Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelbehelst twee klachten. De eerste klacht, in samenhang met de toelichting bezien, begrijp ik aldus dat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het daarop gebaseerde arrest nietig zouden zijn aangezien het hof de zaak buiten aanwezigheid van de verdachte heeft behandeld, zonder dat het hof de dagvaarding nietig heeft verklaard of een bevel tot medebrenging heeft afgegeven terwijl het hof geen verstek heeft verleend. De tweede klacht ziet op het oordeel van het hof dat geen sprake is van een aanhoudingsverzoek. Gelet op het aan de rechtspraak van Uw Raad ten grondslag liggende uitgangspunt dat verstekverlening eerst aan de orde is nadat een aanhoudingsverzoek (op de juiste wijze) is beoordeeld [1] , bespreek ik eerst de tweede klacht.
NJ2019/66, ‘immers dat e-mailberichten/brieven die voorafgaand aan de zitting aan het hof worden toegestuurd wel degelijk als een verzoek om aanhouding (moeten) worden opgevat’. ‘Nu het hof het verzoek tot aanhouding ten onrechte niet als zodanig heeft aangemerkt en ook ter zitting geen uitdrukkelijke beslissing heeft genomen op dit verzoek, is het onderzoek ter terechtzitting en het daarop gebaseerde arrest nietig’, aldus de stellers van het middel.
NJ2019/286 m.nt. Mevis had de verdachte voorafgaand aan de zitting per e-mail verzocht om aanhouding. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch de bestreden uitspraak hield een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing in op het door de verdachte gedane verzoek tot aanhouding. Dat leidde tot cassatie. Uw Raad overwoog:
10. Aanhoudingen