Conclusie
1.Feiten en procesverloop
materiële en immateriële letsel- en overlijdensschadedie het gevolg is van het vuurwapengebruik door de schutter dat op 9 april 2011 in Alphen aan den Rijn heeft plaatsgevonden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met wettelijke rente.
moetworden geweigerd (niet mag worden verlengd), indien er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het voorhanden hebben van een vuurwapen niet kan worden toevertrouwd of wanneer er vrees is voor misbruik van het wapen, welke reden er al is bij geringe twijfel. Ook die – materiële – norm is geschonden.”
specifiekdoel wordt nagestreefd met de weigeringsgronden van art. 7, lid 1, aanhef en onder b en c, WWM voor een wapenverlof, moet eveneens worden teruggegrepen op de voorganger van de WWM, de Vuurwapenwet 1919.
misdadigers, zieken van geest en kinderen” zich op legale wijze van een vuurwapen zouden kunnen voorzien en daarmee een misdrijf of zelfmoord zouden kunnen plegen. Van belang werd geacht een wet te maken “
opdat geen personen met wapenen rondloopen, aan wie zij niet zijn toevertrouwd”. De bedoelde machtiging kon dan ook alleen worden verleend indien een redelijk belang dat vorderde en misbruik van de machtiging of het wapen niet viel te vrezen. “
Hier komt de persoonlijkheid van den aanvrager in het geding, waaromtrent de politie zich zal hebben te vergewissen”.
vrijwel perfect” genoemd (Kamerstukken II 1976-1977, 14 413, nrs 1-3, pg. 20). Aangenomen moet dan ook worden dat de wetgever beoogd heeft in zoverre de regeling van het legale bezit van wapens uit de Vuurwapenwet 1919 inhoudelijk ongewijzigd voort te zetten met onder meer het verbod van art. 26 WWM Pro en de weigeringsgronden van art. 7, lid 1, WWM die (net als in de Vuurwapenwet 1919 het geval was) zien op het vereiste van een redelijk belang en de vrees voor misbruik van het wapen.
condicio sine qua non-verband) tussen de onrechtmatige daad van de Politie en de gestelde schade ontbreekt omdat de schutter ook zonder het verleende wapenverlof wel op enigerlei wijze (illegaal) aan de vuurwapens zou zijn gekomen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 3bevat een klacht die slechts voortbouwt op de twee daaraan voorafgaande klachten en daarom geen afzonderlijke bespreking behoeft.
Onderdeel 1.1klaagt dat het hof heeft miskend dat de eisers vergoeding van schade, op te maken bij staat, hadden gevorderd, zodat zij in de hoofdprocedure slechts de mogelijkheid van schade aannemelijk behoefden te maken. Daarom had het hof erop moeten letten of van partijen wel verwacht mocht worden dat zij reeds in de hoofdprocedure, voorafgaand aan de nog te voeren schadestaatprocedure, debat voerden over de vraag welke schadesoorten al dan niet in de zin van art. 6:98 BW Pro aan de onrechtmatige daad van de Politie kunnen worden toegerekend. Weliswaar kan de rechter, voor zover hij in het licht van het debat van partijen en met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor de mogelijkheid heeft om geschilpunten dadelijk te beslissen, hiervan gebruikmaken, maar het gevoerde debat en de inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor kunnen meebrengen dat de rechter dit niet doet zonder hen eerst in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten.
Onderdeel 1.2houdt in indien het hof van oordeel is dat het partijdebat ten aanzien van de schade al voldragen was, dat onbegrijpelijk is in het licht van de in het middelonderdeel genoemde gedingstukken.
