Conclusie
Smallstepsvan het Hof van Justitie. [1] Die uitspraak heeft veel stof doen opwaaien. Er bestaat onzekerheid of de Nederlandse pre-pack nog mogelijk is als niet al het personeel wordt overgenomen. Deze zaak biedt uw Raad gelegenheid daarover duidelijkheid te geven.
1.Feiten
Heiploeg-oud): [3]
Doel van de regeling
Heiploeg-nieuw.
2.Procesverloop
FNV) en CNV Vakmensen (hierna:
CNVen tezamen met FNV:
de bonden) Heiploeg-nieuw gedagvaard voor de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen.
primairrichtlijn 2001/23/EG op de doorstart van Heiploeg-oud van toepassing is en de werknemers van Heiploeg-oud op grond van art. 7:662 e.v. BW met behoud van hun arbeidsvoorwaarden bij Heiploeg-nieuw in dienst zijn getreden; en
subsidiair, voor zover richtlijn 2001/23/EG niet van toepassing is, de artikelen 7:662 e.v. BW desalniettemin van toepassing zijn, nu het zwaartepunt van de verkoop van de activa van Heiploeg-oud bij de pre-pack duidelijk lag vóór het faillissement van Heiploeg-oud.
vanwege betrokkenheid” bij de procedure voor verdere behandeling verwezen naar de rechtbank Overijssel, locatie Almelo (hierna:
de rechtbank).
het hof). Bij tussenarrest van 2 mei 2017 (hierna:
het tussenarrest) heeft het hof de zaak aangehouden tot na het arrest van het Hof van Justitie in de zaak
Smallsteps. [14] Het hof overwoog dat het antwoord op de prejudiciële vragen in die zaak ook relevant kon zijn voor de zaak Heiploeg.
Smallstepshad gewezen en partijen zich daarover bij akte hadden kunnen uitlaten, geeft het hof bij eindarrest van 17 juli 2018 (hierna:
het eindarrest) daarvan de volgende samenvatting: [15]
Smallsteps-voorwaarde’.
Smallsteps-voorwaarde is voldaan, omdat de overeenkomst met de verkrijger onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie is gesloten (rov. 2.12).
pre-packaged insolvency sale) is vanuit de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk komen overwaaien. Zij past in een ontwikkeling om oplossingen te zoeken die zijn gericht op het behoud van economisch levensvatbare onderdelen van de failliete onderneming. De pre-pack wordt sinds 2011 in Nederland toegepast. Tot nu toe ontbreekt daar echter een wettelijke grondslag voor. [18]
WCO I) ingediend. [24] Dat is een jaar later door de Tweede Kamer aangenomen. [25] De behandeling in de Eerste Kamer ligt al enige tijd stil. Ik kom daar in hoofdstuk 6 op terug.
4.Juridisch kader: werknemersbescherming bij overgang van onderneming
Regelgeving
de Richtlijn) vormt een codificatie van richtlijn 77/187/EEG, zoals gewijzigd, en is de thans geldende richtlijn. [28]
de beschermingsbepalingen.
lidstaten anders bepalen”. Doet een lidstaat dat, dan biedt lid 2 van art. 5 van Pro de Richtlijn de mogelijkheid te bepalen dat de beschermingsbepalingen ook van toepassing zijn op een overgang in een faillissementssituatie. In dat geval gaan de werknemers van de failliete onderneming van rechtswege over op de verkrijger, waarna onder omstandigheden de arbeidsvoorwaarden kunnen worden aangepast. Voor zover hier van belang luidt art. 5 lid 2 als Pro volgt:
Abels, [31] een Nederlandse zaak, voor het eerst uitgelaten over de toepasselijkheid van de beschermingsbepalingen bij overgang van onderneming in het kader van een faillissementsprocedure. Het oordeelde dat richtlijn 77/187/EEG niet van toepassing is op de overgang van ondernemingen die plaatsvindt “
in het kader van een faillissement, dat gericht is op de vereffening van het vermogen van de vervreemder onder toezicht van de bevoegde rechterlijke instantie.” [32]
D’Urso [33] betreft een Italiaanse wet over het bijzonder bewind van grote ondernemingen in moeilijkheden. Onder verwijzing naar het arrest
Abelsoverweegt het Hof van Justitie uitdrukkelijk dat “
het doel dat met de betrokken procedure wordt beoogd” het beslissende criterium is voor het antwoord op de vraag of richtlijn 77/187/EEG van toepassing is op de overgang van een onderneming. [34]
het doel, de consequenties en de risico’s” van een gedwongen administratieve vereffening vergelijkbaar met een faillissement. De procedure strekt dan tot “
vereffening van het vermogen van de schuldenaar met het oog op uitbetaling aan de gezamenlijke schuldeisers”. In dat geval valt de procedure niet onder richtlijn 77/187/EEG. [35] Indien echter het besluit tot toepassing van de procedure van bijzonder bewind “
tevens voorziet in voortzetting van de werkzaamheid van de onderneming onder leiding van een commissaris die met het bijzonder bewind is belast”, dan heeft de procedure primair tot doel om de onderneming in een zodanig evenwicht te brengen dat haar continuïteit is verzekerd. Indien de onderneming dan geheel of gedeeltelijk wordt overgedragen, bestaat er geen rechtvaardiging de werknemers de rechten te ontnemen die de richtlijn hun toekent.
de voorwaarden te creëren voor het herstel van de economische en financiële situatie van de onderneming, en vooral voor het behoud van de werkgelegenheid.” Anders dan bij een faillissementsprocedure worden de in moeilijkheden verkerende ondernemingen niet onder rechterlijk toezicht geplaatst. Bovendien worden geen maatregelen inzake vermogensbeheer genomen en voorziet de regeling niet in uitstel van betaling. Het Hof van Justitie concludeert op basis van deze omstandigheden dat de betrokken procedure “
niet het oog op de liquidatie van die onderneming [heeft], maar […] er integendeel toe [strekt] de voortzetting van haar activiteit te verzekeren met het oog op een latere overname.” [37]
Dethier Équipement [38] heeft het Hof van Justitie zijn benadering met betrekking tot de toepasselijkheid van richtlijn 77/187/EEG op de overgang van ondernemingen verder ontwikkeld. Het draaide in deze Belgische zaak om de vraag of de richtlijn van toepassing is op de overgang van een onderneming in gerechtelijke vereffening.
