ECLI:NL:CBB:2006:AX9711
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste en enige aanleg
- C.M. Wolters
- M.A. van der Ham
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Intrekking van pluimveerechten wegens schijnconstructie en feitelijk houderschap
Appellanten, exploitanten van akkerbouwbedrijven, hadden pluimveerechten toegewezen gekregen op grond van hun aanmeldingen voor hardheidscategorie 3 onder de Meststoffenwet. Verweerder trok deze rechten in omdat uit strafrechtelijke veroordelingen en een AID-onderzoek bleek dat appellanten niet feitelijk pluimveehouders waren, maar dat het pluimvee feitelijk door H werd gehouden.
Appellanten voerden aan dat de besluiten tot toekenning formele rechtskracht hadden en dat verweerder bij toekenning op de hoogte had moeten zijn van de feitelijke situatie. Het College oordeelde dat appellanten, gezien hun rol in de schijnconstructie en het strafrechtelijk onderzoek, er rekening mee moesten houden dat zij niet als pluimveehouder werden aangemerkt. De formele rechtskracht en het vertrouwensbeginsel konden niet inroepen tegen de intrekking met terugwerkende kracht.
Het College concludeerde dat verweerder terecht de pluimveerechten had ingetrokken omdat appellanten niet voldeden aan de voorwaarden van artikel 58k, eerste lid, aanhef en onder c, Meststoffenwet. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de intrekking van pluimveerechten worden ongegrond verklaard.