AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verschoningsrecht bij beslag op elektronische gegevensdragers in strafrechtelijk onderzoek
In deze zaak werd beslag gelegd op een iMac en een iPhone van een directeur van een ambulancevervoerbedrijf, die verdacht werd van wederrechtelijke vrijheidsberoving en poging tot zware mishandeling. De directeur stelde dat zich op de apparaten medische informatie bevond die onder het afgeleid verschoningsrecht van artsen viel. De rechtbank oordeelde dat het afgeleid verschoningsrecht toekwam, maar dat de selectie van bestanden door geheimhouder-opsporingsambtenaren voldoende waarborgde dat de overgebleven bestanden geen geheimhouderinformatie bevatten.
De centrale vraag was of de procedure waarbij de bestanden werden geselecteerd en beoordeeld correct was, in het bijzonder of de verschoningsgerechtigden of de klager zelf bij het selectieproces betrokken hadden moeten worden. De Hoge Raad overwoog dat de procesgang die gevolgd moet worden bij een beroep op het verschoningsrecht inhoudt dat de verschoningsgerechtigde in de gelegenheid moet worden gesteld zich uit te laten over de bestanden, tenzij het beroep onvoldoende gespecificeerd is of het praktisch onmogelijk is de verschoningsgerechtigde te horen.
De Hoge Raad constateerde dat in deze zaak de selectie plaatsvond op basis van zoektermen en dat de advocaat van de klager inspraak had bij de samenstelling daarvan. Echter ontbrak een nadere motivering over welke zoektermen werden gebruikt en waarom het oordeel dat de selectie voldoende was, begrijpelijk was. De Hoge Raad oordeelde dat het oordeel van de rechtbank zonder nadere motivering niet begrijpelijk is en vernietigde de bestreden beschikking voor zover het klaagschrift ongegrond werd verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank voor zover het klaagschrift ongegrond is verklaard wegens onvoldoende motivering over de selectie van bestanden en betrokkenheid van verschoningsgerechtigden.
Voetnoten
1.De Rechtbank heeft het in haar beslissing over “het bezwaarschrift”, bedoeld zal zijn het klaagschrift.
4.Vergelijk de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld die voorafging aan HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205 (ECLI:NL:PHR:2017:564), waarin in punt 5.21 in verbinding met punt 5.14 in dergelijke gevallen een gelijkstelling van de verschoningsgerechtigde en de niet-verschoningsgerechtigde wordt bepleit. 5.Zie de beslissing van de rechter-commissaris in deze zaak van 14 augustus 2018.
6.Zie het zich bij de stukken bevindende “Tweede proces-verbaal bevindingen controle geheimhouderscommunicatie” van 1 maart 2019 waarop de rechtbank zich blijkens de bestreden beschikking baseerde. Als ik dat proces-verbaal goed begrijp waren de 2.083.117 bestanden uitsluitend afkomstig van de iMac. Onder het kopje “Onderzoek Apple iPhone X” merkt de verbalisant op: “In verband met het feit dat er geen back-up van de inbeslaggenomen Apple iPhone X werd aangetroffen is door mij geen verder onderzoek gedaan aan de inbeslaggenomen Apple iPhone X”. Ik meen te mogen begrijpen dat de Apple iPhone X vergrendeld was, zodat onderzoek naar de daarin opgeslagen bestanden alleen mogelijk was als op de iMac een back
7.Zie hetgeen daarover blijkens de daarvan opgemaakte processen-verbaal is aangevoerd tijdens de behandelingen in raadkamer van 16 juli 2018 (p. 3) en van 5 april 2019 (p. 3).
8.Zie de zich bij de gedingstukken bevindende beslissing van de rechter-commissaris van 14 augustus 2018.
9.Daartoe behoorden ook de bestanden die deel uitmaakten van twee aangetroffen back-ups van Apple iPhone telefoons.
10.Dat waren de bestanden die door de gebruikte forensische software (de “AccessData Forensic Toolkit oftewel FTK) waren gecategoriseerd als (1) “unallocated clusters” of als (2) “Documenten”.
