Conclusie
Navigeren door het labyrint van grensoverschrijdende detachering’is de treffende titel van een van de talrijke wetenschappelijke bijdragen over dit complexe onderwerp. [2] Er is tot dusver geen rechtspraak van Uw Raad hierover. Er is ook nog geen Europese rechtspraak over de toepassing van de Detacheringsrichtlijn op het internationaal wegtransport. Het lijkt er daarom op dat het HvJEU moet worden verzocht de draad van Ariadne aan te reiken om de uitgang van het labyrint te vinden.
1.Feiten
[verweerster 1]) oefent vanuit Erp (Noord-Brabant) een transportonderneming uit. [verweerster 1] is lid van de Vereniging Goederenvervoer Nederland. Deze vereniging heeft met FNV de cao Goederenvervoer Nederland afgesloten (hierna:
cao GN). Deze cao is niet algemeen verbindend verklaard. De cao Beroepsgoederenvervoer over de weg en de Verhuur van mobiele kranen van TLN (hierna:
cao Beroepsgoederenvervoer), die materieel gezien veel overlap vertoont met de cao GN, was in de hier relevante periode wél algemeen verbindend verklaard. [4] De grote meerderheid van de Nederlandse transportbedrijven is bij die laatste cao aangesloten.
[verweerster 2]) en de vennootschap naar Hongaars recht Silo-Tank KFT (hierna:
Silo-Tank). Deze drie vennootschappen worden hierna gezamenlijk aangeduid als
[verweersters] [5]
wanneer dat voortvloeit uit de detacheringsrichtlijn” de basisarbeidsvoorwaarden uit de cao moet ‘doorcontracteren’ aan zijn onderaannemer,
van waaruitde internationale ritten doorgaans beginnen en eindigen. Het hof heeft dat als vaststaand aangemerkt, zij het niet onder de vaststaande feiten in rov. 3.1 maar enigszins terloops in rov. 3.15.2.2 van het bestreden arrest: “
Enerzijds staat vast dat het chartervervoer in de betrokken periode doorgaans vanuit Erp plaatsvond en de ritten doorgaans weer telkens in Erp eindigden.”
2.Procesverloop
tussenvonnis van 22 mei 2014heeft de kantonrechter binnen de rechtbank Oost-Brabant (hierna:
de kantonrechter) in een door [verweerster 2] en Silo-Tank opgeworpen bevoegdheidsincident geoordeeld dat de Nederlandse rechter op grond van art. 5 sub Pro 3 EEX-Verordening (hierna:
Brussel I) bevoegd is om van de tegen die rechtspersonen ingestelde vorderingen kennis te nemen. Nadien is de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet meer betwist. [14]
tussenvonnis van 8 januari 2015 [15] heeft de kantonrechter FNV in het gelijk gesteld. Zij heeft geoordeeld dat de door [verweerster 2] en Silo-Tank in onderaanneming uitgevoerde transporten vallen binnen de reikwijdte van de Detacheringsrichtlijn (rov. 4.5). Deze richtlijn is volgens de kantonrechter ook van toepassing wanneer de (transport)werkzaamheden worden verricht
vanuiteen andere lidstaat dan waar de werknemer gewoonlijk werkt, ook al vindt het transport maar voor een gering deel op het grondgebied van die andere lidstaat plaats:
vanuiteen lidstaat worden verricht, ook al vindt het transport zelf maar voor een gering deel op het Nederlandse grondgebied plaats.”
gewoonlijkhun werk verrichten, waarmee niet voldaan is aan het tijdelijkheidsvereiste zodat de Detacheringsrichtlijn niet van toepassing is (rov. 4.16). In dat laatste geval is op grond van art. 6 lid 2 EVO Pro / art. 8 Rome Pro I Nederlands recht van toepassing op de individuele arbeidsovereenkomst van de desbetreffende chauffeur (rov. 4.17). In andere gevallen is Nederland het land van waaruit
tijdelijkgewerkt wordt, zodat de Detacheringsrichtlijn wèl van toepassing is. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de gereden ritten en zal daarom per chauffeur individueel moeten worden vastgesteld (rov. 4.18). De kantonrechter kwam tot de slotsom dat zowel in de gevallen dat Nederland het land is van waaruit tijdelijk gewerkt wordt als dat Nederland het land is van waaruit gewoonlijk gewerkt wordt, de basisvoorwaarden van de cao GN van toepassing zijn op de Hongaarse en Duitse chauffeurs (rov. 4.19). [16]
het hof) van voornoemd tussenvonnis in hoger beroep gekomen. [verweerster 1] heeft één grief aangevoerd die is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de Detacheringsrichtlijn in casu van toepassing is, althans kan zijn. Zij stelt dat:
arrest van 2 mei 2017 [20] heeft het hof in het principaal appel en in het incidenteel appel het tussenvonnis waarvan beroep vernietigd en de zaak voor verdere behandeling verwezen naar de kantonrechter. Het heeft bepaald dat tegen het arrest tussentijds cassatie kon worden ingesteld.