Onderdeel 1.3verbindt hieraan de gevolgtrekking dat het bestreden arrest niet in stand kan blijven wat betreft de afwijzing van de vordering tot vergoeding van andere schade (dan letsel- of overlijdensschade).
kenmerkendegevolgen van de vermeende onrechtmatige daad [6] , maar heeft hier tegenover gesteld dat de strekking, ratio en beschermingsomvang van de wapenwetgeving de toerekening aan de Politie van de hier aan de orde zijnde schade niet rechtvaardigt [7] . Samengevat heeft de Politie zich erop beroepen (zo volgt uit overweging 9.3) dat de schade in redelijkheid niet kan worden toegerekend aan de gestelde onrechtmatige daad, met name omdat:
rechtstreeksis veroorzaakt door het verlenen van het wapenverlof, maar dat zich tussen de verlening van dit verlof en de schade allerlei schakels bevinden (in het bijzonder: beslissingen en handelingen van de schutter zelf), en dat sprake is van een te ver verwijderd verband om het handelen van de schutter nog te kunnen toerekenen aan de Politie;
gedeeltelijkzou honoreren en daarbij onderscheid zou maken tussen verschillende soorten schade. Nu eisers in hun gedingstukken zelf al een onderscheid hadden gemaakt tussen letsel- en overlijdensschade en andere schade, heeft het hof ervan mogen uitgaan dat de eisers met deze mogelijkheid rekening hebben gehouden.
aard van de aansprakelijkheid. De eisers nemen tot uitgangspunt dat de aard van de geschonden norm (te weten: een veiligheidsnorm) een ruime toerekening van schade rechtvaardigt. Onder 2.1.1 klagen zij dat het hof miskent dat de door de Politie geschonden norm naar aard en strekking een v
eiligheidsnormis. Onder 2.1.3 klagen zij dat het hof miskent dat bij schending van een veiligheidsnorm steeds een ruime toerekening van de schade past, óók als het gaat om andere schade dan letsel- en overlijdensschade. De klacht onder 2.1.4 houdt in dat het hof miskent dat, zelfs als er geen sprake zou zijn van een veiligheidsnorm, de hier geschonden norm ertoe strekt, te voorkómen dat schade ontstaat als gevolg van een schietincident met een legaal (op basis van het wapenverlof) aangeschaft vuurwapen in de openbare ruimte. Het hof heeft eraan voorbijgezien dat dan de toerekeningsregel uit rov. 3.7 van het arrest ‘
Wrongful birth’ van toepassing is [10] .
wrongful birth’ gaat niet op: in de eerste plaats is hier geen sprake van een geneeskundige behandelingsovereenkomst. In de tweede plaats berust het door het hof gemaakte onderscheid niet op de plaats waar het misdrijf heeft plaatsgevonden (wel of niet in de openbare ruimte), maar op de aard van de schade (wel of geen letsel- of overlijdensschade). De aard van de schade is één van de factoren die in art. 6:98 BW Pro is genoemd. Dit verklaart waarom andere schade volgens het hof niet kan worden toegewezen, ook al zou door het verlenen van het wapenverlof ook een verhoogd gevaar in het leven zijn geroepen dat derden andere schade (zoals zaakschade of zuivere vermogensschade zoals gederfde omzet) lijden.
voorzienbaarheidvan de schade als factor bij de beslissing over de toerekening. De klacht onder 2.2.1 houdt in dat het hof heeft miskend dat
naar objectief inzichtniet alleen letsel- en overlijdensschade, maar ook andere schade een voorzienbaar gevolg was van de door de Politie geschonden norm. Volgens eisers valt zonder nadere motivering, welke ontbreekt, niet in te zien waarom het hof andere schade als gevolg van misbruik van het vuurwapen waarvoor het wapenverlof is verleend niet voorzienbaar heeft geacht. In de toelichting op deze klacht geven eisers het voorbeeld van een beroving met behulp van zo’n wapen. Volgens eisers valt niet in te zien waarom degene die bij die beroving zijn geld heeft moeten afgeven (bedoeld zal zijn: onder bedreiging met dat vuurwapen), te horen zou krijgen dat zijn schade niet aan het onrechtmatig handelen van de korpschef wordt toegerekend omdat het niet om letsel- of overlijdensschade gaat.
