Conclusie
eerste middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte gevolg heeft gegeven aan de inzending van de stukken door de rechtbank, aangezien de verdachte in het bij verstek gewezen vonnis integraal is vrijgesproken en het hoger beroep van de officier van justitie aan de verdachte niet was betekend.
Stb.2006, 470). De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot deze wet houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
tweede middelbevat de klacht dat het hof de zaak ten onrechte niet heeft teruggewezen naar de rechtbank. De steller van het middel verwijst naar HR 7 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0442, NJ 1996/557, m.nt. ’t Hart. Hij betoogt dat de politierechter ter terechtzitting niet aan de behandeling ten gronde had mogen toekomen omdat de verdachte aldaar niet was verschenen, terwijl hij niet op de bij wet voorgeschreven wijze op de hoogte was gebracht van de dag van de terechtzitting en zich evenmin een omstandigheid had voorgedaan waaruit voortvloeide dat die dag hem tevoren bekend was. Het hof had dit dienen op te merken en de zaak moeten terugwijzen naar de rechtbank, aldus de steller van het middel.