Rüffert [21] (rov. 3.14.3). Uit het arrest
RegioPost [22] volgt dat dit anders is als sprake is van een dwingendrechtelijke bepaling waaraan zowel nationale als uit een andere EU-lidstaat afkomstige dienstverleners in deze branche, zich hebben te houden (rov. 3.14.4).
“overeenkomsten of uitspraken die moeten worden nageleefd door alle ondernemingen die tot de betrokken beroepsgroep of bedrijfstak behoren en onder het territoriale toepassingsgebied van die overeenkomsten of uitspraken vallen”als bedoeld in artikel 3 lid 8 van Pro de Detacheringsrichtlijn. (…).”
op het grondgebied van de lidstaat (Nederland)”. Het hof overweegt daaromtrent:
in of vanuit de in Nederland gevestigde onderneming van [verweerster 1] worden uitgevoerd(cursivering hof) met zelfstandige ondernemers, wanneer dat uit de Detacheringsrichtlijn voortvloeit.
“op het grondgebied van een lidstaat (ter beschikking stellen)”als bedoeld in art. 1 lid 1 en Pro lid 3 Detacheringsrichtlijn ook omvat
“op of vanaf het grondgebied van een lidstaat”, zoals door FNV bepleit (rov. 3.16.1). Dienaangaande sluit het hof zich aan bij de door [verweersters] bepleite (letterlijke) uitleg. Daartoe verwijst het Hof naar de conclusie van A-G Wahl in zaak C-396/13 (
Sähköalojen ammattiliitto ry) en naar het arrest in de zaken C-307/09 tot en met 309/09 (
Vicoplus). Daaruit leidt het af:
hij noodzakelijk acht - hetgeen in het hoofdgeding het geval lijkt te zijn blijkens de opmerkingen die verweerders in het hoofdgeding ter terechtzitting hebben gemaakt - erop dat de verplaatsing van werknemersnaar de lidstaat van ontvangst[vet, hof ’s-Hertogenbosch]
niet het doel van de aan de orde zijnde dienst is, maar ondergeschikt is ten opzichte van het verrichten van de in de overeenkomst vastgelegde dienst en dat daarmee sprake is van terbeschikkingstelling van werknemers in de zin van artikel 1, lid 3, onder a), van richtlijn 96/71.”
ophet grondgebied van de lidstaat waar werknemers ter beschikking worden gesteld. Op charters voor transportdiensten die op het grondgebied
van verschillende lidstatenworden uitgevoerd, is de Detacheringsrichtlijn niet van toepassing en art. 44 van Pro de cao GN daarom evenmin:
“lagere lonen (...) en andere arbeidsvoorwaarden (...) dan die welke gebruikelijk zijn in de plaats waar het werk tijdelijk wordt uitgevoerd”, en er wordt onder 14 (p.11) in het kader van niet tijdelijkheid van dienstverlening gerept van ‘werkzaamheden die geheel of voornamelijk op het grondgebied van deze lidstaat zijn gericht”. In onderdeel 19 (p. 13) wordt ook meermalen gerept van
“het gastland”en in onderdeel 24 (p. 15)
“van dwingende bepalingen”die
“nageleefd moeten worden door een onderneming die werknemers detacheert om in dat land tijdelijk werk te verrichten”.
“De combinatie en onderlinge samenhang van artikel 1 en Pro 2 maken het onnodig eenlijst met uitzonderingen[vet, hof ’s-Hertogenbosch]
op te stellen, zoals handelsreizigers, leden van het reizend personeel van een onderneming dieinternationale transportdiensten vanpersonen ofgoederen verzorgt(..)
over de weg[vet, hof 's-Hertogenbosch]
(...)”.Kortom de Detacheringsrichtlijn ziet bewust niet op de charters als in deze zaak aan de orde, doch slechts op nationaal dat wil zeggen op het grondgebied van een andere lidstaat of in elk geval overwegend op het gebied van die andere lidstaat uitgevoerde charters.
van die diensten.”, vervolgens als terug te vinden in artikel 1 lid 1 van Pro bedoelde richtlijn (“
waarde diensten worden verricht”).”
