Conclusie
advocaat: mr. S.F. Sagel
advocaat: mr. H.J.W. Alt
1.Feiten
(…) [verweerster] heeft – vanwege recente gebeurtenissen – besloten om uw dienstverband met onmiddellijke ingang (oftewel per heden, 27 augustus 2018) te beëindigen.
dat u uw re-integratieverplichtingen schendt door op 20 augustus 2018 niet aanwezig te zijn;
dat u ongeoorloofd afwezig bent door langer in Marokko te blijven dan werd toegestaan;
dat u geen ziekmelding op of omstreeks 16 augustus 2018 heeft gedaan;
dat u documenten heeft verstrekt aangaande uw vermeende ziekte, die geen bewijs of onderbouwing geven voor de langdurige afwezigheid;
dat u niet heeft kunnen aantonen wel voornemens te zijn geweest om vóór 20 augustus 2018 terug te reizen;
en dat u een foto heeft verstrekt met een vermeende bevestiging van een vlucht terug naar huis op 18 augustus 2018, terwijl uit controle blijkt dat deze vlucht niet bestaat.
2.Procesverloop
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
eersteonderdeel klaagt dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten of [verweerster] wel mocht weigeren om in te stemmen met het volledige vakantieverzoek van Werknemer. Volgens het
tweedeonderdeel is het oordeel van het hof dat het ontslag rechtsgeldig is, in belangrijke mate gebaseerd op gedragingen die initieel niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd. Het
derdeonderdeel klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op het betoog van Werknemer dat het hem gegeven ontslag op staande voet in strijd was met het beginsel van zuiverheid van oogmerk en dat in feite sprake is van ontslag wegens voorgewende redenen. Het
vierdeonderdeel stelt aan de orde op wie de bewijslast rust indien een werknemer zich op ziekte beroept als oorzaak voor het niet tijdig terugkeren van zijn vakantieadres. Het
vijfdeonderdeel bevat een voortbouwklacht.
3.9 (…) Allereerst stelt het hof vast dat Werknemer niet tijdig is teruggekeerd van vakantie. Tussen partijen staat vast dat Werknemer tot 20 augustus 2018 verlof mocht opnemen en dat hij dus vóór die dag uit Marokko had moeten terugkeren. Op 20 augustus 2018 was hij echter nog in Marokko. Hij is pas later teruggekeerd, nadat hij al op staande voet was ontslagen. Werknemer stelt dat zijn verlofaanvraag niet had mogen worden geweigerd, hetgeen [verweerster] betwist. Wat daar ook van zij, dit doet niet af aan het feit dat hij op 20 augustus 2018 op zijn thuisadres althans in de nabijheid daarvan had dienen te zijn. Aan Werknemer was immers verlof verleend tot en met 19 augustus 2018. Werknemer heeft verder aangevoerd dat er geen re-integratieactiviteiten waren gepland. Ook dat is niet relevant; hij had in elk geval beschikbaar moeten zijn voor overleg daarover.”
eerste rechtsklachtheeft het hof aldus miskend dat het bij de beoordeling of bepaald gedrag kwalificeert als een dringende reden, aankomt op een afweging van alle omstandigheden van het geval, waarbij in de eerste plaats acht moet worden geslagen op de aard en de ernst van de aan de werknemer verweten gedragingen. De stelling van Werknemer dat zijn verlofaanvraag niet had mogen worden geweigerd, heeft betrekking op een omstandigheid die in doorslaggevende of in elk geval in belangrijke mate kon afdoen aan de ernst van de handelwijze van Werknemer (de afwezigheid op zijn huisadres op 20 augustus 2018). Daarbij wordt opgemerkt dat bij de beoordeling van een ontslag op staande voet ook moet worden gekeken naar feiten, omstandigheden en gedragingen aan de kant van de
werkgeverin de aanloop naar het ontslag. Een onzorgvuldige of onjuiste handelwijze van de werkgever kan afdoen aan de aard en de ernst van de gewraakte gedraging van de werknemer en kan de verwijtbaarheid daarvan geheel of ten dele wegnemen, althans compenseren. Verwezen wordt naar de
Mondriaan-beschikking van de Hoge Raad. [6]
eerste motiveringsklachtgeformuleerd. Zou het hof niet zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, dan is zijn beslissing in elk geval onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft immers in dat geval bij zijn beoordeling of de afwezigheid van Werknemer op zijn huisadres als dringende reden kwalificeert, niet inhoudelijk gerespondeerd op de stelling van Werknemer dat geen sprake was van een dringende reden, omdat [verweerster] het verzoek van Werknemer om een aaneengesloten verlof van een kleine vier weken voor de zomer van 2018 niet had mogen weigeren. In dat geval had het Werknemer juist toegestaan moeten zijn om op 20 augustus 2018 niet op of in de nabijheid van zijn huisadres te zijn.
