Conclusie
[eiser]) en verweersters in cassatie (hierna:
[verweersters]) zijn broer en zusters. Partijen zijn samen met nog twee andere broers (hierna ook:
de twee broers) gerechtigd tot de woning van hun overleden moeder. [verweersters] en de twee broers willen de woning verkopen aan een potentiële koper, maar [eiser] weigert daaraan mee te werken. Hij wenst de woning zelf te verwerven. In een door [verweersters] aangespannen kort geding veroordeelt de voorzieningenrechter [eiser] tot het verlenen van medewerking aan de verkoop en levering van de woning en bepaalt hij dat het kortgedingvonnis voor de medewerking en/of toestemming van [eiser] in de plaats kan komen. In het door [eiser] ingestelde hoger beroep legt het hof het dictum van het bestreden kortgedingvonnis aldus uit dat sprake is van een uitspraak als bedoeld in art. 3:300 lid 2 BW Pro en verklaart het [eiser] bij gebreke van tijdige inschrijving van het hoger beroep in het rechtsmiddelenregister niet-ontvankelijk (art. 3:301 lid 2 BW Pro jo. art. 433 Rv Pro). Tegen die beslissing richt zich het cassatieberoep van [eiser] .
1.Feiten en procesverloop
de woning).
ieder der verkopers heeft het recht om binnen 24 uur na het sluiten van de inschrijving of na ontvangst van een uiterst voorstel zelf eenmalig een uiterst voorstel te doen in een gesloten envelop bij de notaris, onder vermelding van condities, voorwaarden zoals financiering wel of niet en datum van overdracht. Na 24 uur zullen de enveloppen geopend worden. En zullen verkopers binnen 24 uur beslissen aan welke partij het object wordt gegund.”
In conventie
het dictum onder 5.1, A-G]. Deze beslissing is een letterlijke toewijzing van hetgeen [verweersters] heeft gevorderd. Anders dan in artikel 3:300 lid 2 BW Pro is in de tekst van de beslissing niet met zoveel woorden opgenomen dat het vonnis in de plaats treedt van de akte die [eiser] samen met [verweersters] en de andere deelgenoten moet opmaken. Er is sprake van medewerking/toestemming die kennelijk nodig is voor verkoop en levering van de woning.
Ook een vonnis in kort geding kan echter in de plaats treden van de medewerking van een partij aan een akte volgens het bepaalde in artikel 3:300 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). (...) Omdat dit vonnis bij gebreke aan medewerking van gedaagde daarvoor in de plaats treedt, is een dwangsom om tot uitvoering van dit vonnis te komen, niet noodzakelijk.” Nu de voorzieningenrechter expliciet overweegt dat dit vonnis bij gebreke van medewerking van gedaagde daarvoor (bedoeld is: voor de akte) in de plaats treedt, is het hof van oordeel dat het dictum van het bestreden vonnis zo moet worden uitgelegd en gelezen dat met de zinsnede dat het vonnis voor de medewerking en/of toestemming van gedaagde in de plaats komt bedoeld is dat het vonnis in de plaats treedt van een tot levering bestemde akte in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW Pro en de medewerking daaraan van gedaagde. Partijen hebben geen feiten of omstandigheden gesteld die voornoemd oordeel anders maken.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 2.1.1).
akte, maar een uitspraak die slechts in de plaats treedt van medewerking aan en/of toestemming tot noodzakelijk te verrichten
rechtshandelingen(ondertekening van een nog door de notaris op te stellen notariële akte). Het hof heeft de artikelen 3:300 lid 2 en 3:301 lid 2 BW ten onrechte toegepast op een geval waarvoor deze niet geschreven zijn (
onder 2.1.2).
onder 2.1.3).
explicietheeft bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van de leveringsakte. De reële executie waarin het onderhavige vonnis voorziet heeft echter slechts betrekking op vervangende toestemming voor het verlijden van die akte. Voor zover het hof dat niet heeft miskend, heeft het hof geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven (
onder 2.1.4).
op één lijnmoet worden gesteld met een (deel van een) leveringsakte, heeft het hof de beperkte strekking van art. 3:301 lid 2 BW Pro miskend, althans geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven (
onder 2.1.5).
allebij de transactie betrokkenen (de overige deelgenoten/verkopers (de twee broers) en de koper ( [betrokkene 1] )) in het geding als
eiserzijn betrokken. Voor zover het hof dat niet heeft miskend, heeft het hof geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven (
onder 2.1.6).
onder 2.1.7).
een deel van de akte. Volgens de toelichting maakt dit mogelijk dat voor wat betreft de verklaring van de eiser een akte wordt opgemaakt en dat de rechterlijke uitspraak in de plaats treedt van de
verklaring van de gedaagde. [13] Anders gezegd: de uitspraak vervangt de verklaring van de vervreemder dat hij levert. Voor de verklaring van de verkrijger zal een notariële akte moeten worden opgemaakt, waarna door inschrijving van de uitspraak en de laatstgenoemde akte levering plaatsvindt. Hier bestaat gelijkenis met de in lid 1 gegeven mogelijkheid. [14]
de medewerking en/of toestemming’ van [eiser] in de plaats komt. De voorzieningenrechter heeft dus – gebonden aan het niet bestreden petitum [24] – het dictum niet geformuleerd overeenkomstig één van de in art. 3:300 lid Pro leden 1 en 2 BW geboden modaliteiten van reële executie.
de medewerking van een partij aan een akte volgens het bepaalde in art. 3:300 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek’;
bij gebreke aan medewerking van gedaagde daarvoor in de plaats treedt’;
een tot levering bestemde akte in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW Pro en de medewerking daaraan van gedaagde’
,terwijl partijen geen feiten of omstandigheden hebben gesteld die tot een andere uitleg leiden.
een deel van de akte’ in de zin van art. 3:300 lid 2 BW Pro – waarvan volgens het hof kennelijk sprake is – moet worden begrepen als het in de plaats treden van de in die akte op te nemen (leverings)
verklaringvan de gedaagde [25] , of, anders gezegd, diens ‘medewerking en/of toestemming’.
onder 2.1.1). Het heeft deze bepaling niet toegepast op een geval waarvoor zij niet geschreven is (
onder 2.1.2). Het hof is immers door uitleg van het vonnis van de voorzieningenrechter tot het (begrijpelijke en toereikend gemotiveerde) oordeel gekomen dat sprake is van een uitspraak als bedoeld in art. 3:301 lid 1 BW Pro. Daarmee heeft het de uitspraak van de voorzieningenrechter niet op oneigenlijke wijze alsnog onder het bereik van de artikelen 3:300 lid 2 en 3:301 lid 2 BW gebracht, noch een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven (
onder 2.1.3), noch de uitspraak voor de toepassing van art. 3:301 lid 2 BW Pro op één lijn gesteld met een (deel van een) leveringsakte (
onder 2.1.5).
explicietheeft bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van de leveringsakte, vindt geen steun in het recht (
onder 2.1.4).
onder 2.1.6) dat art. 3:301 lid 2 BW Pro slechts van toepassing is indien
allebij de transactie betrokkenen (deelgenoten/verkopers en koper) in het geding als procespartij zijn betrokken. De bepaling stelt dit vereiste niet.
onder 2.1.7.
NJ2015/368 wordt betoogd dat de beperkte strekking van de artikelen 3:300 lid 2 en 3:301 lid 2 BW meebrengt dat appellant de gelegenheid moet worden geboden om een memorie van grieven te nemen teneinde zo nodig zijn eis te kunnen wijzigen.