Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Beslissing
9 juli 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in een economische strafzaak over het houden van meer varkens dan toegestaan volgens het varkensrecht. De verdachte werd veroordeeld tot een geldboete waarvan een deel voorwaardelijk was.
De advocaat-generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkverklaring, maar de Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was. Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden omdat meer dan 36 maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep.
Als gevolg daarvan besloot de Hoge Raad ambtshalve de opgelegde geldboete te verminderen met €700, waardoor de boete €12.800 bedraagt, waarvan €7.500 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De geldboete wordt verminderd tot €12.800 wegens overschrijding van de redelijke termijn; het cassatieberoep wordt verder verworpen.