Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
middel Iop tegen dit oordeel. Hij voert aan dat de exploitatie van gemeentelijke begraafplaatsen niet plaatsvindt in het kader van een specifiek voor belanghebbende geldend juridisch regime of met gebruik van specifieke overheidsprerogatieven. Daarmee schaart hij zich achter het oordeel van de rechtbank Den Haag [3] .
Middel IIbestrijdt dit oordeel. Volgens de Staatssecretaris zijn de diensten die een exploitant van een begraafplaats verricht, kenmerkend en essentieel voor de (vrijgestelde) diensten die lijkbezorgers en crematoria verrichten.
HR BNB 2015/181 [4] , maar is toen niet beantwoord. De Hoge Raad heeft het geding verwezen naar de algemene bestuursrechter in eerste aanleg, omdat de toen bestreden terugbetalingsverzoeken geen voor bezwaar en beroep vatbare beschikkingen zijn. Dezelfde vraag heeft zelfs mijn beide ambtsvoorgangers verdeeld: de exploitatie van een begraafplaats is volgens mijn ambtsvoorganger Van Hilten niet wettelijk vrijgesteld, maar volgens haar ambtsvoorganger De Wit wél.
2.De Wet Bcf in het kort
Beoordeling van middel I: anders dan in het kader van de onderneming?
Comune di Carpaneto Piacentino e.a. [22] . Evenals 24 andere gemeenten, verleent de gemeente Carpaneto Piacentino (onder meer) concessies voor grafplaatsen en grafkelders en verkoopt zij accessoires voor grafkelders. Het HvJ oordeelt dat voor het antwoord op de vraag of de gemeente deze prestaties verricht als overheid:
Comune di Carpaneto Piacentino e.a.tot het oordeel dat: [24]
Comune di Carpaneto Piacentino e.a., verfijnd in
Fazenda Pública [25] . Dit latere arrest betreft het gemeentebestuur van Porto dat parkeermeters op de openbare weg exploiteert, alsmede een parkeerterrein dat is gelegen op gemeentegrond. Het HvJ oordeelt dat dit gemeentebestuur handelt in het kader van een specifiek voor hem geldend juridisch regime als het verrichten van deze werkzaamheden gebruikmaking van overheidsprerogatieven omvat. [26] In
Fazenda Públicawijst het HvJ als voorbeeld op het toestaan of beperken van parkeren op een openbare weg of het beboeten van overschrijding van de toegestane parkeertijd. [27]
Comune di Carpaneto Piacentino e.a., ligt het op de weg van de nationale rechter te (be)oordelen of werkzaamheden van een publiekrechtelijk lichaam plaatsvinden met gebruikmaking van overheidsprerogatieven. Dat ligt in zoverre (ook) voor de hand, nu het een vraag naar nationaal recht betreft welk juridisch regime van toepassing is op de desbetreffende werkzaamheden.
HR BNB 2014/158 [28] heeft de Hoge Raad deze rechtspraak van het HvJ bondig samengevat. Dit arrest betreft de gemeente Aalten die op grond van de onderwijswetgeving de zorg heeft te voorzien in de huisvesting van scholen voor primair en voortgezet onderwijs binnen de gemeente. In dit verband oordeelt de Hoge Raad dat een lichaam niet noodzakelijkerwijs handelt als overheid, wanneer het handelen plaatsvindt ter uitvoering van een taak die is opgedragen door de wetgever:
Isle of Wight Council e.a. [29] in herinnering. In dit arrest oordeelt het HvJ dat artikel 4, lid 5, eerste alinea, Zesde richtlijn (nu artikel 13, lid 1, eerste alinea, Btw-richtlijn) een uitzondering vormt op de algemene regel dat alle economische activiteiten zijn onderworpen aan de heffing van btw en – daarmee – eng moet worden uitgelegd. [30] Wel onderkent het HvJ in hetzelfde arrest dat deze uitzondering ziet op economische activiteiten van een bijzondere aard: volgens het HvJ komen de werkzaamheden die publiekrechtelijke lichamen als overheid verrichten neer op economische activiteiten die nauw verband houden met de uitoefening van overheidsbevoegdheden. [31]
Comune di Carpaneto Piacentino e.a.(zie onderdeel 3.8),
Fazenda Pública(zie onderdeel 3.9) en
HR BNB 2014/158(zie onderdeel 3.11), meen ik dat belanghebbende met de exploitatie van haar gemeentelijke begraafplaatsen niet handelt onder dezelfde juridische voorwaarden als kerkgenootschappen, privaatrechtelijke rechtspersonen of natuurlijke personen die bijzondere begraafplaatsen aanleggen, onderhouden of uitbreiden.
middel Ifaalt.