tweede rechtsklachtwordt opgeworpen voor het geval de beslissing van het hof in rov. 3.9, met name de woorden ‘
Wat daar ook van zij’, zó zou moeten worden begrepen dat het hof van mening is dat zelfs wanneer een werkgever op grond van een cao-bepaling of op grond van art. 7:638 BW Pro verplicht is om een verzoek om aaneengesloten verlof van de werknemer te honoreren en die werkgever dat verzoek ten onrechte weigert, de afwezigheid van de werknemer in de periode waarvoor ten onrechte geen toestemming voor verlof is gegeven, vervolgens toch een dringende reden oplevert, omdat de werkgever nu eenmaal (in strijd met de wet of een cao-bepaling) aan de werknemer heeft opgedragen dat hij in dat tijdvak niet langer op vakantie mag zijn en op zijn huisadres dient te verblijven.
Fooienbeding-arrest uit 1993: ‘
als de werkgever iets van de werknemer verlangt waarop hij rechtens geen aanspraak kan maken, levert de weigering van de werknemer geen dringende reden voor ontslag op.’ [7]
tweede motiveringsklacht, indien het hof geen blijk zou hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting op grond van de voornoemde subsidiaire variant van de rechtsklacht. In dat geval is de beslissing in rov. 3.9 onvoldoende gemotiveerd, nu niet is toegelicht welke bijzondere omstandigheden het hof ertoe hebben gebracht om in het geval waarin [verweerster] rechtens gehouden was om aan Werknemer over 20 augustus 2018 vakantieverlof te verlenen, haar opdracht aan Werknemer om op die datum desondanks geen vakantie op te nemen en aanwezig te zijn op zijn huisadres, althans in de nabijheid daarvan, als redelijke instructie is aan te merken, waaraan Werknemer op straffe van ontslag op staande voet had te voldoen.
1. De aaneengesloten vakantie wordt als regel genoten tussen 30 april en 1 oktober en omvat, tenzij het bedrijfsbelang zich daartegen verzet, 21 of meer kalenderdagen.
overeengekomendat hij tot 20 augustus 2018 verlof mocht opnemen en dat hij om die reden op 20 augustus 2018 op zijn huisadres of in de nabijheid daarvan diende te zijn. Het hof heeft immers niets vastgesteld over een dergelijke afspraak en de bewoordingen van rov. 3.9 wijzen daar ook niet op (‘
mocht opnemen’, ‘
had moeten terugkeren’, ‘
op zijn huisadres althans in de nabijheid daarvan had dienen te zijn’, ‘
was immers verlof verleend tot’). Overigens zou dat ook niet voor de hand liggen, gelet op de systematiek van de vakantiewetgeving (kort gezegd: werknemer verzoekt verlof, werkgever stelt vast). [14]
hoe dan ooksprake is van een dringende reden (dus ook als [verweerster] het verzoek om vier weken verlof niet had mogen weigeren en zich dus niet als een zorgvuldig werkgever heeft opgesteld), heeft het hof zijn uitspraak onvoldoende gemotiveerd. In dat geval is namelijk is namelijk niet duidelijk waarom de afwezigheid van Werknemer op zijn huisadres op 20 augustus 2018, ondanks het feit dat het aaneengesloten verlof hem niet had mogen worden geweigerd, toch zo ernstig is dat het een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert.
in onderling verband en samenhangin aanmerking moeten worden genomen. De overige klachten uit het onderdeel kunnen onbesproken blijven.
een en ander […] zwaar [heeft] meegewogen bij de beslissing van [verweerster] om Werknemer op 21 augustus 2018 op staande voet te ontslaan, zoals [verweerster] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep nader heeft toegelicht.’
rechtsklachtvan onderdeel 2 heeft het hof miskend dat de rechter zijn oordeel over de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet slechts mag baseren op de bij het ontslag opgegeven ontslaggrond(en). Het hof heeft zijn oordeel daarover echter in belangrijke mate (mede) gebaseerd op de reden dat Werknemer nadat hij het valse vliegticket aan [verweerster] had gezonden, [verweerster] niet zo spoedig mogelijk heeft verwittigd van het valse karakter daarvan en de oorzaken daarvoor. Die ontslaggrond is echter niet terug te vinden in de vaststelling van de opgegeven ontslaggronden in rov. 3.1.12. Klaarblijkelijk is dit verwijt door [verweerster] pas toegevoegd tijdens de mondelinge behandeling in pleidooi in appel.
