Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het hof het namens de verdachte gevoerde verweer “dat de staande houdingen en controles – bij elkaar genomen – het karakter van stelselmatige observatie hadden zonder dat daar een bevel van de officier van justitie aan ten grondslag lag” heeft verworpen op gronden die deze verwering niet kunnen dragen.
observeren’en dus besluit onopvallend te volgen. Dit betreft een situatie kort na het uitgeven van de aandachtvestiging en bevestigd tevens de opdracht tot observeren en niet surveilleren.
min of meer compleet beeld te krijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene. De observaties moeten tot het voorbereidend onderzoek worden gerekend als (mede) door de observaties een verdenking ontstaat en verdergaande opsporingsbevoegdheden worden toegepast. Overschrijding van de grenzen waarbinnen zulke, niet krachtens een bevel o.g.v. art. 126g Sv uitgevoerde, observaties toelaatbaar zijn, moet in zo’n geval worden aangemerkt als vormverzuim in de zin van art. 359a Sv.
Ad d. stelselmatige observatie?
tweede middelklaagt over het onder 19 bewezenverklaarde feit. Meer in het bijzonder wordt geklaagd dat het opzet van de verdachte op de bewezenverklaarde medeplichtigheid niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.
Feit 19: zaak 2.44 - [c-straat 1] te Den Haag
“Gezien de voorafgaande bewezen verklaarde feiten zij(de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1], D.P.)
hebben geweten dat het ter beschikking stellen van inbrekerswerktuig aan Achabouni meebrengt dat dit gereedschap gebruikt wordt bij een inbraak”.Ik wijs daartoe bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, op hetgeen het hof inzake het onder 1 bewezenverklaarde feit overweegt (met weglating van voetnoten):
derde middelklaagt dat het hof bij de bewezenverklaring van het onder 1 bewezenverklaarde feit – deelneming aan een criminele organisatie – ten onrechte heeft betrokken de feiten waarvan het hof de verdachte heeft vrijgesproken, aangezien een criminele organisatie het oogmerk heeft het plegen van misdrijven en voor het deelnemen daaraan vereist is dat de bijdrage van de deelnemer erin moet bestaan een aandeel hebben in dan wel ondersteuning geven aan gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Deelneming als bedoeld in art. 140 Sr Pro veronderstelt daarom strafbare betrokkenheid. Bovendien houdt het oordeel van het hof schending van de onschuldpresumptie in, aldus het middel.
Feit 1: criminele organisatie
vierde middelklaagt dat het hof in de onderhavige zaak vervangende hechtenis heeft verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen, waardoor het bestreden arrest in zoverre niet in stand kan blijven. Het middel slaagt om de redenen die uiteen zijn gezet in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914. De Hoge Raad kan bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis ten aanzien van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen met toepassing van art. 6:4:20 Sv Pro gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.