Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
4 juli 2017.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld wegens oplichting van een verzekeraar door middel van een valse aangifte diefstal en een vervalste aankoopfactuur.
Het Hof had bewezen verklaard dat verdachte in de periode van 21 augustus tot en met 26 september 2011 de verzekeraar had bewogen tot uitkering van 999 euro door het indienen van een valse schadeclaim met betrekking tot een gestolen Apple MacBook. De bewijsmiddelen bestonden uit politieprocessen-verbaal, aangiften, expertiserapporten, getuigenverklaringen en factuuronderzoek.
De verdediging voerde aan dat sprake was van een misverstand over de aankoopbonnen en dat verdachte geen opzet had om de verzekeraar te misleiden. Het Hof verwierp dit en concludeerde dat verdachte met valse documenten de verzekeraar had bewogen tot uitkering.
De Hoge Raad oordeelde echter dat uit de bewijsmiddelen niet voldoende kan worden afgeleid dat de verzekeraar daadwerkelijk tot uitkering van 999 euro is bewogen. De bewezenverklaring ontbrak aan een wettelijke motivering voor dit causaal verband. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en wees de zaak terug voor hernieuwde behandeling in hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Amsterdam is vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens onvoldoende bewijs van daadwerkelijke afgifte van verzekeringsgeld.