4.Beoordeling van middel II: wettelijke vrijstelling van omzetbelasting?
HR BNB 2006/164 [74] en
HR BNB 2006/165 [75] , waaraan de conclusie van mijn ambtsvoorganger De Wit is voorafgegaan, is aan de orde of het organiseren en leiden van uitvaartplechtigheden valt onder de vrijstelling van artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel h, Wet OB. De Hoge Raad beslist dat deze werkzaamheden behoren tot de diensten die kenmerkend en essentieel zijn voor de diensten die lijkbezorgers verrichten. Hiertoe neemt de Hoge Raad de daarmee corresponderende richtlijnbepaling tot uitgangspunt: [76]
HR BNB 2006/164en
HR BNB 2006/165is niet beslist welke diensten kenmerkend en essentieel zijn voor lijkbezorgers – buiten het organiseren en leiden van uitvaartplechtigheden – en evenmin of de exploitatie van begraafplaatsen behoort tot diezelfde diensten.
HR BNB 2015/181, [77] dat is gewezen na conclusie van mijn ambtsvoorganger Van Hilten en tussen belanghebbende en de Staatssecretaris. In dit arrest beslist de Hoge Raad de prealabele vraag of sprake is van een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking wanneer de Inspecteur een brief verzendt aan belanghebbende met het verzoek een beweerdelijk te hoge bijdrage uit het Bcf terug te betalen. De Hoge Raad oordeelt van niet en verwijst het geding naar de algemene bestuursrechter in eerste aanleg. [78]
Commissie/Frankrijk [79] , dat de vraag betreft of lijkenvervoer per wagen behoort tot de diensten door lijkbezorgers waarvoor Frankrijk een verlaagd tarief toepast. Het HvJ overweegt over deze diensten:
zoals gedenktekens en grafstenen, en het onderhoud daarvan;”
HR BNB 2006/164en
HR BNB 2006/165(zie onderdeel 4.10). Dat wordt naar mijn mening niet anders wanneer de Staatssecretaris in besluiten van zijn hand de diensten door exploitanten van begraafplaatsen duidt als vrijgestelde diensten onder verwijzing naar diezelfde totstandkomingsgeschiedenis (zie onderdeel 4.4). [92] Voorts verdedigt de Staatssecretaris dat de exploitatie van een begraafplaats dezelfde plaats inneemt als de exploitatie van een crematorium voor de heffing – of liever: vrijstelling – van omzetbelasting. Dat lijkt mij een ruime(re) uitleg van post 4 van Bijlage X, Deel B, Btw-richtlijn die niet volgt uit (een strikte uitleg van) de bewoordingen daarvan. Daarnaast verzetten volgens de Staatssecretaris doel en strekking van artikel 4, lid 1, aanhef en onderdeel b, Wet Bcf zich ertegen dat belanghebbende omzetbelasting mag compenseren, die anders blijft drukken bij een ondernemer die vergelijkbare prestaties verricht. Deze stelling gaat mijns inziens niet op, omdat zij ervan uitgaat dat de vergelijkbaar presterende ondernemer vrijgestelde prestaties verricht. Dat is naar mijn mening juist niet de uitkomst waartoe een richtlijnconforme uitleg van de vrijstelling voert.
middel IItevergeefs is voorgesteld.
5.Beoordeling van middel III: onbehandeld gebleven stelling(en)?
zijn vrijgesteld ingevolge artikel 11 van Pro de Wet[CE: Wet OB], beantwoordt het Hof ontkennend. Een enge uitleg van,
met name, het bepaalde in artikel 11, lid 1, aanhef en onder h, van de Wet bewerkstelligt dat de prestaties van belanghebbende niet vallen onder de diensten door lijkbezorgers. (…)”
middel IIIeveneens faalt. Daartoe leent zich mijns inziens de beperkte motivering die artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie toestaat.