Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
25 juni 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 7 augustus 2017. Verdachte werd veroordeeld voor meermalen gepleegde belediging van twee medewerkers van stadstoezicht en bedreiging met zware mishandeling van een andere medewerker. De Hoge Raad heeft het beroep van verdachte verworpen.
In het cassatieberoep werden onder meer een bewijsklacht betreffende de belediging en de bedreiging aangevoerd, alsmede een beroep op de bijzondere rechtvaardigingsgrond van artikel 266 lid 2 Sr Pro. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was omdat de rechtsvragen niet in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling hoefden te worden beantwoord.
De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat de gedragingen van verdachte bij de aangever in redelijkheid vrees konden doen ontstaan voor zwaar lichamelijk letsel. Het arrest werd op 25 juni 2019 gewezen door de vice-president en twee raadsheren.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.