Conclusie
1.Feiten
Steinweg), [betrokkene 1] , betrokken geraakt bij een verkeersongeval en daardoor arbeidsongeschikt geraakt.
HDI) is de verzekeraar van de partij die de schade heeft veroorzaakt.
2.Procesverloop
de rechtbank) en, na vermeerdering van eis, gevorderd om HDI te veroordelen om aan Steinweg te betalen de pensioenpremie die Steinweg gedurende het ziekteverzuim van [betrokkene 1] heeft afgedragen, bestaande uit:
het hof) in hoger beroep gekomen van dit vonnis en heeft daartegen drie grieven gericht. Alleen grief I, die ziet op de (afgewezen) vordering tot betaling van de afgedragen pensioenpremie, is relevant voor de onderhavige procedure. HDI heeft wederom verweer gevoerd en tevens incidenteel appel ingesteld, dat hier buiten beschouwing kan blijven.
3.Context en achtergronden
het UWV). Net als voorheen de bedrijfsverenigingen beschikt het UWV over een zelfstandig verhaalsrecht [3] teneinde verhaal te kunnen nemen op de persoon die aansprakelijk is voor de ziekte of arbeidsongeschiktheid van de werknemer. De overheid beschikt over een zelfstandig verhaalsrecht op grond van de Verhaalswet ongevallen ambtenaren (hierna:
VOA). [4]
eersteplaats is het verhaalsrecht beperkt tot
loondat tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid is doorbetaald. Dit volgt uit de zinsnede in art. 6:107a lid 2 BW: “
(…) recht op schadevergoeding ten bedrage van [het] door hem betaalde loon,” welk loon de werkgever op grond van art. 7:629, lid 1 BW of krachtens individuele dan wel collectieve arbeidsovereenkomst heeft doorbetaald. Hierna onder 6. werk ik uit wat het civielrechtelijke loon omvat.
tweedeplaats is het verhaalsrecht op de voet van art. 6:107a lid 2 BW beperkt tot het bedrag waarvoor de aansprakelijke persoon, bij het ontbreken van een doorbetalingsverplichting, aansprakelijk kan worden gehouden jegens de gekwetste werknemer (de ‘hypothetische schadevergoeding’). Deze begrenzing volgt uit het volgende tekstdeel van art. 6:107a lid 2 BW:
derdeplaats heeft de wetgever gekozen voor een netto-verhaalsrecht. Dat betekent dat de werkgever op de aansprakelijke persoon alleen het betaalde nettoloon kan verhalen, dus het bedrag dat de werknemer op zijn bankrekening tijdens zijn ziekte krijgt bijgeschreven. Afgedragen loonbelasting en sociale premies vallen buiten het verhaalsrecht van de werkgever. Deze voor de praktijk belangrijke begrenzing volgt niet uit de tekst van art. 6:107a lid 2 BW, maar uit de parlementaire geschiedenis en de hierna onder 4. te bespreken rechtspraak. Na de zojuist weergegeven passage wordt in de memorie van toelichting opgemerkt:
met inbegrip van ingehouden belasting en ingehouden of te zijnen laste komende premies, dat de derde als werkgever aan de gekwetste heeft betaald over de periode dat deze verhinderd was zijn arbeid te verrichten of het deel van dit loon dat overeenkomt met de mate van deze verhindering.”
redelijk” omdat de werkgever gedurende het ziekteverzuim van de werknemer in de regel loonbelasting, sociale premies én pensioenpremie moest blijven doorbetalen: [14]
of pensioenen afdracht van het werkgeversaandeel daarin. In de praktijk zal het bij deze doorbetaling in het algemeen gaan om een aanvulling op hetgeen de werknemer reeds ontvangt uit hoofde van de Ziektewet. Een desbetreffende vordering van de werkgever op de aansprakelijke moet
redelijkworden geacht. (…).”
