmee in zicht is. Ik merk daarbij meer in het algemeen op dat Uw Raad er ook in ander verband voor waakt dat tenlastelegging van grote aantallen feiten tot uitholling van processuele waarborgen leidt. [18] In het licht van het voorgaande slaagt het middel in zoverre het erover klaagt dat de bewezenverklaring van feit 2 ontoereikend gemotiveerd is nu de bewijsconstructie van het hof niet voldoende inzichtelijk maakt wat de afzonderlijke beleggers heeft bewogen tot de inleg van hun geld.
NJ2016/430 m.nt. Van Kempen, rov. 2.5.3. Uw Raad gaat daar in op de mogelijkheid, cassatie achterwege te laten op grond van het oordeel ‘dat een hernieuwde behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden, zodat de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij zijn klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering.’ Daarbij overweegt Uw Raad dat bij dit onderwerp ‘bijzondere voorzichtigheid is geboden’ nu ‘het aan de rechter die over de feiten oordeelt, is voorbehouden om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt’. Tegen die achtergrond komt bijzondere betekenis toe aan de omstandigheid dat het hof een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd die op elk van de benadeelde partijen ziet. Het oordeel over de betrouwbaarheid is daarmee gegeven.
Het eerste middel
eerstemiddel betreft ’s hofs afwijzende beslissing op het verzoek tot het als getuige horen van 29 beleggers. Die beslissing zou onjuist althans niet zonder meer begrijpelijk zijn.
Ten aanzien van het horen van de aangevers / benadeelde partijen
“onder andere”de doorslag om geld in te leggen.
NJ2014/441 m.nt. Borgers heeft Uw Raad overwogen ‘dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren’ (rov. 2.5). En Uw Raad is voorts van oordeel dat de regeling veronderstelt ‘dat het verzoek door de verdediging naar behoren wordt gemotiveerd’ (rov. 2.6):
anderebenadeelde partijen niet duidelijk is wat hen heeft bewogen om de inleggelden af te geven. Aldus was het getuigenverzoek in zoverre niet op de reeds gehoorde beleggers toegespitst. Uit de ter terechtzitting van 8 november 2017 overgelegde pleitnota (weergegeven bij de bespreking van het derde middel) kan voorts worden afgeleid dat de raadsman zijn aanvankelijke standpunt dat niet duidelijk is wat de niet gehoorde beleggers heeft bewogen om de inleggelden af te geven niet heeft gehandhaafd. De raadsman heeft toen immers gesteld dat het ‘in wezen het aanbod van [B] (is) dat door de beleggers is aanvaard’, dat als ‘vaststaand kan (…) worden aangenomen dat alle beleggers hiermee bekend waren en (mede) daardoor ook zijn bewogen tot het aangaan van die overeenkomsten’ en dat ‘de gedragingen die de kern van de overeenkomst vormden (…) voor alle beleggers bekend waren en leidend zijn geweest’.
Het vierde middel
vierdemiddel bevat de klacht dat het hof is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het ‘criminele oogmerk’ in het onder 3 tenlastegelegde feit niet bewezen kan worden, zonder in het bijzonder de redenen op te hebben gegeven die tot afwijking van dat standpunt hebben geleid.
Vrijspraak omdat crimineel oogmerk ontbreekt
opzettelijkopvorderbare gelden van het publiek werden aangetrokken en daarin ook werd bemiddeld, welk handelen de kernonderdelen van de bedrijfsvoering van [A] (c.a.) vormde.
bestaanuit het plegen van misdrijven; die werkzaamheden moeten op het plegen van misdrijven
gerichtzijn geweest. Dat laatste is evenwel niet het geval.
NJ2006/393 m.nt. Buruma heeft Uw Raad over de motiveringsplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv onder meer het volgende overwogen:
Het vijfde middel
vijfdemiddel bevat de klacht dat de redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden.