Conclusie
2.Inleidende beschouwingen
special drawing rightsof SDR’s, wordt weergegeven (zie art. 8).
verdragsstaataanhangig is.
Sherbro-arrest een ruime uitleg aan het begrip ‘rechtsgeding’ van art. 11 LLMC Pro gegeven en overwogen dat daaronder ook valt een verzoek tot het (mogen) treffen van rechtsmaatregelen door degene die pretendeert een voor beperking vatbare vordering te hebben, zoals het verzoek tot het leggen van conservatoir beslag met het oog op verhaal van die vordering of een verzoek tot het bevelen van een voorlopig getuigenverhoor met het oog op het verkrijgen van bewijs voor feiten die aan die vordering ten grondslag kunnen worden gelegd. [18] De Hoge Raad heeft zich daarbij onder meer gebaseerd op uitlatingen van de Minister van Justitie in de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer inzake het wetsvoorstel tot goedkeuring van het LLMC:
Sherbro-arrest van de Hoge Raad. Voldoende is dus dat rechtsmaatregelen zijn genomen, waarmee de betrokkene laat blijken vorderingsrechten te pretenderen. [21]
travaux préparatoiresvan het LLMC geen aanwijzing dat art. 11 lid 1 LLMC Pro bedoeld is om rechtsmacht te scheppen. [30] In de
travaux préparatoireswordt erop gewezen dat art. 11 LLMC Pro is ontleend aan art. V van het Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie. [31] Dat Verdrag bevatte echter nog een aparte rechtsmachtbepaling (art. IX), die inhield dat de rechter van het land waar de olieverontreiniging was ontstaan exclusief bevoegd was om van een schadevergoedingsactie kennis te nemen. Op grond van art. V kon bij die rechter vervolgens ook een fonds worden gevormd. [32] Een dergelijke afzonderlijke rechtsmachtbepaling ontbreekt in het LLMC.
kan in alle rechtsstelsels van de Gemeenschap ook anders dan bij wijze van verdediging worden aangevoerd. Als de eigenaar van een schip een aansprakelijkheidsvordering ziet aankomen, dan kan hij er belang bij hebben zelf in rechte te laten constateren dat hij voor de vordering alleen beperkt dan wel beperkbaar aansprakelijk is. Hij kan dan een van de rechters kiezen die op grond van de artikelen 2 tot en met 6 bevoegd zijn. Bij het gerecht van zijn woonplaats kan hij op grond van deze voorschriften niet terecht. Daar de vordering evenwel voor dit gerecht tegen hem zou kunnen worden ingediend, is het doelmatig hem ook deze mogelijkheid te bieden. Daarvoor dient artikel 6 bis Pro. Bovendien is dit, afgezien van het Verdrag van Brussel van 1952, het enige gerecht waarbij de scheepseigenaar al zijn vorderingen tot beperking van aansprakelijkheid op zinvolle wijze kan concentreren. Voor het Engelse recht (zie nr. 125) heeft dat ten gevolge dat bij dit gerecht ook het aansprakelijkheidsfonds kan worden opgericht en de verdelingsprocedure kan worden gevoerd. Artikel 6 bis Pro bepaalt subsidiair dat een individuele eis inzake aansprakelijkheidsbeperking van de scheepseigenaar ook kan worden ingesteld bij elke andere rechter bij wie de vordering kan worden ingediend. Tegelijkertijd machtigt het voorschrift de nationale wetgever om in plaats van de aldus bevoegde rechter een andere rechter op zijn grondgebied bevoegd te verklaren’.
3.Bespreking van het middel in het principale cassatieberoep
eersteklacht is gericht tegen rov. 5.1, waarin het hof heeft overwogen dat A Line c.s. met haar eerste vier grieven heeft betoogd dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft. Volgens de klacht heeft het hof een onbegrijpelijke uitleg aan de grieven gegeven. Het hof is er namelijk vanuit gegaan dat de grieven zich richten tegen het bevoegdheidsoordeel van de rechtbank, terwijl zij volgens A Line c.s. ook gericht waren op afwijzing van het verzoek van Stolt Tankers.
tweedeklacht is gericht tegen rov. 5.2, waarin het hof heeft geoordeeld dat A Line voorwaarden stelt aan het karakter van ‘legal proceedings’ en de hoedanigheid van wederpartij die deze ‘legal proceedings’ initieert, welke eisen niet in art. 11 lid 1 LLMC Pro zijn terug te vinden. De klacht valt in drie deelklachten (2.1-2.3) uiteen.
onder 2.1) betoogt dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van art. 11 lid 1 LLMC Pro. Het hof heeft miskend dat van ‘legal proceedings instituted in respect of claims subject to limitation’ niet steeds kan worden gesproken indien ‘formeel’ sprake is van het beginnen van een procedure over een voor beperking vatbare vordering. Aan het vereiste van dergelijke ‘legal proceedings’ is in ieder geval niet voldaan indien degene die de procedure start niet daadwerkelijk verhaal zoekt voor de (formeel) ingestelde vordering. Bij het ontbreken van reëel belang bij een vordering, is niet voldaan aan het vereiste van art. 11 lid 1 LLMC Pro, aldus de klacht.