niet strikt nodig, terwijl verwacht mag worden dat zij
gemakkelijk een bron van vele procedures zal worden. In verband daarmee wordt voorgesteld deze aansprakelijkheid (…) voorlopig niet in te voeren en het stelsel van het huidige artikel 1407 [een regeling voor schade door lichamelijk letsel; A-G] in grote lijnen te handhaven. Daarvoor is ook dit te zeggen dat de vraag of derden hier een vordering dienen te hebben
nauw samenhangt met de problematiek van regresrechten als die van particuliere en sociale verzekeraars en van de overheid, waarvoor in Boek 6 thans een tijdelijke regeling wordt voorgesteld (…). Bij een meer definitieve oplossing van die problematiek (…) zullen dan ook de onderhavige rechten van derden kunnen worden betrokken.”
netto-verhaalsrecht samenhangt met het feit dat over schadevergoeding “
niet altijd” belasting hoeft te worden betaald: [17]
Die schadevergoeding is niet altijd aan belasting onderworpen. Een bedrag aan schadevergoeding bestaat uit verschillende bestanddelen. Voor zover het gaat om een vergoeding wegens gederfde inkomsten kan dit wel aan inkomensbelasting onderworpen zijn; gaat het om een vergoeding wegens verlies aan arbeidsvermogen dan is dit niet aan belasting onderhevig. Omdat onduidelijk is of en voor welk deel het «hypothetische» bedrag onderworpen is aan belastingen kan het verhaal van de werkgever ook niet zonder meer bruto zijn. (…).”
Dat verhaal plaatsvindt op basis van netto-bedragen is recent in de jurisprudentie (HR 25 februari 1994, NJ 1995, 608) bevestigd in een VOA-zaak. Dit betreft het verhaalsrecht bij ongevallen voor ambtenaren en is vergelijkbaar met het verhaal van de werkgever. De werkgever van de ambtenaren (de Staat in deze zaak) heeft dit verhaal. (…) Er wordt uitgegaan van het civiele plafond, dat wil zeggen het bedrag van de schadevergoeding, dat de veroorzaker zou moeten betalen wegens het toebrengen van letsel.
In het algemeen is die schadevergoeding niet onderworpen aan belasting. Dit betekent, dat indien het regres wel op basis van bruto-bedragen zou plaats vinden de veroorzaker meer schadevergoeding zou moeten betalen dan indien hij rechtstreeks door het slachtoffer tot schadevergoeding zou zijn aangesproken.”
netto/brutoproblematiek”: [20]
Gezien het karakter van dit wetsvoorstel kan de zogenoemde netto/brutoproblematiek hier echter niet worden behandeld, aangezien het hier vragen betreft die over de volle breedte van het regresrecht beantwoord zullen moeten worden. (…).”
Wet WIA), [21] is opnieuw de vraag aan de orde gekomen welke kosten de werkgever bij loondoorbetaling tijdens ziekte op een aansprakelijke derde kan verhalen. De discussie spitste zich daarbij toe op (i) de kosten van re-integratie en (ii) de belasting en sociale premies die de werkgever moet afdragen. Besloten is toen dat “
de eerstgenoemde soort kosten wel, en de laatstgenoemde soort kosten niet onder het regresrecht van de werkgever dienen te vallen.” [22] Er is dus aan de netto-benadering vastgehouden.
Weliswaar dient de aansprakelijke derde er niet van te profiteren dat de werkgever (een deel van) de door hem veroorzaakte schade vergoedt, maar hij dient daardoor ook niet in een slechtere positie te geraken doordat de werkgever in plaats van de werknemer de schade vordert. Dit betekent ten eerste dat de werkgever alleen aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten die de werknemer zelf zou hebben kunnen vorderen als er geen sprake zou zijn geweest van «verplaatsing» van die schade. Ten tweede betekent dit dat het bedrag dat de werkgever kan verhalen niet hoger kan zijn dan het bedrag aan schadevergoeding dat de werknemer zelf van de aansprakelijke derde had kunnen vorderen.
