Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het hof ten onrechte bewezen heeft verklaard dat de verdachte in het kalenderjaar 2011 een groter aantal varkens heeft gehouden dan het op dat bedrijf rustende varkensrecht, althans dat het hof zijn beslissing heeft gebaseerd op gronden die deze beslissing niet, althans niet zonder nadere motivering - die ontbreekt - kunnen dragen.
relaas van verbalisanten[verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
verbalisant [verbalisant 1]:
(BFK: [b-straat 1] )[plaats 5] van het bedrijf [A] B.V. als ‘uw geregistreerde stal’ op het formulier ‘Overzicht Geregistreerde productierechten’ aangegeven.
als verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte [verdachte]:
verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte [verdachte]afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:
Stb. 360). [8] Het begrip ‘houden’ werd in de memorie van toelichting niet nader omschreven; wel kan uit een passage die gewijd is aan de ‘varkensheffing’ worden afgeleid dat daarbij gedacht is aan ‘de startactiviteit van het productieproces’. Dat duidt op een feitelijke benadering. [9]
NJ1998/714 verwees Uw Raad bij de beoordeling van het tweede middel, dat klaagde dat de verdachte ten onrechte als producent van dierlijke meststoffen was aangemerkt, omdat als zodanig niet kan gelden wie – tijdelijk – dieren van een ander houdt, naar de conclusie van A-G Machielse. Machielse had beargumenteerd dat als producent van dierlijke meststoffen diende te worden aangemerkt ‘wie door het houden van dieren of de uitscharing van rundvee op een bedrijf dierlijke meststoffen produceert. Wie eigenaar van de dieren is, is van ondergeschikt belang; slechts degene op wiens bedrijf andermans rundvee is ingeschaard wordt niet als houder beschouwd’ (randnummer 5.1). [15] Dat de verdachte de kalveren op zijn bedrijf mestte en dat zij bij hem op stal stonden bracht mee dat hij de kalveren hield; dat de eigenaresse de feitelijke macht over de kalveren uitoefende deed daaraan niet af.