Uitspraak
gevestigd te Singapore, Singapore,
gevestigd te [vestigingsplaats] , en haar vennoten:
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] , en
gevestigd te Meppel,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
Article 2.
Zie voor die maatstaven HR 24 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2992, rov. 3.4.2.
Die vorderingen worden blijkens de opzet en inhoud van het artikellid bepaald door het onderwerp van de vordering zoals daarin omschreven onder a tot en met f. Uit de tekst van in het bijzonder de aanhef van art. 2 lid Pro 1 (“whatever the basis of liability may be”), en de eerste volzin van lid 2 (“even if brought by way of recourse or for indemnity under a contract or otherwise”) volgt – zoals het hof terecht heeft geoordeeld in rov. 15 – dat de grondslag van de vordering daarbij niet terzake doet. Een vordering valt dus onder art. 2 lid 1 LLMC Pro als het onderwerp ervan onder (een van) de omschrijvingen van art. 2 lid 1 LLMC Pro is te brengen, ongeacht de grondslag van de vordering.
www.comitemaritime.orgte vinden) Travaux Préparatoires (p. 74 e.v.). De omschrijving van vorderingen in deze onderdelen omvat evenwel onmiskenbaar meer dan uitsluitend de opruiming van ‘wrakken’ in de gangbare, taalkundige zin (van voorwerpen die hun economische waarde hebben verloren). Die omschrijving luidt immers ‘claims in respect of the raising, removal, destruction or the rendering harmless of a ship which is sunk, wrecked, stranded or abandoned’ (onder d) en ‘claims in respect of the removal, destruction or the rendering harmless of the cargo of the ship’ (onder e) of, uitgaande van de vertaling door de wetgever in art. 8:752 lid 1 BW Pro, ‘vorderingen ter zake van het vlotbrengen, verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van een zee- of binnenschip dat is gezonken, schipbreuk heeft geleden, gestrand of verlaten is’ (onder d) en ‘vorderingen ter zake van het verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken van de lading van het schip’ (onder e).
De primaire klacht van het onderdeel, voor zover gebaseerd op de hiervoor in 3.6.1 tweede alinea vermelde opvatting, is dus ongegrond.
4.Beslissing
2 februari 2018.