De Hoge Raad gaat er in zijn jurisprudentievanuit dat die hypothetische schadevergoeding zou worden betaald in de vorm van een bedrag ineens. Aangezien een schadevergoeding ineens niet onderworpen is aan de heffing van loonbelasting en sociale premies, zou de werknemer dus aanspraak hebben gehad op (de contante waarde van) het netto gederfde loon. Daarom kan de werkgever«slechts» het netto doorbetaalde loon op de aansprakelijke derde verhalen(zie Hoge Raad 24 oktober 2003, NJ 2004, 396). Laatstgenoemde persoon zou anders, dat wil zeggen als de werkgever ook de ingehouden belasting en sociale premies zou kunnen verhalen, meer moeten vergoeden dan ingeval de werknemer zelf de schade had gevorderd. Dit zou strijdig zijn met het uitgangspunt van het schadevergoedingsrecht dat een aansprakelijke persoon niet meer dan de volledige schade behoeft te vergoeden. (…).”
Met andere woorden, het niet verruimen van het verhaalsrecht tot het bruto loon versterkt de consistentie van het systeem van regresrechten en verhoogt zodoende de hanteerbaarheid daarvan voor de praktijk.”
premies voor aanvullende pensioenendie de werkgever afdraagt aan de pensioenuitvoerder. In de meeste gevallen is bij cao of individuele overeenkomst een werkgeversgedeelte en een werknemersgedeelte van de pensioenpremie overeengekomen, waarbij het werknemersgedeelte doorgaans 30% tot 50% van de totale verschuldigde premie bedraagt. De pensioenpremie zal daarom in veel gevallen bestaan uit twee delen:
exclusiefis. Dat betekent dat de werkgever buiten art. 6:107a BW geen aanspraken heeft tot vergoeding van enige schade die hij als gevolg van het letsel van de zieke of arbeidsongeschikte werknemer kan hebben geleden, ook niet wanneer jegens hem zelf onrechtmatig is gehandeld en hij een eigen vordering uit (bijvoorbeeld) art. 6:162 BW Pro geldend zou kunnen maken. [24]
4.Rechtspraak over het verhaalsrecht bij ziekte en arbeidsongeschiktheid
ABP/Wink [26] (1985) overwoog de Hoge Raad dat schadevergoeding op grond van art. 1406 (oud) BW “
in de regel” vastgesteld wordt op “
een bedrag ineens”, dat doorgaans niet is onderworpen aan de heffing van inkomstenbelasting of de premieheffing voor de sociale verzekeringswetten. Volgens de Hoge Raad ligt het daarom voor de hand dat ook bij de toepassing van de VOA wordt uitgegaan van deze doorgaans gevolgde wijze van schadeafwikkeling. De Hoge Raad vervolgt: “
Dit komt ook aan de hanteerbaarheid van de wet ten goede, aangezien aldus toepassing van de wet in praktijk zo eenvoudig mogelijk wordt gehouden.” [27] Daarmee was de basis gelegd voor de netto-benadering.
Staat/Piers [28] (1987) heeft de Hoge Raad deze lijn doorgetrokken naar gevallen van letselschade. Ook daarbij is uitgangspunt dat de schadevergoeding moet worden vastgesteld op een bedrag ineens, ongeacht of sprake is van tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid.
Staat/Sterpolis [29] (1994) zocht de Staat op grond van de VOA verhaal op de WAM-verzekeraar van de bestuurder van de auto die een ambtenaar had aangereden als gevolg waarvan deze tijdelijk arbeidsongeschikt was geweest en de Staat zijn salaris en daarmee verband houdende uitkeringen had doorbetaald. De Staat stelde dat bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid geen schadevergoeding bij wege van som ineens wordt vastgesteld, waardoor de gewonde – indien hij, hypothetisch gezien, de schade zelf zou vorderen – wél belasting en premies over de schadevergoeding zou moeten betalen en deze bedragen daarom ook onder het verhaalsrecht van, in dit geval, de Staat zouden vallen. De Hoge Raad ging hier niet in mee maar bevestigde dat het verhaalsrecht op grond van de VOA een netto-verhaalsrecht is.
