Conclusie
4.Het eerste middel
Standpunt verdediging
NJ2013/109 m.nt. Schalken, r.o. 2.4 slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing. Slechts in uitzonderlijke gevallen is plaats voor een niet‑ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, zoals het verbod van willekeur – ook wel aangeduid als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging – om de reden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Als een rechter op deze grond tot het oordeel komt dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin het openbaar ministerie om die reden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, gelden voor deze beslissing zware motiveringseisen. [1]
NJ2013/109 m.nt. Schalken, staat uiteraard niets eraan in de weg dat de rechter met de bijzondere omstandigheden van het geval rekening houdt bij de beantwoording van de in art. 350 Sv Pro bedoelde vragen, waaronder de vraag of – in geval geen toepassing wordt gegeven aan art. 9a Sr – de verdachte een straf of maatregel moet worden opgelegd en zo ja welke. [8] Het hof heeft de verstrekkende consequenties van een strafrechtelijke veroordeling voor de verdachte in zijn ambt als notaris meegewogen bij de strafoplegging en beslist dat aan de verdachte geen straf op maatregel wordt opgelegd. Om die reden faalt ook de klacht dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op het standpunt dat de verdachte ten gevolge van de strafrechtelijke veroordeling in eerste instantie genoodzaakt was zijn ambt op te geven, terwijl de wetgever een dergelijk “draconisch gevolg” niet voor ogen heeft gestaan. Het hof heeft immers rekening gehouden met die omstandigheden, maar heeft daar een ander dan het door de verdediging voorgestane gevolg aan verbonden.
NJ2011/394 m.nt. Buruma heeft de Hoge Raad de door hem gehanteerde maatstaf bij de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’ verduidelijkt. Hij acht die maatstaf in lijn met de Europese jurisprudentie. [11]
NJ2012/327 m.nt. Klip. De verdachte in die zaak werd vervolgd wegens een geweldsincident in de gevangenis tegen een medegedetineerde. Hij werd daarvoor disciplinair bestraft met plaatsing in een isoleercel. De Hoge Raad oordeelde dat geen sprake was van vervolging ter zake van hetzelfde feit, omdat met de door de directeur van de penitentiaire inrichting aan de verdachte opgelegde sanctie is gereageerd op het verwijt dat de verdachte betrokken was geraakt bij feiten die onverenigbaar zijn met de orde of veiligheid in de inrichting dan wel met de ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming. Dat verwijt verschilde ook in juridisch opzicht wezenlijk van het verwijt dat besloten lag in de tenlastelegging, te weten een poging tot moord dan wel doodslag, althans een poging zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
NJ1985/450 m.nt. ‘t Hart achtte de Hoge Raad de beginselen van behoorlijk procesrecht niet aan een strafrechtelijke vervolging in de weg staan, terwijl de RvT van de Orde van Advocaten reeds ter zake van hetzelfde feitencomplex had geoordeeld dat ‘de gang van zaken ongelukkig is geweest, maar dat niet is gebleken dat de verdachte daarvan een zodanig verwijt is te maken dat het opleggen van een straf gerechtvaardigd is’.
Artikel 50
A en B tegen Noorwegeneen aantal factoren opgesomd die van belang kan zijn bij de beantwoording van de vraag of er een ‘sufficiently close connection’ tussen de verschillende procedures is, zoals of er met de procedures verschillende doelstellingen worden nagestreefd, of voorzienbaar is dat er meerdere procedures kunnen gaan lopen, of de procedures zo zijn vormgegeven dat niet onnodig dubbel onderzoek wordt verricht en bewijs dubbel wordt beoordeeld en, tot slot, of rekening wordt gehouden met de eerder opgelegde sanctie(s) in latere procedures zodat het individu geen excessieve last hoeft te dragen. [22] Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelde in de zaak Menci dat de zwaarte van het geheel van de opgelegde sancties beperkt moet zijn tot het strikt noodzakelijke in verhouding tot de ernst van het delict. [23]
5.Het tweede middel
en
en
en
- een op 20 mei 2010 verrichte levering van de appartementsrechten betreffende de [d-straat 1] te [postcode] Rotterdam en de [d-straat 2] te [postcode] Rotterdam.”
‘I Notarissen’maar zijn ook de ‘algemene guidelines’ op hem als notaris van toepassing