Conclusie
eerstemiddel klaagt dat de enkele omstandigheid dat de verdachte een geldbedrag heeft ontvangen van [medeverdachte 1] niet (zonder meer) tot de conclusie kan leiden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van dat bedrag, nu uit de gebezigde bewijsmiddelen niet (zonder meer) volgt dat dit bedrag ook daadwerkelijk afkomstig is van het geld dat [medeverdachte 1] heeft verdiend met strafbare gedragingen. Verder zou uit de bewijsmiddelen niet (zonder meer) kunnen volgen dat de verdachte heeft geweten dat het geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf.
tweedemiddel klaagt dat het hof de opgelegde geldboete ontoereikend heeft gemotiveerd, door in strijd met artikel 23, zevende lid, Sr niet uit te leggen waarom een geldboete tot het maximum van de vijfde categorie geen passende bestraffing vormt. Daarnaast zou het hof niet met voldoende mate van nauwkeurigheid de mate van strafkorting hebben aangeduid die in het licht van de overschrijding van de redelijke termijn is toegepast.
A-G Bleichrodt was van oordeel dat in de bijzondere omstandigheden van het geval artikel 80a RO kon worden toegepast. [20] In een ander arrest heeft Uw Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a RO; de verdachte had geen in rechte te respecteren belang bij zijn klacht nu het hof ambtshalve had geconstateerd dat de redelijke termijn was overschreden (en niet naar aanleiding van een verweer). [21]
subsidiaireen boete van € 760.000, zou moeten worden opgelegd. [23] Het requisitoir maakt duidelijk wat de aanleiding is voor die koerswijziging in hoger beroep. De advocaat-generaal geeft aan dat voordeelsontneming gewoonlijk wordt nagestreefd door een ontnemingsvordering in te dienen, ‘maar dat is in deze zaken niet meer mogelijk wegens termijnoverschrijding’. Het voordeel zou daarom moeten worden ontnomen door middel van verbeurdverklaring dan wel een afroomboete. Het door de verdachte wederrechtelijk verkregen voordeel wordt in het requisitoir geschat op € 2.235.399,-. Dat is de achtergrond waartegen het hof heeft ‘volstaan met het opleggen van de geldboete van na te melden hoogte’.
derdemiddel klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in cassatie. De stukken van het geding zouden niet tijdig door het hof zijn ingezonden.