Revabo/Amev [30] (2003) heeft de Hoge Raad zich voor het eerst uitgelaten over de reikwijdte van het verhaalsrecht van de particuliere werkgever op de voet van art. 6:107a lid 2 BW. Revabo, werkgever, stelde dat, zolang de grens van het in art. 6:107a BW bedoelde civiel plafond niet is bereikt, alle (bruto)kosten die in verband met het doorbetalen van het loon worden gemaakt, voor vergoeding in aanmerking komen. De Hoge Raad ging ook daar niet in mee. Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis en zijn VOA-jurisprudentie overwoog de Hoge Raad:
Kamerstukken II, 1994/95, 24 326, nr. 3, blz. 9).
NJ1986, 246). Voor letselschade heeft de Hoge Raad dezelfde regel aanvaard (HR 27 november 1987, (…),
NJ1989, 48). Deze regel heeft te gelden ongeacht of sprake is van tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid (HR 25 februari 1994, (…),
NJ1995, 608).
NBM Rail/Amevover het verhaalsrecht op de voet van art. 6:107a lid 2 BW het volgende: [31]
Zwolsche Algemeene/Vormenfabriek [32] opnieuw het belang onderstreept van de consistentie van het systeem van verhaalsrechten en de hanteerbaarheid daarvan voor de praktijk.
ABP/Winken
Staat/Sterpolisen tot slotte – terug naar het BW – doorgetrokken naar art. 6:107a lid 2 BW. Daarbij verwijst de Hoge Raad in
Revebo/AMEVnaar het standpunt van de wetgever (zie rov. 4.4, geciteerd in 4.5 hiervoor), terwijl later de WIA-wetgever naar de Hoge Raad verwijst (zie het citaat weergegeven in 3.21).
op verschillende wijzen wordt beantwoord”, niet helemaal plaatsen. Er is bij mijn weten ook geen afwijkende lagere rechtspraak, in elk geval niet van de hoven. Wel is het zo dat over specifiek de plaats van de doorbetaalde/afgedragen pensioenpremies in deze discussie geen rechtspraak van de Hoge Raad bestaat en de pensioenpremie ook wordt genoemd in de parlementaire geschiedenis van art. 6:107a lid 2 BW. Mogelijk achtte het hof het door Steinweg verdedigde standpunt aantrekkelijk, mede in het licht van de kritiek die sommige schrijvers hebben geuit op de keuze voor een netto-verhaalsrecht en de daarvoor door de Hoge Raad gegeven onderbouwing (‘onbelaste som ineens’).
5.Kritiek in de literatuur op keuze voor netto-verhaalsrecht
toekomstigeschade, en bij kortlopende verplichtingen zoals de loondoorbetalingsplicht is daarvan niet of nauwelijks sprake. De centraal gestelde ‘hanteerbaarheid’ van het werkgeversverhaal – die hier eigenlijk niet in het geding is, nu het geen toekomstschade betreft – botst wat dit betreft met een integrale ‘kostenallocatie’. Naar mijn mening verdient daarom het gebruik van de ‘som ineens’-methode meer nuancering.
Het is mitsdien zeer wel denkbaar dat de werknemer jegens de aansprakelijke partij wel degelijk aanspraak had kunnen maken op een brutovergoeding, in welk geval ook het civiel plafond bruto zou moeten worden berekend. Door in alle gevallen evenwel uit te gaan van een nettoregres – ook indien het slachtoffer zelf jegens de dader aanspraak zou hebben gehad op een brutovergoeding – geraakt de aansprakelijke persoon in een betere positie doordat de werkgever in plaats van de werknemer de schade vordert. Dit verdraagt zich niet met de strekking van het regresrecht.”
Het uitgangspunt moet zijn: de veroorzaker betaalt. Dit vormt mijns inziens evenzeer een eenvoudige en voor de praktijk goed hanteerbare maatstaf en aldus blijft de consistentie van het systeem van regresrechten gehandhaafd.”
een heroverweging”: [36]
Het is verdedigbaar om te stellen dat de schadebeperkingsplicht van de werknemer er niet toe mag leiden dat de werkgever met het bruto deel blijft zitten. Anders gezegd: als een werknemer op zich het bruto loon zou mogen (en kunnen) vorderen, dan zou een werkgever dat ook moeten kunnen.