Abels,
D’Ursoen
Spano:
Europiècesgewezen
. [40] Daarin ging het om een vrijwillige vereffeningsprocedure. Het Hof van Justitie oordeelt dat de redenen waarom in het arrest
Dethier Équipementde beschermingsbepalingen van toepassing werden geacht op de overgang tijdens een
gerechtelijkevereffening, te meer gelden wanneer een onderneming in
vrijwilligevereffening verkeert. [41]
Smallsteps, dat in deze zaak centraal staat.
5.Het arrest Smallsteps: uitleg en toepassing
Feiten en beslissing
Smallstepsgaat over het faillissement en de doorstart door middel van een pre-pack van Estro Groep B.V. (hierna:
Estro), een grote kinderopvangorganisatie. Vanaf november 2013 werd voorzienbaar dat Estro zonder additionele financiering in de zomer van 2014 niet meer aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Een zoektocht naar financiering leverde niets op, waarna Estro een doorstart uit faillissement heeft voorbereid die moest plaatsvinden op basis van drie uitgangspunten: (i) een doorstart van 243 van de 380 centra, (ii) behoud van werkgelegenheid van 2.500 van de circa 3.600 werknemers en (iii) continuïteit van de dienstverlening in juli 2014. Estro heeft in het kader van de doorstart uitsluitend contact gehad met een zusteronderneming van haar belangrijkste aandeelhouder, derhalve een aan Estro gelieerde partij.
niet kan worden aangemerkt als een faillissementsprocedure of een soortgelijke procedure met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie in de zin van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23.” [44]
noodzakelijkerwijs strikt” moet worden uitgelegd, omdat de daarin opgenomen uitzondering tot gevolg heeft dat de bescherming van werknemers in bepaalde gevallen van een overgang van onderneming in beginsel niet geldt en daarmee afwijkt van het hoofddoel van de Richtlijn. [45] Genoemde bepaling is slechts van toepassing indien is voldaan aan drie (cumulatieve) criteria:
D’Ursoen
Spano– dat een procedure die de voortzetting van de activiteit van de betrokken onderneming beoogt “
vanzelfsprekend niet” voldoet aan het vereiste dat de procedure met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder wordt ingeleid. Daarop laat het Hof van Justitie volgen (mijn onderstreping):
Ook al is het niet uitgesloten dat er een zekere overlapping kan zijn tussen die twee doelen die een bepaalde procedure nastreeft, het hoofddoel van een procedure die de voortzetting van de activiteit van de onderneming beoogt, blijft in elk geval het behoud van de betrokken onderneming.
Smallstepshet behoud van de failliete onderneming het hoofddoel was (wat formeel door de nationale rechter feitelijk moet worden vastgesteld), is aan de tweede voorwaarde voor toepasselijkheid van de faillissementsuitzondering niet voldaan.
derde voorwaarde, dat de procedure onder toezicht moet staan van een bevoegde overheidsinstantie, is evenmin voldaan. Hiertoe overweegt het Hof van Justitie dat de overname:
pre-pack, in het kader waarvan een door een rechtbank aangestelde „beoogd curator” met name de mogelijkheden onderzoekt van een eventuele voortzetting van de activiteiten van die onderneming door een derde en zich voorbereidt op handelingen die onmiddellijk na de faillietverklaring moeten worden verricht teneinde die voortzetting te verwezenlijken. In dat verband is niet relevant dat de
pre-packtevens de maximalisatie van de opbrengst van de overdracht voor alle schuldeisers van die onderneming beoogt.”
Plessers/Prefacovan 16 mei 2019 worden de drie in
Smallstepsgeformuleerde voorwaarden herhaald. [48] Die zaak ging over de Belgische procedure van reorganisatie onder gerechtelijk gezag. Volgens het Hof van Justitie voldoet die procedure aan geen van de drie voorwaarden van art. 5 lid 1 van Pro de Richtlijn. [49]
Smallstepsis met name bij insolventiespecialisten ingeslagen als een bom. Ik acht het nuttig dat uw Raad van de talrijke noten en andere commentaren bij dit arrest kennisneemt en zal daarom een groot aantal auteurs citeren. Ik ben echter zo vrij om eerst een poging te doen om mijn eigen duiding van het arrest te geven.
Smallstepsniet nieuw. Nieuw is wel dat is uitgemaakt dat de faillissementsuitzondering niet van toepassing is op een pre-pack Nederlandse stijl, waarin reeds vóór de faillietverklaring een beoogd curator met name de mogelijkheden onderzoekt van een eventuele voortzetting van de activiteiten van de onderneming door een derde, en dat in dat kader niet relevant is dat de pre-pack tevens beoogt de opbrengst van de overdracht voor alle schuldeisers van die onderneming te maximeren. Het arrest is in zoverre duidelijk. De gevolgen lijken verstrekkend. De verplichting van de koper om alle werknemers over te nemen tegen dezelfde arbeidsvoorwaarden zal in de meeste gevallen aan een succesvolle doorstart in de weg staan.
eerstevraag betreft de reikwijdte van het arrest. Is alleen een oordeel gegeven over de pre-pack in
Smallstepsof is beslist over het lot van de Nederlandse pre-pack in het algemeen? Strikt genomen alleen het eerste. Het Hof van Justitie legt in een prejudiciële procedure alleen het Unierecht uit en doet dat op basis van de door de verwijzende rechter aangereikte feiten. Dit verklaart m.i. waarom in het arrest
Smallsteps(gebruikelijke) passages staan als: “
een pre-pack zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is” (punt 49), “
onder deze omstandigheden en onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter” (punt 50), en “
zoals uit het dossier bij het Hof blijkt” (punt 54) en, nogmaals, “
een situatie zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is” (punt 59 en dictum). Tegelijkertijd is duidelijk dat de verwijzende rechter in
Smallstepsnog maar weinig zelfstandig zou kunnen beslissen omdat het Hof van Justitie had beslist dat aan de tweede en derde voorwaarde van art. 5 lid 1 van Pro de Richtlijn niet was voldaan. In de praktijk is het arrest
Smallstepsdaarom bepalend voor andere geschillen over pre-packs die dezelfde kenmerken vertonen als de pre-pack in
Smallsteps(zie punt 59 en het dictum). De nationale rechter moet zich er in een voorkomend geval van vergewissen of die kenmerken zich voordoen. In zoverre spelen de omstandigheden van het concrete geval bij de te maken beoordeling een rol. Indien echter de overgang van een failliete onderneming plaatsvindt op een vergelijkbare manier als in
Smallsteps, kan de nationale rechter gelet op dat arrest in beginsel niet oordelen dat wél is voldaan aan de drie voorwaarden van de faillissementsuitzondering.