motiveringsklachtvan onderdeel 2, heeft het hof zijn beslissing onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. In rov. 3.1.12 heeft het hof de door [verweerster] opgegeven ontslaggronden (uitputtend) opgesomd en daarin is met geen woord gerept over het feit dat [verweerster] Werknemer ook – en zelfs: in belangrijke mate – heeft ontslagen wegens zijn handelwijze na de toezending van de foto van het valse ticket. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet inzichtelijk hoe het hof heeft kunnen beslissen dat voor Werknemer bij het geven van het ontslag onmiddellijk duidelijk moest zijn dat hij ook om die reden werd ontslagen, en hoe het hof het aan Werknemer gegeven ontslag in rov. 3.10 tot en met 3.13 mede op die grond rechtsgeldig kon achten. Gesteld wordt verder dat het bij de aanvulling van de opgegeven ontslaggrond door het hof niet gaat om een ondergeschikt punt, maar om een aspect dat in belangrijke mate bijdraagt aan het oordeel van het hof dat sprake is van een dringende reden.
Autocentrum Zuid Nederlanduit 2016 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen (de cursivering in het origineel heb ik onderstreept weergegeven, A-G): [16]
3.5.2 In geval van opzegging van een arbeidsovereenkomst om een dringende reden dient die reden onverwijld aan de wederpartij te worden meegedeeld (art. 7:677 lid 1 BW Pro). De strekking hiervan is dat voor de wederpartij onmiddellijk duidelijk behoort te zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoopt tot het beëindigen van de dienstbetrekking. De wederpartij moet zich immers na de mededeling kunnen beraden ofzijde opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt (vgl. HR 23 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0939, NJ 1993/504; HR 26 april 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2052, NJ 1996/609; HR 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3126, NJ 2014/498). De werkgever die een werknemer aldus heeft ontslagen, dient in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, te stellen en zo nodig te bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden (vgl. HR 26 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9664; HR 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH0387; HR 7 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3126, NJ 2014/498).
onmiddellijk duidelijk’ is, is een strengere toets dan de (onjuiste) toets of de werknemer ‘
heeft kunnen en moeten begrijpen’ waarom hij ontslagen werd. [19] De strikte grens dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk is waarom hij op staande voet is ontslagen, valt te billijken. In de woorden van Van Zanten-Baris: ‘
hiermee [wordt] het bij ontslag op staande voet resterende stukje ontslagbescherming van de werknemer […] gewaarborgd’. [20]
Autocentrum Zuid Nederland-arrest).
3.9 Ten aanzien van de door [verweerster] gegeven ontslaggronden (zie rov. 3.1.12) overweegt het hof het volgende. (…)”
dat u uw re-integratieverplichtingen schendt door op 20 augustus 2018 niet aanwezig te zijn;
dat u ongeoorloofd afwezig bent door langer in Marokko te blijven dan werd toegestaan;
dat u geen ziekmelding op of omstreeks 16 augustus 2018 heeft gedaan;
dat u documenten heeft verstrekt aangaande uw vermeende ziekte, die geen bewijs of onderbouwing geven voor de langdurige afwezigheid;
dat u niet heeft kunnen aantonen wel voornemens te zijn geweest om vóór 20 augustus 2018 terug te reizen;
en dat u een foto heeft verstrekt met een vermeende bevestiging van een vlucht terug naar huis op 18 augustus 2018, terwijl uit controle blijkt dat deze vlucht niet bestaat.
zwaar heeft gewogenbij de beslissing van [verweerster] om Werknemer op staande voet te ontslaan. Hiermee slaagt de rechtsklacht. Zou dit anders zijn, dan heeft het hof geen inzicht gegeven in zijn (impliciete) oordeel dat het voor Werknemer bij het geven van het ontslag op staande voet onmiddellijk duidelijk zou zijn geweest dat ook dit verwijt ten grondslag aan zijn ontslag ligt. In dat geval slaagt de motiveringsklacht.
onderdeel 3wordt geklaagd dat Werknemer, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, bij herhaling een betoog heeft ontwikkeld langs de lijn dat het hem gegeven ontslag op staande voet in strijd was met het beginsel van zuiverheid van oogmerk en dat de aan het ontslag ten gronde gelegde redenen, in feite voorgewende redenen waren. Dat betoog kwam erop neer dat [verweerster] al geruime tijd van Werknemer ‘af wilde’ (in verband met zijn ziekte) en dat [verweerster] hoopte dat, door de verlofaanvraag van Werknemer slechts voor twee weken in te willigen (hoewel zij daarvoor materieel gezien geen enkele valide grond had), een ontslaggrond zou kunnen worden gecreëerd wanneer Werknemer zich vervolgens niet zou neerleggen bij de beslissing om hem in afwijking van zijn verzoek en van hetgeen gebruikelijk is binnen [verweerster] maar twee weken vakantie toe te kennen, en hij om die reden langer in Marokko zou blijven.