Door een regresnemer meer schadevergoeding toe te kennen dan waartoe het slachtoffer recht zou hebben gehad, zal de aansprakelijke persoon in een slechtere positie geraken dan in het geval dat het slachtoffer jegens hem de vordering instelt. Het is misschien ongerechtvaardigd dat de regresnemer dan niet alle schade vergoed krijgt, maar het is ook niet rechtvaardig dat de aansprakelijke persoon de extra schade van een regresnemer dient te vergoeden. In het aansprakelijkheidsstelsel dient consensus te worden bereikt en dat kan helaas leiden dat de één met (rest)schade blijft zitten en de ander wel alle schade vergoed krijgt.”
Revabo/Amev. Na tot de slotsom te zijn gekomen dat slechts verhaal van het nettoloon mogelijk is, merkt Spier op dat het “
in zekere zin weinig aanspreekt dat een werkgever, die een deel van de taak van sociale verzekeraars op zijn schouders moet meetorsen, slechts een deel van hetgeen hij aan zieke werknemers moet betalen, kan verhalen.” Dit argument legt volgens Spier echter onvoldoende gewicht in de schaal om te komen tot een bruto-verhaalsrecht, en wel om de volgende redenen: [39]
Rechtszekerheid is een groot goed. Soms moet men daarvoor een zeker offer brengen.” [40]
6.Valt de pensioenpremie onder doorbetaald loon?
loon” dat de werkgever op grond van art. 7:629 lid 1 BW Pro of krachtens individuele of collectieve arbeidsovereenkomst tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid moet doorbetalen (zie hiervoor, 3.7).
Zaal/Gossink [41] ‘loon’ omschreven als de krachtens de arbeidsovereenkomst door de werkgever aan de werknemer verschuldigde vergoeding ter zake van de bedongen arbeid. Deze definitie is bevestigd in het arrest
Huize Bethesdauit 2001. [42] Over deze invulling van het civielrechtelijke begrip ‘loon’ bestaat een grote mate van consensus. De vraag is nu of de pensioenpremie onder dat begrip valt.
brutoloon. Dat wil zeggen: het nettoloon verhoogd met de bedragen die de werkgever daarop rechtens heeft ingehouden. Ook op die ingehouden bedragen heeft de werknemer aanspraak. De werkgever is evenwel tegenover de werknemer van zijn loonbetalingsverplichting gekweten indien hij overeenkomstig de geldende wettelijke en contractuele verplichtingen loonbelasting, premies sociale verzekeringen
en pensioenpremieinhoudt en afdraagt. (…)
De ingehouden en af te dragen werknemerspremie is dus loon.”
werkgeverspremie. Dit is
geen aan de werknemer verschuldigd bedrag, noch een tegenprestatie voor verrichte arbeid. Het gaat bij de werkgeverspremie om een heffing over de loonsom. Volgens de memorie van antwoord bij wijziging van de art. 1637s en 1638r [oud] BW bestaat er “eenstemmigheid” over dat de werkgeversbijdrage niet als loon in de zin van het BW kan worden aangemerkt.”
Dergelijke uitgaven laten zich moeilijk onder het in het BW gebruikte loonbegrip brengen. Dat ligt anders met door de werknemer verschuldigde premies en belastingdie van het loon van de werknemer door de werkgever moeten worden ingehouden en rechtstreeks afgedragen aan de Belastingdienst. Zij vormen het verschil tussen het bruto- en nettoloon.
Revabo/Ameven
NBM Rail/Amevwas deze vraag zijdelings aan de orde gesteld, maar om voornamelijk cassatietechnische redenen liet noch de Hoge Raad noch A-G Spier zich daar inhoudelijk over uit. [50]
7.Toepassing op de pensioenpremie
aan de werknemeris verschuldigd. Het werknemersgedeelte van de pensioenpremie wordt ingehouden op het brutoloon en valt derhalve binnen het loonbegrip.