tweedevragencomplex heeft betrekking op het onderscheid tussen de twee onderscheiden doelen van een faillissementsprocedure: de liquidatie van het vermogen van de vervreemder of de voorzetting van de onderneming. Het is niet zonder meer duidelijk wat hier precies met ‘liquidatie’ wordt bedoeld. Deze term heeft de connotatie van een definitief einde: alle vermogensbestanddelen worden te gelde gemaakt en de failliete onderneming houdt op te bestaan. ‘Liquidatie’ kan echter ook zien op de verkoop van de vermogensbestanddelen van de failliete onderneming, die daardoor (deels) overgaat in andere handen. [50] In zoverre kan dan ook een overlap tussen beide doelen bestaan. Daartussen is het dan niet of/of maar eerder en/en, zoals m.i. ook volgt uit het arrest
Smallsteps(punt 48 laatste zin).
derdevraag rijzen: hoe moet worden bepaald welk doel de doorslag geeft? Als het antwoord op die vraag in overwegende mate afhangt van het subjectieve oogmerk van de betrokken partijen dan lijkt mij dat een minder gelukkig criterium. Zo kan het voorkomen dat de betrokken partijen bewust spreken van ‘liquidatie om een maximale opbrengst voor de schuldeisers te realiseren’, terwijl de feitelijke gang van zaken erop wijst dat van meet af aan naar een doorstart is toegewerkt. Ik zou menen dat vooral de feitelijke gang van zaken bepalend is als het doel van de procedure moet worden vastgesteld. In het arrest
Smallstepsheeft het Hof van Justitie bepaald dat het aankomt op het ‘hoofddoel’ (punt 48). Het hoofddoel van de procedure is bepalend voor de beoordeling of is voldaan aan de tweede voorwaarde van de faillissementsuitzondering. Vertoont een procedure de kenmerken omschreven in punt 59 van het arrest, dan is het hoofddoel de voortzetting van de onderneming en is het niet relevant als
tevensde maximalisatie van de opbrengst voor alle schuldeisers wordt beoogd (punt 59, laatste zin). In dat geval dient het faillissement immers geen zelfstandig liquidatiedoel.
vierdevraag tot slot is van systematische aard: wat is nog het nut van de faillissementsuitzondering als deze alleen kan opgaan als de failliete onderneming
nietwordt voortgezet? Immers, als zich geen overgang van onderneming in de zin van de Richtlijn voordoet, zijn de beschermingsbepalingen niet van toepassing en is een uitzondering voor overgang in het kader van faillissementsprocedures overbodig. De pleitbezorgers van een enge uitleg van het arrest
Smallstepshanteren veelvuldig dit argument, dat evenwel niets af kan doen aan de door het Hof van Justitie gemaakte in het arrest
Smallstepsgemaakte keuze.
Smallstepsde pennen in beweging gebracht. Diverse auteurs wijzen erop dat uit het arrest niet duidelijk blijkt wat het Hof van Justitie onder een pre-pack verstaat, omdat het de termen ‘pre-pack’, ‘transactie’ en ‘procedure’ op een onduidelijke wijze door elkaar gebruikt. [51] Ook wordt opgemerkt dat het Hof van Justitie in punt 50 van het arrest concludeert dat de procedure die leidt tot een pre-pack uiteindelijk niet de liquidatie van de
ondernemingbeoogt, terwijl art. 5 lid 1 van Pro de Richtlijn spreekt van een procedure met het oog op de liquidatie van
het vermogen van de vervreemder(zoals ook staat in punt 44 van het arrest). Daarnaast merken enkele auteurs op dat in de Nederlandse taalversie van het arrest in punt 44 valt te lezen dat de procedure moet zijn
ingeleidmet het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder, terwijl in de Franse, Duitse en Engelse taalversie wordt gesproken over het
ingesteldzijn van de procedure. [52]
Smallstepskan er echter moeilijk serieuze begripsverwarring zijn. M.i. doelt het Hof van Justitie met het woord ‘transactie’ op de procedure en niet op de onderliggende activa-transactie zelf. Het onderscheid tussen ‘ingeleid’ en ‘ingesteld’ is zonder betekenis, nog daargelaten dat in de betrokken zin in punt 44 het accent ligt op het
doelvan de ingeleide faillissementsprocedure. [53] Tot slot: tussen “
de liquidatie van het vermogen van de vervreemder” (de tekst van art. 5 lid Pro 1) en “
de liquidatie van de onderneming” bestaat inderdaad een onderscheid. Toch is voldoende duidelijk wat het Hof van Justitie bedoelt: als het doel van de procedure is dat een onderneming wordt voortgezet – op wat voor wijze en langs welke weg dan ook – dan is er geen reden werknemers de bescherming van de Richtlijn te ontzeggen. In oudere arresten over de Richtlijn sprak het Hof van Justitie overigens ook al van ‘liquidatie van de onderneming’. [54]
Smallstepshet doek is gevallen voor de Nederlandse pre-pack. Een kleiner aantal auteurs, overwegend insolventiespecialisten, ziet dat heel anders. Echt zwart-wit is het beeld overigens niet; een enkele auteur neemt min of meer een middenpositie in.
Smallstepsvolgt dat de beschermingsbepalingen bij overgang van onderneming (‘ovo’) van toepassing zijn op de Nederlandse pre-pack. Het gaat om de volgende auteurs:
lawyers paradisete worden.”
prepack-opzet maakt – of maakte? – dat de voorbereiding van een transactie voor faillissement, en de snelle uitvoering van die transactie na faillissement, onlosmakelijk met elkaar verbonden raken. Noodlottig zelfs, zo heeft het HvJ EU beslist. Want de op voortzetting van activiteiten gerichte procedure die vóór faillissement wordt gestart, besmet
de jurehet deel dat na faillissement plaatsvindt. Men zou om in de metafoor te blijven, kunnen zeggen: de rups blijft gewoon een rups en wordt geen vlinder meer: het zware regime van behoud van werknemersrechten bij ovo blijft van kracht.”
Smallstepsheeft het Hof van Justitie geoordeeld dat een gepre-packte doorstart niet onder de uitzondering op de Richtlijn 2001/23/EG valt. Dit betekent dat na een gepre-packte doorstart alle werknemers van de (failliete) vervreemder van rechtswege overgaan op de verkrijger, met behoud van arbeidsvoorwaarden.”
ContinuïteitOndernemingen I niet resulteert in een overgang van onderneming. Het betekent mijns inziens ook dat deze conclusie niet als een verrassing mag komen, gezien de eerdere jurisprudentie van het Hof inzake d’Urso en Spano waar het Hof naar verwees.”
Smallstepsis van grote betekenis en heeft ingrijpende gevolgen. De beoogde wet Continuïteit ondernemingen I, die de
pre-packmoet reguleren, heeft geen bestaansrecht meer. (…) Niet de minste zorg betreft de vraag naar de mogelijke uitstraling van het arrest van het Hof op allerhande doorstartscenario’s in komende faillissementen, ook die waar geen
pre-packaan de orde is. De vrees is reëel dat het fenomeen doorstart uit faillissement (op termijn) in zijn geheel ‘besmet’ raakt. Reden voor de werkgever om nu al – met spoed, gelet op de groeiende rechtsonzekerheid – te kiezen voor koerswijziging: werknemersbescherming bij doorstart blijft in principe gehandhaafd, maar met verzachtende flankerende maatregelen.”
Smallsteps-zaak heeft zeker gevolgen voor de tot op heden gangbare pre-packpraktijk. In hoeverre de pre-pack aan aantrekkelijkheid inboet zal afhangen van de omstandigheden van het geval. In ieder geval maakt de uitspraak duidelijk dat de (Nederlandse) pre-packpraktijk onder het toepassingsbereik van Richtlijn 2001/23/EG valt en daarmee het uitgangspunt is dat in beginsel alle werknemers in dienst van de vervreemder overgaan naar de verkrijger, met behoud van hun arbeidsvoorwaarden. Dit heeft gevolgen voor de ontslagpraktijk rondom een pre-pack. Ondernemingen zullen goed moeten nagaan in hoeverre een pre-pack (nog steeds) voordelen met zich brengt.”
Smallstepsvoor de pre-packs die hebben plaatsgevonden is nog geenszins beslist. Het antwoord zal (…) afhangen van de per zaak verschillend liggende feiten en omstandigheden.
Smallstepsgeeft slechts het juridisch kader. Het lijkt niet uitgesloten dat het HvJ er nog aan te pas moet komen om opheldering te geven over aan het oordeel in
Smallstepsgerelateerde (sub)vragen.”
Smallstepsruimte zien voor de pre-pack:
Abels-arrest met betrekking tot de surseance en het daaropvolgende faillissement – het op de pre-pack volgende faillissement niet als ‘separate’ (insolventie)procedure ziet, maar de pre-pack ziet als het gehele traject vanaf de voorbereidingsfase tot het deel van het traject (de realisatie van de doorstart) dat na de faillietverklaring ligt. Of een faillissement wordt voorafgegaan door een pre-pack verandert naar onze mening echter
Smallsteps-casus sprake is van een (separaat) faillissement – waardoor de Richtlijn überhaupt toepassing mist – oordeelt het Hof van Justitie naar onze mening niet in lijn met de eerdere jurisprudentie en met de tekst van artikel 5 Richtlijn Pro én zorgt het Hof van Justitie voor aanzienlijke onnodige onduidelijkheid.”
het vermogen van de schuldenaar (de vervreemder)en liquidatie
van de onderneming. Dat is, zacht uitgedrukt, ongelukkig, want raakt in meerdere opzichten de kern van de zaak. Het Hof overweegt dat een dergelijke transactie (waarmee waarschijnlijk wordt bedoeld het voorbereide faillissement, maar ook hier formuleert het Hof onzuiver) ‘uiteindelijk niet de liquidatie van de onderneming beoogt’, hetgeen volgens hem maakt dat er geen grond is de regels van overgang van onderneming niet van toepassing te verklaren. En hier gaat het mis. Het criterium is uiteraard niet of al dan niet de liquidatie van de onderneming wordt beoogd. Als de onderneming wordt geliquideerd, wordt zij beëindigd en worden de activa stuksgewijs, althans niet als (deel van een) onderneming verkocht. Dan gaat de onderneming dus niet over en kan er geen discussie bestaan over de vraag of de regels van overgang van onderneming toepassing moeten vinden. De kwestie kan pas opkomen als de onderneming
nietwordt geliquideerd. Want slechts als de onderneming wordt gecontinueerd, kan zij overgaan. En slechts dan kan de vraag opkomen onder welke omstandigheden het gerechtvaardigd is dat de regels van overgang van onderneming niet van toepassing zijn.
Estro-arrest is de uitzondering van artikel 5 lid 1 van Pro de richtlijn van toepassing, en zijn de regels van overgang van onderneming niet van toepassing, op een Nederlandse
pre-packdie goed wordt ingericht en uitgevoerd omdat:
pre-packdie door faillissement heen moet en daarmee onverkort aan het doel van faillissement moet voldoen;
Estro-arrest doet dan ook aan de noodzaak of de beoogde effectiviteit van WCO I niet af. Integendeel, het arrest vormt een additionele reden om WCO I in te voeren omdat met een uitdrukkelijke wettelijke grondslag voor het optreden van de beoogd curator en de beoogd rechter-commissaris in de voorfase aan het vereiste overheidstoezicht zonder meer zal zijn voldaan zonder dat daarvoor nadere maatregelen zijn vereist. (…)
Smallstepsis terug te zien in de manier waarop feitenrechters het arrest toepassen. In de woorden van Van der Neut: [73]
Smallsteps-voorwaarden aan de orde gekomen. De onderhavige zaak is daar één van. In een van de andere zaken,
Tuunte, ging het wel over de toepasselijkheid van de
Smallsteps-voorwaarden op een doorstart in faillissement maar was geen pre-pack toegepast. [74] Om die reden acht ik die zaak voor de onderhavige procedure minder interessant.
Smallstepswees – heeft de rechtbank Noord-Holland op verzoek van Bogra in het kader van een pre-pack een beoogd curator aangewezen, die – mogelijk minder toevallig – een dag later, op 23 juni 2017, zijn opdracht weer heeft neergelegd. Tussen 22 en 26 juni 2017 hebben besprekingen plaatsgevonden tussen Bogra en de Belgische investeringsmaatschappij Funico over een mogelijke overname van Bogra. Op 28 juni 2017 heeft de rechtbank aan Bogra surseance van betaling verleend, waarbij de eerder benoemde beoogd curator als bewindvoerder is aangesteld. Op 30 juni 2017 is de surseance van betaling omgezet in het faillissement van Bogra, met benoeming van de bewindvoerder als curator.
om een nieuw contract te krijgen bij de nieuwe eigenaren”. [76]
wezenlijk afwijkt” van de situatie zoals deze zich voordeed in
Smallsteps, omdat de overeenkomst tot stille bewindvoering al (na één dag) op 23 juni 2017 was beëindigd en de in
Smallstepsgestelde prejudiciële vragen expliciet zien op een situatie waarin sprake is van een pre-pack. Volgens het gerechtshof is ook geen ruimte voor analoge toepassing van
Smallsteps, omdat er geen “
tot in de kleinste details uitgewerkt plan klaar lag voor overdracht van de onderneming voordat Bogra failliet werd verklaard”, er geen sprake was van een uitvoering van de overdacht onmiddellijk na faillietverklaring en geenszins is komen vast te staan dat voorafgaand aan het faillissement met Funico op hoofdlijnen overeenstemming over de overdracht van de activa van Bogra is bereikt.
Smallstepsoverweegt het Hof van Justitie EU dat het doel van de faillissements- of soortgelijke procedure niet altijd duidelijk is en dat een dergelijke procedure ook twee doelen kan dienen, te weten continuering van de onderneming en liquidatie van het vermogen van de vervreemder. Deze doelen staan niet altijd lijnrecht tegenover elkaar en kunnen elkaar overlappen. In de onderhavige kwestie kan niet uit de feiten worden afgeleid dat het hoofddoel van het faillissement was de continuïteit van de onderneming. De enkele mededeling van [Y] en [Z] [bestuurders van de indirect aandeelhouder van Bogra; A-G] aan de managers van Bogra en RSN [het ook tot het Bogra-concern behorende Rouwservice Nederland; A-G] dat continuïteit voorop staat is daarvoor onvoldoende, de overige omstandigheden in aanmerking genomen. Het hof acht in dit verband van belang dat zowel de belastingdienst als de bank het vertrouwen in Bogra hadden opgezegd en dat de mededeling van [Y] en [Z] werd gedaan op 24 juni 2017, nog vóór de surseance van betaling op 28 juni 2017.”
in concretois ingeleid. Daarnaast doet deze formulering vermoeden dat als het faillissement onafwendbaar is, daarmee wordt voldaan aan de vereisten van art. 5 Richtlijn Pro 2001/23/EG. Een procedure kan echter ook bij een onafwendbaar faillissement zijn ingeleid met de intentie de onderneming voort te zetten. Om maar een voorbeeld te noemen: bij
Smallstepsleek het faillissement onafwendbaar en werd toch geoordeeld dat de procedure was ingeleid met het oog op de voortzetting van de onderneming. Deze constatering van het gerechtshof steunt mijns inziens dan ook op een verkeerde lezing van het
Smallsteps-arrest met als consequentie dat het gerechtshof het tweede vereiste uit het
Smallsteps-arrest in deze zaak te veel oprekt.”
Smallstepsop juiste wijze interpreteert: [82]
alleen al niet omdat geenszins is komen vast te staan dat met Funico(de doorstarter, IS)
voorafgaand aan het faillissement op hoofdlijnen overeenstemming over de overdracht van (de activa van) de onderneming was bereikt.” Relevant acht ik dit dus niet. Het hof wel, maar doorslaggevend kennelijk evenmin, getuige de woorden “
alleen al niet”. Van meer gewicht is dat ook het hof van oordeel is dat uit Smallsteps niet blijkt dat het HvJ de eerdere rechtspraak heeft willen verlaten. Het hof overweegt dat in de onderhavige kwestie niet uit de feiten kan worden afgeleid dat het hoofddoel van het faillissement was de continuïteit van de onderneming. In dit verband acht het hof van belang dat zowel de belastingdienst als de bank het vertrouwen in Bogra had opgezegd en dat de mededelingen van het management dat continuïteit vooropstaat, werden gedaan nog vóór de surseance van betaling. De opzegging van het vertrouwen van bank en belastingdienst zijn relevant nu daaruit volgt dat het faillissement hoe dan ook aanstaande was.”
Smallsteps-voorwaarden af. Aan de tweede voorwaarde is niet voldaan. De kantonrechter oordeelt dat de faillissementsprocedure is ingeleid met het oog op de doorstart van Princen TransMission en overweegt daartoe het volgende:
onderneming”. Dat is, het
Smallsteps-voorwaarde te soepel heeft uitgelegd: [88]
Heiploeg-arrest niet overtuigend.(…).
Smallstepsde overeenkomst tot doorstart “
tot in de kleinste details” geregeld was vóór faillissement, zodat “
onder deze omstandigheden” de werknemersbescherming in stand bleef.
Smallstepsop juiste wijze heeft geïnterpreteerd: [92]
6.Ontwikkelingen op wetgevend vlak
Wetsvoorstel WCO I
Smallstepsenige tijd stilgelegen. De Minister voor Rechtsbescherming had tijd nodig om over de eventuele gevolgen van het arrest voor de WCO I overleg te voeren met vertegenwoordigers uit de faillissementspraktijk, de klankbordgroep.
Smallsteps-uitspraak “
meer onduidelijkheid en daarmee rechtsonzekerheid is ontstaan over de vraag wanneer de uit de richtlijn voortvloeiende arbeidsrechtelijke bescherming bij overgang van onderneming nu wel of niet van toepassing is in geval van een doorstart in faillissement.” [93] Door deze onzekerheid zal het aantal situaties waarin gebruik zal worden gemaakt van de WCO I volgens de klankbordgroep beperkter zijn dan waarmee bij aanvang van het wetgevingstraject rekening werd gehouden. Er zijn echter situaties denkbaar waarop de uitspraak van het Hof van Justitie geen grote invloed heeft, zoals de situatie waarin het voorbereidingstraject niet is gericht op een doorstart of indien al het personeel wordt overgenomen. Volgens de klankbordgroep zou het een gemis zijn wanneer de WCO I niet al in deze situaties zou kunnen worden gebruikt. De minister heeft daarom verzocht om de behandeling van het wetsvoorstel voort te zetten.
het maatschappelijk onbehagen dat steeds vaker geuit wordt over de positie van werknemers bij een doorstart in faillissement.” [94]
Smallstepstot rechtsonzekerheid heeft geleid: [99]
Tuunte,
Bogra,
Princen TransMissionen
Heiploeg(waarbij wordt opgemerkt dat in die laatste zaak cassatieberoep is ingesteld) stelt de toelichting dat inmiddels “
meer helderheid” is ontstaan over de gevolgen van het arrest
Smallsteps, maar dat het tijd kost “
voordat de impact van de uitspraak volledig is uitgekristalliseerd” en de specifieke omstandigheden van het individuele geval bovendien beslissend blijven. [100]
pick and chooseeen uitgedund personeelsbestand samenstellen maar moet een selectiemethode toepassen.
7.Bespreking van het cassatiemiddel
Smallsteps-voorwaarden heeft toegepast. [108] Het bestaat uit vier onderdelen. Het
eersteen het
tweedeonderdeel richten zich tegen het oordeel van het hof dat de pre-packprocedure op liquidatie van het vermogen van Heiploeg-oud was gericht en niet op voortzetting van de activiteit van de onderneming van Heiploeg-oud. Het
derdeonderdeel bestrijdt het oordeel van het hof dat is voldaan aan het vereiste dat de pre-packprocedure onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie stond. Het
vierdeonderdeel klaagt dat het hof heeft verzuimd te beslissen op de subsidiaire vordering van de bonden en bevat een veegklacht.
Smallstepsniet kan worden afgeleid dat een vóór de faillietverklaring voorbereide doorstart in geen geval onder de uitzondering van art. 5 lid 1 van Pro de Richtlijn valt:
per definitie, althans behoudens bijzondere omstandigheden” niet is voldaan aan de tweede voorwaarde van art. 5 lid 1 van Pro de Richtlijn, inhoudende dat de procedure moet zijn gericht op liquidatie van het vermogen van de vervreemder.
Smallstepsblijkt, samengevat, dat een pre-pack
die de kenmerken vertoont van een pre-pack als omschreven in punt 59 en in het dictum van het arrest, als hoofddoel het voortzetten van de onderneming heeft. In die gevallen is niet voldaan aan de tweede voorwaarde voor toepasselijkheid van de faillissementsuitzondering. Dat geldt dus niet automatisch voor alle pre-packs.
Smallstepsvolgt dat de pre-pack vanwege zijn doel niet onder de uitzondering van artikel 5 lid 1 van Pro de Richtlijn valt. Een afzonderlijke toetsing aan de drie voorwaarden uit dat artikellid in concrete gevallen is niet meer nodig. Deze toetsing is – tenminste, wat de pre-pack betreft – immers reeds uitgevoerd door het HvJ EU.”
Smallstepsstrikt genomen alleen over de aan het Hof van Justitie in die zaak voorgelegde casus, maar is niettemin duidelijk dat het arrest medebepalend is voor de beoordeling van pre-packs in andere zaken met dezelfde kenmerken als in de zaak
Smallsteps. Dat betekent niet dat het Hof van Justitie moet worden geacht daarmee geschillen over vergelijkbare, laat staan alle pre-packs te hebben beslecht. Daartoe is het ook niet bevoegd. De nationale rechter moet die beslissing nemen. Hij dient te onderzoeken of de kenmerken van de pre-pack in
Smallstepszich voordoen in de door hem te beslissen zaak en vervolgens aan de hand van genoemd arrest beoordelen of aan de drie voorwaarden is voldaan. Het is dus niet zo dat er op dat punt voor de (nationale) rechter niets meer valt te oordelen, zoals FNV het wil doen voorkomen.
pièce de résistancevan het middel. Het ziet op rov. 2.9, 2.10 en 2.11 (zie hiervoor, 2.10) en is gekant tegen het oordeel van het hof in rov. 2.11 dat de faillissementsprocedure “
wel degelijk is ingeleid met het oog op de liquidatie van het vermogen van Heiploeg-oud”, zodat aan de tweede voorwaarde van art. 5 lid 1 van Pro de Richtlijn is voldaan. M.i. berust dit (gemengde) oordeel op een onjuiste opvatting omtrent het arrest
Smallstepsen kan het geen stand houden (zie met name
subonderdelen 2.2 en 2.3).