naar subjectief inzichtvoorzienbaar was dat andere schade dan letsel- of overlijdensschade het gevolg kan zijn van dit onrechtmatige handelen van de Politie. Eisers hebben aangevoerd dat de Politie, beter dan een ander, kon voorzien welk vormen van schade zich kunnen voordoen als gevolg van gebruik of misbruik van een (legaal) vuurwapen [14] . Volgens eisers beschikte het korps PHM ook over specifieke kennis omtrent de persoon van de schutter: het middelonderdeel verwijst naar wat het hof in zijn overwegingen 7.11 en 7.12 heeft vastgesteld omtrent de incidenten met luchtdrukwapens, waarbij de schutter betrokken was. Volgens de klacht is het hof ten onrechte niet op deze stelling ingegaan. Onder 2.2.3 klagen eisers over onjuistheid althans onbegrijpelijkheid van het (kennelijke) oordeel van het hof dat andere schade dan letsel- en overlijdensschade voor de Politie niet voorzienbaar was. De toelichting verwijst naar hetgeen het hof onder 9.6 en 9.7 heeft vastgesteld. Eisers noemen (a) dat PHM wist dat de schutter eerder in (Bopz-)bewaring was gesteld wegens suïcidegevaar en in 2003 op enigerlei wijze betrokken was geweest bij het schieten op anderen met een luchtbuks; (b) dat in 2008 algemeen bekend was dat bij suïcide met een vuurwapen voorafgaande homicide kan plaatsvinden, waarvan het hof voorbeelden uit het buitenland heeft genoemd; (c) dat indien tegen anderen misbruik van een vuurwapen wordt gemaakt, dit kan leiden tot (dodelijk) letsel. Onder 2.2.4 voegen eisers hieraan toe dat dit ook de kracht ontneemt aan het oordeel in de overwegingen 9.6 en 9.7, dat ten tijde de verlofverlening voor het korps PHM ‘in zekere zin’ voorzienbaar was dat de schutter een of meer vuurwapens tegen anderen zou gaan gebruiken, indien het hof hiermee bedoelt dat alleen de letsel- en overlijdensschade voorzienbaar was. De klachten van dit onderdeel lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
.In dat kader zal ook wat naar objectief inzicht voorzienbaar of waarschijnlijk was, een rol kunnen spelen [16] . Klaarblijkelijk is het hof van oordeel dat het objectief beschouwd redelijk is om letsel- en overlijdensschade wel en andere schade niet aan dit onrechtmatig handelen van de Politie toe te rekenen, gelet op de strekking van de norm (overweging 9.7) en de afstand tussen de schade en de overtreden norm (overwegingen 9.7 en 9.8). Voor zover het gaat om hetgeen bij het korps PHM (subjectief) bekend was (zie overweging 9.6), kon het hof tot het oordeel komen dat dit onvoldoende informatie bood om andere schade dan letsel toe te rekenen aan het onrechtmatig handelen van de Politie.
aard van de onrechtmatige gedragingals gezichtspunt bij de toerekening. De klachten houden in dat de beslissing over de toerekening van de schade onjuist is, althans ontoereikend gemotiveerd, voor zover zij berust op de omstandigheid dat de politie niet de eerstverantwoordelijke dader was: dat was de schutter [17] . Weliswaar achten eisers het mogelijk dat het antwoord op de vraag of een ander de primaire dader is, enig gewicht in de schaal legt bij de beslissing over toerekening in de zin van art. 6:98 BW Pro, maar dat is dan afhankelijk van de aard en ernst van de normschending, de aard en ernst van de daarvan
te verwachtenschade en van de
verwezenlijkteschade [18] . Het hof zou dit hebben miskend, althans onvoldoende hebben gerespondeerd op de stellingen van eisers hierover.