3.Kader: context, regelgeving en rechtspraak
Unierecht
de lidstaat van ontvangst) was op hen van toepassing.
werknemers die in dienst zijn van een in een lidstaat gevestigde onderneming en tijdelijk worden uitgezonden naar een andere lidstaat om daar diensten te verrichten, geenszins de bedoeling hebben zich op de arbeidsmarkt van laatstbedoelde lidstaat te begeven, aangezien zij, na hun taak te hebben volbracht, naar hun land van herkomst of woonplaats terugkeren.” Gedetacheerde werknemers kunnen daarom geen beroep doen op de bepalingen van het vrij werknemersverkeer voor het bepalen van het op hen toepasselijke arbeidsrecht. [28]
Detacheringsrichtlijn
coördinatieplaats van de nationale wetgevingen. [36] De Detacheringsrichtlijn heeft niet delen van het materiële arbeidsrecht geharmoniseerd, zoals wat er onder het begrip ‘minimumloon’ valt. [37]
eerste alineavan lid 8 bepaalt:
niet slechterworden behandeld worden dan de ondernemingen die aldaar zijn gevestigd. [44] Daartoe moeten de in acht te nemen arbeidsvoorwaarden vastliggen in bindende bepalingen die algemeen gelden op het gehele grondgebied van die lidstaat (of in voorkomend geval een deel van de lidstaat). Het zou niet in overeenstemming zijn met het Unierecht om een buitenlandse dienstverrichter ertoe te verplichten bepaalde arbeidsvoorwaarden in acht te nemen die niet bindend zijn voor nationale ondernemingen. [45]
in de zin van lid 8”. Zoals we zagen bevat de eerste alinea van lid 8 een definitie van ‘algemeen verbindend verklaren’. [46] In het arrest
Rüffertonderzocht het HvJEU, na te hebben vastgesteld dat de cao die in die zaak aan de orde was naar Duits recht niet algemeen verbindend was verklaard, vervolgens of die cao “
als algemeen verbindend in de zin van art. 3, lid 1, eerste alinea, tweede streepje, van richtlijn 96/71, juncto lid 8, van dit artikel zou kunnen worden beschouwd”, wat niet het geval was. Deze redenering in twee stappen kan een aanwijzing opleveren dat het hier (uiteindelijk) om een richtlijn-autonoom en dus een communautair begrip gaat. Ik kan mij evenwel moeilijk voorstellen dat een cao die niet overeenkomstig het nationale recht van de lidstaat van ontvangst algemeen verbindend is verklaard, toch in Unierechtelijke zin als algemeen verbindend zou hebben te gelden. Dat zou tot grote rechtsonzekerheid kunnen leiden voor ondernemingen die werknemers ter beschikking stellen. De definitie van ‘algemeen verbindend verklaren’ in lid 8, eerste alinea, heeft m.i. een negatieve controlefunctie: een algemeen verbindend verklaring naar nationaal recht kan voor de toepassing van art. 3 lid 1 van Pro de Detacheringsrichtlijn niet als zodanig gelden indien niet is voldaan aan de definitie genoemd in art. 3 lid Pro 8.
mogenlidstaten aan dienstverrichters in andere sectoren dan de bouw, “
met inachtneming van het Verdrag”, de naleving van cao’s voorschrijven. [47] Lidstaten hebben dus de mogelijkheid om cao’s in andere sectoren dan de bouw voor gedetacheerde werknemers verplicht te stellen.
nietis vastgelegd in een wettelijk bepaling
ofin een algemeen verbindend verklaarde cao, niet door art. 3 lid 1 onder Pro c) van de Detacheringsrichtlijn wordt gedekt. Een dergelijke verplichting moet dan aan art. 56 VWEU Pro worden getoetst. De rechtspraak op dat punt is strikt. [48]
hogerte leggen dan het minimumniveau dat op grond van art. 3 lid 1 Detacheringsrichtlijn Pro is voorgeschreven. [49] Houwerzijl schrijft: [50]
Laval, Rüfferten
Commissie/Luxemburgzijn gewezen, staat onmiskenbaar vast dat lidstaten maar weinig ruimte hebben hier extra bescherming aan te toe voegen [d.w.z: aan de ‘harde kern’; A-G], laat staan een volledig gelijke behandeling met de eigen werknemers, zoals bij werknemersmobiliteit op grond van artikel 39 EG Pro [46 VWEU].”