per definitiehet hoofddoel van de procedure was. Door hieraan geen (kenbare) aandacht te besteden heeft het hof zijn oordeel in elk geval onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
mogelijkerwijsals hoofddoel moet worden aangemerkt. Het hof had daarom moeten onderzoeken, na zijn vaststelling (in rov. 2.10) dat is gestreefd naar een zo hoog mogelijke opbrengst, of het doel niet
tevenswas de activiteit van de onderneming van Heiploeg-oud voort te zetten. Het hof heeft dit ten onrechte niet onderzocht en is daarmee van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan, althans zijn oordeel is onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
subonderdeel 2slaagt. Uit de in hoofdstuk 4 vermelde Europese rechtspraak vloeit voort dat, om te bepalen of de overgang van een onderneming die het voorwerp uitmaakt van een faillissements- of soortgelijke procedure binnen het toepassingsbereik van art. 5 lid 1 van Pro de Richtlijn valt, het beslissende criterium is
het doel dat met de betrokken procedure wordt beoogd. [109] In het arrest
Smallstepsis aan de hand van dit criterium geoordeeld dat een procedure die voortzetting van de activiteit van de betrokken onderneming beoogt, niet binnen het toepassingsbereik van art. 5 lid 1 van Pro de Richtlijn valt. [110] Het hof heeft in lijn met het door het Hof van Justitie aangelegde criterium onderzocht wat het (voornaamste) doel van de faillissementsprocedure was. In zoverre valt er op het arrest weinig aan te merken.
is ingeleid met het oog op de liquidatie van het vermogen van Heiploeg-oud” en zich kennelijk geen overlapping tussen de twee doelstellingen voordeed, berust m.i. op een onjuiste uitleg van het arrest
Smallsteps. Hoewel het doel van de procedure hier minder eenduidig was dan in de zaak
Smallsteps, waar de voortzetting van de onderneming van meet af aan uitdrukkelijk voorop stond, is het hof eraan voorbijgegaan dat de omstreden pre-pack in de kern de kenmerken vertoont die het Hof van Justitie hebben doen oordelen dat de pre-pack in zaak
Smallstepsniet aan de tweede voorwaarde voldeed (zie ook hierna bij subonderdeel 2.3). Door hier in tegengestelde zin te oordelen geeft het hof blijk van een onjuiste uitleg (en daarvan afgeleid: toepassing) van het arrest
Smallsteps. Althans kon het hof niet zonder nadere motivering, die ontbreekt, tot genoemd oordeel komen, zodat het oordeel ook niet toereikend is gemotiveerd. Daarom slaagt zowel de rechtsklacht als de motiveringsklacht van
subonderdeel 2.2.
tot een eindresultaat is onderhandeld”, en (iv) op het feit dat aan sommige werknemers van Heiploeg-oud al op de dag van het faillissement een arbeidsovereenkomst met Heiploeg-nieuw werd aangeboden. Uit die omstandigheden blijkt, aldus FNV, dat het doel is geweest een doorstart te realiseren. Het andersluidende oordeel van het hof is volgens FNV onbegrijpelijk, althans was een nadere motivering vereist waarom de procedure niet gericht was op voortzetting van de activiteit van de onderneming.
going concernte verkopen, maar leidt daar niet uit af dat het doel van de procedure tevens was het voortzetten van de onderneming. Het hof ziet daarin de bevestiging dat de procedure (uitsluitend) is ingeleid met het oog op de liquidatie van het vermogen van Heiploeg-oud. De gronden waarop het hof dat oordeel baseert zijn, samengevat, dat:
Doel van de regeling
Doorstartplannen
Dethier Équipementheeft het Hof van Justitie de modaliteiten van de procedure onderzocht omdat het doel van de procedure onvoldoende uitsluitsel gaf of een liquidatie werd nagestreefd. [115] Daaruit blijkt dat met name de vraag in hoeverre de werkzaamheid van de onderneming wordt voortgezet dan wel gestaakt in dat kader relevant is. Als de werkzaamheid van de onderneming tijdens de procedure wordt voortgezet, is de continuïteit van de exploitatie verzekerd wanneer de onderneming wordt overgedragen. In lijn met het voorgaande wijst de omstandigheid dat gedurende de pre-packprocedure de werkzaamheid van de onderneming is voortgezet erop dat de voortzetting van de onderneming is beoogd en de procedure dus niet uitsluitend is ingeleid met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder. In dat geval is er geen rechtvaardiging om de werknemers de bescherming op grond van de regels inzake de overgang van ondernemingen te onthouden.
going concernen slechts zou zien op een zogenaamde
piece meal(stuksgewijze) verkoop van de activa van de onderneming. In dat geval is er geen sprake van een overgang van een onderneming en mist een bepaling met de strekking dat de regels betreffende overgang van onderneming op een
piece mealverkoop niet van toepassing zijn, elke betekenis. [116] M.i. gaat deze redenering niet op: de faillissementsuitzondering van art. 5 lid 1 van Pro de Richtlijn kan wel degelijk van toepassing zijn op een verkoop
going concern, mits sprake is van een situatie waarin aan de hand van het doel van de procedure met voldoende zekerheid kan worden bepaald dat de procedure is ingeleid met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder. Dat dit slechts in een beperkt aantal situaties het geval is strookt met het uitgangspunt van het Hof van Justitie dat de uitzondering van art. 5 lid Pro 1 “
noodzakelijkerwijs strikt” moet worden uitgelegd en maakt de uitzondering nog niet zinledig. [117] Bovendien is het, zoals FNV terecht stelt, ook bij een
piece mealverkoop niet uitgesloten dat de verkochte onderdelen (een deel van) de onderneming vormen die overgaat. [118]
an sichen niet op de fase van de pre-pack voorafgaand aan de faillietverklaring.
subonderdeel 2.7klaagt FNV dat het onbegrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat de bonden de onafwendbaarheid van het faillissement niet hebben weersproken, omdat FNV dit bij gebrek aan voldoende informatie heeft betwist. Voor zover het hof deze betwisting onvoldoende (gemotiveerd) heeft geacht, heeft het aan de stelplicht van FNV te hoge eisen gesteld en is het daarmee van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. In
subonderdeel 2.8betoogt FNV dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan voor zover het de onafwendbaarheid van het faillissement van Heiploeg-oud heeft meegewogen bij de vraag of is voldaan aan de tweede voorwaarde van art. 5 lid 1 van Pro de Richtlijn.
