Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
is gaan dienenen de woning leegstaand of in aanbouw was. Dat acht hij niet in overeenstemming met de tekst van artikel 3.111, lid 3, Wet IB 2001, die volgens hem vereist dat de woning
bestemd moet zijnom in het kalenderjaar of een van de daaropvolgende twee jaren als hoofdverblijf ter beschikking te staan.
4.Eigen woningregeling
Wetgeving
BNB2011/68 oordeelde de Hoge Raad dat artikel 3.111, lid 3, Wet IB 2001 (uitbreiding ‘eigen woning’ ingeval van een leegstaande woning of een woning in aanbouw) niet kan worden toegepast als niet aan de twee cumulatieve eisen is voldaan: [14]
BNB2013/123 betrof het woonplaatsbegrip in de Algemene Kinderbijslagwet. De Centrale Raad van Beroep heeft volgens de Hoge Raad terecht geoordeeld dat dat begrip op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als het fiscale woonplaatsbegrip. De belanghebbende in de onderhavige zaak heeft uit dit arrest afgeleid dat voor artikel 4 AWR Pro niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemand maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt: [16]
5.Beoordeling van de middelen
leeg staat of in aanbouw is” en (b) “
uitsluitend bestemd is om in het kalenderjaar of in een van de daaropvolgende twee jaren hem als eigen woning als bedoeld in het eerste lid ter beschikking te staan”.
is gaan dienen. De wet vereist dat de woning
bestemd moet zijnom als hoofdverblijf ter beschikking te staan.
BNB2011/68 [34] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat aannemelijk moet zijn dat de woning uitsluitend bestemd is om in het kalenderjaar of in één van de daaropvolgende twee jaren als eigen woning aan de belastingplichtige ter beschikking te staan.