Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
29 oktober 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft de vervolging van een verdachte wegens lokaalvredebreuk tijdens een vreedzame en ludieke demonstratie op een vakbeurs in Amsterdam RAI. De verdachte en medeverdachten weigerden een verzoek van de beveiliging om de stand te verlaten en werden daarop aangehouden en enige uren vastgehouden.
Het hof verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging vanwege de disproportionele aard van de vervolgingsbeslissing. Het hof vond dat de vrijheidsbeneming en vervolging niet in verhouding stonden tot de relatief geringe ernst van de vermoedelijke lokaalvredebreuk en dat het demonstratierecht in aanzienlijke mate was geschonden.
De Hoge Raad bevestigt dat het OM een ruime bevoegdheid heeft om te beslissen over vervolging, maar dat in uitzonderlijke gevallen, zoals hier, een niet-ontvankelijkverklaring mogelijk is bij aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing. Het hof heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom deze uitzonderlijke maatregel passend was.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor hernieuwde behandeling binnen het bestaande hoger beroep. De vrijheid van meningsuiting en demonstratievrijheid, zoals gewaarborgd in het EVRM, spelen een belangrijke rol in de beoordeling van de proportionaliteit van de vervolging.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering van niet-ontvankelijkheid OM.