Smallstepsaanknopingspunten biedt voor de opvatting dat de onafwendbaarheid van het faillissement een criterium vormt aan de hand waarvan (mede) moet worden bepaald met welk oogmerk de procedure is ingesteld. In het recente arrest
Plessers/Prefaco, waarin het Hof van Justitie het arrest
Smallstepsheeft bevestigd, wordt evenmin relevantie toegekend aan de al dan niet onafwendbaarheid van de procedure waarin de vervreemder is verwikkeld (zie hiervoor, 5.10). M.i. is de vraag of de procedure waarin de vervreemder is verwikkeld onafwendbaar was dan ook niet relevant voor het bepalen van het doel waarmee de procedure is ingeleid.
subonderdeel 2.8moet daarom falen bij gebrek aan feitelijke grondslag.
subonderdeel 2.7gaan uit van de premisse dat het hof de onafwendbaarheid van het faillissement van Heiploeg-oud wél in zijn beoordeling heeft meegenomen. Uit het voorgaande volgt dat dat niet het geval is. FNV heeft derhalve geen belang bij haar klachten in subonderdeel 2.7.
going concern, niet gemotiveerd hebben betwist. FNV acht dit oordeel om diverse redenen onbegrijpelijk, waarbij zij verwijst naar vindplaatsen in de processtukken.
subonderdeel 3.1dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan voor zover het bij zijn oordeel doorslaggevend heeft geacht dat de
overeenkomstonder toezicht van een overheidsinstantie is gesloten. Daarmee heeft het hof miskend dat de
procedureonder een dergelijk toezicht moet staan, aldus FNV.
procedureonder toezicht moet staan van een bevoegde overheidsinstantie. Daarmee strookt niet dat het hof in rov. 2.12 heeft geoordeeld dat aan de derde voorwaarde is voldaan omdat “
de overeenkomst” onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie is gesloten. De overeenkomst is gesloten op 29 januari 2014, terwijl de pre-packprocedure reeds eerder, op 16 januari 2014, was aangevangen met de benoeming van de beoogd curatoren en de beoogd rechter-commissaris. Uit de punten 54 tot en met 57 van het arrest
Smallstepsis af te leiden dat over de gehele tussenliggende periode een bevoegde overheidsinstantie toezicht moet houden (zie hiervoor, 5.8). FNV stelt terecht dat, als de redenering van het hof zou opgaan, een pre-packprocedure altijd aan de derde voorwaarde van art. 5 lid 1 van Pro de Richtlijn voldoet, omdat de koopovereenkomst met de doorstarter steeds ná faillietverklaring wordt gesloten. [121]
subonderdeel 3.2dat het hof met zijn oordeel heeft miskend dat (de onderhandelingen over) de verkoop van de onderneming van Heiploeg-oud voor het overgrote deel, althans voor een belangrijk deel, vóór het faillissement hebben plaatsgevonden, in een periode dat geen sprake was van overheidstoezicht. Volgens FNV is zonder nadere motivering onbegrijpelijk waarom de periode tussen de faillietverklaring en het sluiten van de overeenkomst (van 28 op 29 januari 2014), in verhouding tot de fase van de pre-pack voorafgaand aan het faillissement (16 tot 28 januari 2014), zodanig is geweest dat de curatoren (en de rechter-commissaris) werkelijk toezicht over de procedure hebben kunnen uitoefenen. Het hof heeft daarbij ten onrechte geen aandacht besteed aan de essentiële stellingen van FNV dat (i) reeds op 28 januari 2014 om 12.30 uur door de curatoren een persbericht over het realiseren van de doorstart is verspreid en (ii) sommige werknemers van Heiploeg-oud reeds op 28 januari 2014 een arbeidsovereenkomst met Heiploeg-nieuw aangeboden hebben gekregen.
Smallstepsoverwogen dat in die zaak de curator “
zeer snel na de inleiding van het faillissement” aan de rechter-commissaris om toestemming heeft gevraagd voor de overdracht van de onderneming – en deze ook heeft gekregen – waardoor de rechter-commissaris bovendien vóór de faillietverklaring daarvan op de hoogte moet zijn gesteld en moet hebben aangegeven daartegen geen bezwaar te hebben. Volgens het Hof van Justitie kan een dergelijke handelwijze “
elk eventueel toezicht van een bevoegde overheidsinstantie op de faillissementsprocedure grotendeels uithollen”. [123] De gang van zaken in de onderhavige kwestie vertoont duidelijk overeenkomsten met de handelwijze in de zaak
Smallsteps. Ook in de onderhavige procedure is de koopovereenkomst zeer snel (namelijk één dag) na de faillietverklaring ondertekend en was de rechter-commissaris vóór de faillietverklaring op de hoogte gesteld van de op handen zijnde doorstart. Niettemin heeft het hof geoordeeld dat aan de voorwaarde van overheidstoezicht in de zin van art. 5 lid 1 van Pro de Richtlijn wél was voldaan. Dit oordeel getuigt van een onjuiste toepassing van het arrest
Smallstepsen dus van een onjuiste rechtsopvatting, net zoals dat het geval is voor de tweede voorwaarde (zie hiervoor, 7.12).
subonderdeel 4.1betoogt FNV dat het hof ten onrechte heeft verzuimd te beslissen op de subsidiaire grondslag van de vorderingen van de bonden (zie hiervoor, 2.2). Het hof oordeelt in rov. 2.13 dat “
de vordering van de bonden, die is gebaseerd op de stelling dat aan de in art. 5 lid 1 van Pro de Richtlijn genoemde voorwaarden niet is voldaan, niet toewijsbaar is” en wijst daarmee de primaire vordering af, die is gebaseerd op het uitgangspunt dat de Richtlijn op de doorstart van Heiploeg-oud van toepassing is. [124] Daarmee is echter volgens FNV de subsidiaire vordering nog niet afgewezen. Deze vordering is namelijk gebaseerd op het tegenovergestelde uitgangspunt dat de Richtlijn
nietop de doorstart van Heiploeg-oud van toepassing is. Desalniettemin zouden de werknemers van Heiploeg-oud zich op art. 7:662 e.v. BW kunnen beroepen omdat de overgang van de onderneming vóór het faillissement heeft plaatsgevonden. [125] De rechtbank heeft deze subsidiaire vordering afgewezen en FNV heeft daartegen een grief gericht (grief 4). [126]