Seawheel Rhine/Assi Eurolink, waarin de rechter een andersluidend oordeel heeft gegeven. [45] In die zaak lagen de feiten anders dan in de zaak die thans in cassatie aan de orde is, zodat de zaken niet geheel vergelijkbaar zijn. In de zaak
Seawheel Rhine/Assi Eurolinkwas reeds in Nederland een procedure tegen de scheepseigenaar aanhangig op het moment dat de Zweedse rechter een beperkingsverzoek van de scheepseigenaar honoreerde op de grond dat tegen haar een arbitrageprocedure in Zweden was begonnen. De Rotterdamse voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de toewijzende beslissing van de Zweedse rechtbank in Nederland niet kon worden erkend, onder meer omdat de Zweedse rechter in strijd met art. 11 lid 1 LLMC Pro het beperkingsverzoek had toegewezen op grond van het aanhangig maken van de arbitrageprocedure in Zweden, terwijl in een andere Verdragsstaat reeds een rechtsgeding aanhangig was. Het hof heeft dit oordeel bekrachtigd. [46] De Hoge Raad heeft de beschikking van het hof vernietigd, omdat bij de erkenning van de beslissing van de Zweedse rechter over de fondsvorming de bevoegdheid van de Zweedse rechter op grond van art. 35 lid 3 EEX Pro-Verordening (nr. 44/2001) niet mocht worden getoetst en in geen geval mocht worden overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in Zweden gegeven beslissing (art. 36 EEX Pro-Verordening (nr. 44/2001)). [47]
onder 2.2) betoogt dat het oordeel van het hof in rov. 5.2 in strijd is met het aan art. 11 lid 1 LLMC Pro ten grondslag liggende uitgangspunt dat een scheepseigenaar niet zelf een limitatiefonds kan vormen, maar het initiatief van zijn wederpartij moet afwachten. Het oordeel zou daarmee in strijd zijn, omdat een door Stolt Tankers gevormd beperkingsfonds op grond van art. 11 lid 3 jo Pro. art. 9 LLMC Pro wordt geacht mede te zijn gevormd door Stolt Commitment. Daarmee heeft Stolt Commitment in wezen haar eigen forum kunnen kiezen, aldus de klacht.
onder 2.3) vermeldt een aantal stellingen die A Line c.s. hebben ingenomen ter onderbouwing van haar betoog dat in dit geval geen sprake is van een rechtsgeding in de zin van art. 11 lid 1 LLMC Pro. A Line c.s. noemen, kort samengevat, de volgende stellingen:
onder 2.4) is gericht tegen rov. 5.3 en de slotzin van rov. 6. Het onderdeel faalt, omdat – anders dan de klacht betoogt – uit rov. 5.3 en 6 niet is af te leiden dat het hof zou hebben miskend dat art. 11 lid 1 LLMC Pro voor fondsvorming in een verdragsstaat vereist dat in die staat een rechtsgeding aanhangig is gemaakt. Het hof heeft immers vastgesteld dat Stolt Commitment in Nederland een arbitraal geding is gestart tegen Stolt Tankers.
onder 3.1) betoogt dat het hof heeft miskend dat art. 11 lid 1 LLMC Pro wel degelijk een rechtsmachtbepaling is, omdat het bepaalt dat beperking slechts mogelijk is in het land waar reeds een rechtsgeding is aangevangen. In mijn inleidende beschouwingen heb ik het rechtskarakter van art. 11 LLMC Pro uiteengezet en vermeld dat art. 11 LLMC Pro geen rechtsmachtbepaling is (zie onder 2.9-2.11). Ik volsta met verwijzing naar die uiteenzetting. De klacht faalt dus.
onder 3.2) betoogt dat het hof in rov. 5.3 heeft miskend dat art. 9 Brussel Pro I-bis niet van toepassing is op de Nederlandse gecombineerde procedure tot beperking van aansprakelijkheid en tot fondsstelling. Volgens de klacht kan de Nederlandse rechter aan art. 9 Verordening Pro Brussel I-bis geen rechtsmacht ontlenen en kan evenmin de rechtbank Rotterdam worden aangemerkt als bevoegde rechter.
bis-Verordening, dat mede bevoegd verklaart ‘elk ander gerecht dat volgens het interne recht van deze lidstaat in zijn plaats treedt’, laat evenwel ruimte om voor een aldus vormgegeven beperkingsverzoek de bevoegdheidsregeling van het interne recht te benutten. Als ander gerecht in de zin van bedoeld artikel 9 is Pro naar Nederlands recht (daarom) de Rotterdamse rechtbank aan te merken; artikel 642a, lid 1, Rv wijst die rechtbank aan als forum voor de hier te lande geldende procedure voor aansprakelijkheidsbeperking in combinatie met fondsvorming. Die aanwijzing gold in de destijds geldende versie van dat artikel ook voor het onderhavige beperkingsverzoek. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank evenwel terecht op grond van die bepaling haar bevoegdheid aangenomen. Zoals de rechtbank overwoog past het ook binnen het – mede door genoemd artikel 9 vormgegeven Pro – stelsel van de Brussel I
bis-Verordening dat een in Nederland gevestigde scheepseigenaar een naar Nederlands recht gemodelleerd beperkingsverzoek bij de Nederlandse rechter aanhangig maakt. (…)’.
onder 3.3) betoogt dat het hof heeft miskend dat art. 9 Verordening Pro Brussel I-bis niet zo kan worden uitgelegd dat de rechter van de woonplaats van de reder altijd bevoegd is om van een beperkingsverzoek kennis te nemen. Volgens de klacht heeft het hof miskend dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter in dit geval in strijd is met de strekking van art. 9 Verordening Pro Brussel I-bis, te weten doelmatigheid en concentratie van procedures. De klacht voert aan dat reeds een procedure ten gronde in Noorwegen aanhangig was over de vorderingen waarop de aansprakelijkheidsbeperking betrekking heeft, voordat in Nederland een verzoek tot fondsvorming werd gedaan.
vierde klachtis gericht tegen rov. 5.4, waarin het hof heeft overwogen dat art. 11 lid 1 LLMC Pro alleen ziet op het verzoek tot het stellen van een zakenfonds en niet geldt voor het stellen van een wrakkenfonds.