rechtsklachthoudt in dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, indien het meent dat het al dan niet voorgewende karakter van aangevoerde dringende redenen – en/of de vraag of de werkgever bij het geven van het ontslag heeft gehandeld in lijn met het beginsel van zuiverheid van oogmerk – geen rol kunnen spelen bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet.
motiveringsklachtvan onderdeel 3. Het hof is zonder enige motivering voorbijgegaan aan het betoog dat Werknemer op dit punt heeft ontwikkeld. Dat klemt te meer omdat de gegrondheid van dat betoog – en van de daarin besloten liggende verdenking – in niet onbelangrijke make steun vindt in feiten waarvan in cassatie (bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag) van de juistheid moet worden uitgegaan. Het hof had het betoog van Werknemer dan ook niet onbesproken mogen laten.
dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren’ en het spreekt voor zich dat bij die beoordeling ook gedragingen van de werkgever dienen te worden betrokken. Die redelijkheidstoets wordt (al dan niet impliciet) ingekleurd door de norm van het goed werkgeverschap uit art. 7:611 BW Pro. Aldus is zeker niet uitgesloten dat het betoog van Werknemer dat [verweerster] in strijd heeft gehandeld met het beginsel van zuiverheid van oogmerk – indien juist – tot een ander oordeel leidt.
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
Haviltex-criterium, moet worden vastgesteld wat Werknemer in redelijkheid uit die ontslagmededeling heeft mogen en moeten afleiden en begrijpen.
onder bde klacht dat het hof, indien de uitspraak zo moet worden begrepen als onder a weergegeven, tevens miskent dat de wél overgenomen gedachtestreepjes de conclusie vormen van wat in deel A reeds is gesteld en waaraan deel C niet afdoet en waarmee die gedachtestreepjes in onderlinge samenhang dienen te worden beschouwd.
deze weggelaten feiten en omstandigheden’ (waarmee naar ik aanneem gedoeld wordt op het vermelde in de delen A en C) wel als zodanig heeft vastgesteld in rov. 3.1.4 tot en met 3.1.10. Daarmee heeft het hof miskend dat bepalend is wat Werknemer als dringende reden heeft mogen begrijpen, mede in samenhang moet worden gelezen en begrepen met het in de brief omschreven feitelijke verloop voorafgaand aan dat ontslag op staande voet. De ongenummerde motiveringsklacht klaagt dat, zo het hof dit niet heeft miskend, het hof geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang op dit punt, althans een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven.
dat Werknemer niet is teruggekeerd in weerwil van daarover gemaakte afspraken, die bovendien een gegronde reden hadden, te weten re-integratie in het tweede spoor’). Die omstandigheden leiden dan blijkens de brief van 27 augustus 2018 tot de zes verwijten die in deel B met gedachtestreepjes zijn aangegeven (en die het hof in rov. 3.1.12 heeft opgenomen). Die verwijten én de omstandigheden sub i t/m vi leiden ertoe dat: [28]
Ten gevolge van het feit’ met gedachtestreepjes een opsomming geeft van de zes omstandigheden die ‘
zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang bezien’ (zie onderaan p. 2 van de brief) ertoe hebben geleid dat ‘
ons vertrouwen in u dusdanig ernstig beschadigd [is] dat voortzetting van het dienstverband niet van ons kan worden gevergd’. Daarmee is het geenszins onbegrijpelijk dat het hof (impliciet) heeft geoordeeld dat het Werknemer uit deze brief onmiddellijk duidelijk diende te zijn dat de zes omstandigheden (in onderlinge samenhang maar ook op zichzelf) [verweerster] hebben genoopt tot het beëindigen van de dienstbetrekking vanwege de uit die omstandigheden voortvloeiende dusdanig ernstige beschadiging van het vertrouwen van [verweerster] in Werknemer. Dat betekent dat ook de motiveringsklachten uit onderdeel 2.1 niet kunnen slagen.
onderdeel 2.2beoogt te bewerkstelligen dat, indien het tot een vernietiging en verwijzing komt, er een volledige herbeoordeling van de dringende reden plaatsvindt, en dat ‘
het verwijzingshof niet gehinderd wordt door het verbod op reformatio in peius, hetgeen immers niet geldt indien beide partijen zich met succes keren tegen dezelfde beslissing’ (p. 10, een na laatste alinea). [verweerster] blijft namelijk van mening dat, bijvoorbeeld, het sturen van een vals ticket om de indruk te wekken dat Werknemer van plan was om tijdig terug te keren, reeds voldoende is voor een geldige dringende reden voor ontslag op staande voet en reeds zodanig ernstig verwijtbaar is dat een transitievergoeding niet aan de orde is.