11.Daarnaast werd door de opsporingsambtenaar de internethistorie “geïndexeerd” met het programma Magnet Forensics Internet Evidence Finder (IEF). Ik vermoed dat het hier gaat om een overzicht van de internetsites die met behulp van de iMac zijn bezocht. De verbalisant vermeldt dat de internethistorie door hem niet op de aanwezigheid van geheimhouderscommunicatie is gecontroleerd (hetgeen begrijpelijk is als het alleen om bezochte websites gaat). Of de internethistorie is opgeslagen op de kopie die ten behoeve van het opsporingsonderzoek is gemaakt, wordt uit het proces-verbaal niet duidelijk.
12.Zie het van de raadkamerbehandeling opgemaakte proces-verbaal, p. 3.
13.Idem, p. 3/4.
15.Van een “beslagene” kan niet worden gesproken als de persoon in kwestie voldoet aan een vordering tot verstrekking van gegevens. Uit HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3714 (waarin zoals zo dadelijk moge blijken de Hoge Raad geen onderscheid maakt tussen de uitlevering van stukken en de uitlevering van gegevens) en HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205 (een beschikking die betrekking had op de uitlevering van gegevens) kan evenwel worden afgeleid dat dit voor de te volgen procesgang niet uitmaakt. Hetzelfde geldt neem ik aan als het gaat om gegevens die op grond van art. 125i Sv bij een doorzoeking zijn vastgelegd. Vgl. HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1070, een beschikking die mede betrekking had op een tijdens de doorzoeking gefotografeerde brief. 17.Het probleem is een stuk kleiner als aangenomen zou kunnen worden dat de medisch directeur die bij de klager in dienst is, een eigen verschoningsrecht heeft. Vergelijk hiervoor, onder punt 3.1.
18.In beide gevallen ging het om beslag dat was gelegd ter uitvoering van een rechtshulpverzoek, maar dat levert mijns inziens geen reden op om de betekenis van deze jurisprudentie tot die gevallen te beperken.
19.Tegen deze interpretatie pleit overigens dat zij wat gewrongen is, omdat daarbij moet worden aangenomen dat met “het onderzoek” iets anders wordt bedoeld dan met “dat onderzoek”. In HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1450, waarin het ging om de vraag of aan een rechtshulpverzoek kon worden voldaan, heeft het aan een functionaris op te dragen onderzoek waarvan in die beschikking sprake is, onmiskenbaar betrekking op een selectie op voorhand. 20.Het voordeel van deze benadering is, behalve de ontlasting die het oplevert voor de rechter-commissaris, de flexibiliteit ervan. De selectie behoeft niet op voorhand te worden gemaakt, maar kan werkende weg geschieden. Denkbaar is bijvoorbeeld dat eerst wordt gezocht met een beperkt aantal zoektermen waarvan vrijwel zeker is dat door het gebruik daarvan het verschoningsrecht niet wordt geschonden. Van de resultaten van dat eerste onderzoek kan dan afhangen of verder moet worden gezocht en zo ja, welke zoektermen daarbij zullen worden gebruikt. Tot de afspraken kan behoren dat de rechter-commissaris, de verschoningsgerechtigde en de vertegenwoordiger van de beroepsgroep bij de daarover te nemen beslissingen worden betrokken.
21.Zie de beschikking van de rechter-commissaris van 14 augustus 2018 en de tussenbeslissing van de raadkamer met nummer 18/390 van 12 oktober 2018.
22.Opmerking verdient dat in rechtshulpzaken, waarin het uitgangspunt is dat aan het verzoek zoveel mogelijk het verlangde gevolg wordt gegeven, een andere maatstaf lijkt te moeten worden aangelegd. In HR 2 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1450 stelde de Hoge Raad dat de rechter het verzoek alleen niet mag inwilligen als hij “heeft vastgesteld dat het daadwerkelijk gaat om stukken die onder een verschoningsrecht vallen”. 23.Zie het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 5 april 2019, p. 3.