Conclusie
hij op 11 juli 2015 te Hoorn opzettelijk twee ambtenaren, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] beiden medewerker van [A], ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in het openbaar bij geschrift en afbeelding, heeft beledigd, door een foto van hen (genomen tijdens de rechtmatige uitoefening van hun bediening) op Facebook te plaatsen met daarbij de tekst: “Hé kutjes annoniem dit keer. Hier is gemeente Hoorn trots op, te dikke stads-toezicht en geen woord knap nederlands kunnen”;
hij op 11 juli 2015 te Hoorn [betrokkene 3] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een foto van die [betrokkene 3] op Facebook gezet en daarbij de tekst: “deze K koerd mag dit wel doen…. volgende keer en dat beloof ik verbouw ik zijn hele smoel.. de schijnheil”.”
“Bewijsmiddelen
verklaring van de aangever [betrokkene 4]:
verklaring van de verdachte:
verklaring van [betrokkene 3]:
verklaring van de verdachte,afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juli 2017.
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte en onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd het onder 1 tenlastegelegde bewezen heeft verklaard.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
zelfop een of meer individuen moet zijn gericht. Bekend zijn de arresten waarin de Hoge Raad uiteindelijk, in de derde cassatieronde, oordeelde dat in het algemeen voor politieambtenaren beledigende uitingen (‘All cops are bastards’, afgekort ‘A.C.A.B’) beledigend kunnen zijn voor één, betrekkelijk willekeurig gekozen, individuele politieambtenaar. [4]
anderen dan de beledigde(zonder meer) duidelijk dient te zijn op wie de belediging is gericht. In zijn door het hof als bewijsmiddel 4 gebruikte verklaring, wekt de verdachte namelijk de indruk te menen straffeloos te mogen beledigen zolang derden maar niet weten wie de beledigde is. De verdachte zegt immers dat hij eerder is veroordeeld door de strafrechter, omdat de beide beledigden in de toen aan hem tenlastegelegde belediging herkenbaar waren. Ditmaal heeft hij hun gezichten grondiger afgeplakt, kennelijk met het doel te voorkomen dat de beledigden zichtbaar waren en te vermijden dat zijn handelen opnieuw strafbaar zou zijn. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof heeft vastgesteld dat de beledigden “voor anderen herkenbaar en identificeerbaar” waren, zulks terwijl in werkelijkheid uit de bewijsoverweging blijkt dat het hof enkel overweegt dat “nog steeds duidelijk was dat zij de personen waren aan wie de belediging was gericht.” De aan het hof toegeschreven vaststelling dat de beledigden herkenbaar waren voor anderen, wordt bestreden.
voor anderenherkenbaar waren, dan treft de tegen die vaststelling gerichte begrijpelijkheidsklacht overigens geen doel. Waarom dit (feitelijke) oordeel onbegrijpelijk zou zijn, wordt bij lezing van de schriftuur niet inzichtelijk. De steller van het middel volstaat met herhaling van het verdedigingsstandpunt dat “uit de betreffende foto niet is op te maken om welke ambtenaren het gaat.” Op deze foto, waarnaar het hof in de aanvulling op het arrest in bewijsmiddel 1 verwijst, zijn de hoofden van de afgebeelde personen weliswaar onzichtbaar, maar diverse andere persoonskenmerken zijn wél waar te nemen: de lengte en lichaamsbouw van de afgebeelde personen bijvoorbeeld, alsmede hun kleding, hun schoeisel en hun handen. Ook is de locatie waar zij zich ten tijde van het nemen van de foto bevonden mogelijk te herkennen. Bovendien heeft de verdachte zelf in de door hem toegevoegde tekst vermeld dat de afgebeelde personen medewerkers stadstoezicht van de gemeente Hoorn zijn en dat zij naar de mening van de verdachte te dik en het Nederlands niet optimaal machtig zijn. Derhalve is het oordeel van het hof dat duidelijk was dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] de personen waren aan wie de belediging was gericht zonder meer begrijpelijk.
kunneneindigen, is ter onderbouwing van dat belang ongenoegzaam. [7]
tweede middelbehelst de klacht dat het hof het beroep op de bijzondere rechtvaardigingsgrond van art. 266, tweede lid, Sr ten onrechte en ontoereikend, althans onbegrijpelijk gemotiveerd heeft verworpen.
“Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Stb.1978, 155. De bepaling luidt:
derde middelklaagt over de bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde. Uit de toelichting op het middel blijkt dat specifiek wordt geklaagd over de verwerping van het bewijsverweer dat hier inhoudt dat de gedragingen van de verdachte bij de aangever in redelijkheid niet de vrees konden doen ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen omdat maar een belofte of een voorwaardelijke bedreiging aan hem zou zijn gericht.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegdeDe raadsman heeft vrijspraak bepleit en aangevoerd dat de uitlating geen bedreiging betreft, maar een belofte of een voorwaardelijke bedreiging en dit niet valt onder artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Mede gelet op de eerdere fysieke confrontatie tussen de verdachte en de aangever, medewerker stadstoezicht [betrokkene 3] , heeft de door de verdachte geuite bedreiging ‘zijn hele smoel te verbouwen’, vergezeld van de schelwoorden ‘K koerd’ en ‘schijnheil’ bij de aangever in redelijkheid de vrees kunnen doen ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. Dat deze bedreiging, zoals door de raadsman bepleit, onder voorwaarde is gedaan, doet daar niet aan af. Opgemerkt zij nog dat een bedreiging onder voorwaarde in voorkomend geval zelfs tot oplegging van een hogere straf kan leiden. ”
bedoelddat de bedreigde de verwezenlijking van het misdrijf waarmee hij wordt bedreigd zelf in de hand had, is daarmee in de eerste plaats nog niet gezegd dat de bedreigde zulks ook wist of redelijkerwijs behoorde te weten. Een bedreiging die ter terechtzitting nader wordt toegelicht en aldaar in een nieuwe, ten tijde van het begaan van het feit voor de bedreigde niet kenbare, context wordt geplaatst, verliest daardoor uiteraard niet als het ware met terugwerkende kracht de potentie in redelijkheid vrees aan te jagen. Reeds omdat [betrokkene 3] het door de verdachte gestelde ‘conditionele karakter’ van het dreigement niet behoefde te begrijpen, is ’s hofs (motivering van de) verwerping van het verweer niet onbegrijpelijk.