Het internationaal privaatrecht: EVO en Rome I
Rome I) is, als onderdeel van de communautarisering van het IPR, in de plaats gekomen van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (hierna:
EVO). De vraag welk recht van toepassing is op een individuele arbeidsovereenkomst met een grensoverschrijdend karakter, moet worden beantwoord aan de hand van het EVO, in geval van arbeidsovereenkomsten gesloten voor 17 december 2009, dan wel Rome I, in geval van arbeidsovereenkomsten gesloten op of na 17 december 2009. [53]
het land waar of, bij gebreke daarvan, van waaruitde werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Het land waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht wordt niet geacht te zijn gewijzigd wanneer de werknemer zijn arbeid tijdelijk in een ander land verricht.
8 lid 2Rome I is in beginsel op de arbeidsovereenkomst van toepassing het recht van het land waar de werknemer ter uitvoering van de overeenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Indien er geen land is aan te wijzen
waarde werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht dan moet, “bij gebreke daarvan”, worden uitgegaan van het land
van waaruithij gewoonlijk zijn arbeid verricht. Ten opzichte van art. 6 lid 2 onder Pro a) EVO zijn de woorden “van waaruit” toegevoegd. Met deze verruiming is aansluiting gezocht bij rechtspraak over het EEX-Verdrag en Brussel I, [54] een voorbeeld dus van
Gleichlauftussen rechterlijke bevoegdheid en toepasselijk recht. [55] Art. 8 lid Pro 2, laatste zin, bepaalt dat het gewoonlijk werkland niet wijzigt wanneer de werknemer
tijdelijkin een ander land werkt, zoals het geval is bij detachering. Indien het gewoonlijk werkland niet op grond van art. 8 lid 2 kan Pro worden vastgesteld, is op grond van art.
8 lid 3(voorheen art. 6 lid 2 onder Pro b EVO) van toepassing het recht van het land waar de werknemer in dienst is genomen. Art.
8 lid 4(voorheen art. 6 lid Pro 2, slotzin, EVO) ten slotte bevat een ‘ontsnappingsclausule’: indien de arbeidsovereenkomst kennelijk een nauwere band heeft met een ander land dan het land dat op grond van het tweede of het derde lid wordt aangewezen, dan is het recht van dat andere land van toepassing en wordt het recht van het land waar gewoonlijk wordt gewerkt, opzij geschoven. [56]
gewoonlijkwordt gewerkt. Over die vraag bestaat geen Europese rechtspraak. [58] Ten tweede de vraag hoe moet worden bepaald wat de plaats is
waargewoonlijk wordt gewerkt. Over die vraag is wèl rechtspraak voor handen, ook met betrekking tot ‘mobiele beroepen’ waarbij werkzaamheden op verschillende plaatsen worden verricht. Het internationale vervoer is daar een voorbeeld van. Het HvJEU heeft voor het wegvervoer, [59] de scheepvaart [60] en voor de luchtvaart [61] concrete aanknopingspunten geformuleerd om te kunnen bepalen wat het land is waar de werknemer ter uitvoering van de arbeidsovereenkomst gewoonlijk zijn arbeid verricht. Deels zijn die aanknopingscriteria overlappend, deels zijn zij toegespitst op de betrokken vervoerssoort.
Koelzschvan de Grote kamer van het HvJEU. Koelzsch, een in Duitsland woonachtige Duitser, was als chauffeur in dienst bij een Luxemburgse vennootschap, die weer een dochter van een Deens bedrijf was. Hij reed vooral in Duitsland. Het HvJEU geeft een ruime uitleg van het ‘land waar de werknemer gewoonlijk zijn arbeid verricht’ in art. 6 lid 2 onder Pro a) EVO. Het overweegt onder meer (onderstrepingen toegevoegd; A-G):
Aangezien de doelstelling van artikel 6 van Pro het verdrag van Rome van 1980 een passende bescherming van de werknemer is, volgt daaruit dat deze bepaling moet worden opgevat als een waarborg dat eerder het recht van de staat waarin hij zijn beroepswerkzaamheden verricht, van toepassing is dan dat van de staat van de zetel van de werkgever.
De werknemer oefent zijn economische en sociale functie immers in eerstgenoemde staat uit en, zoals de advocaat-generaal in punt 50 van haar conclusie heeft beklemtoond, zijn arbeid ondergaat ook in die staat de invloed van het politieke en het bedrijfsklimaat. Bijgevolg moet de eerbiediging van de in het recht van dat land geldende voorschriften ter bescherming van de arbeid zo veel mogelijk worden gewaarborgd.
wanneer het voor de aangezochte rechter mogelijk is te bepalen met welke staat de arbeid een duidelijk aanknopingspunt heeft.
het verwijst naar de plaats waar of van waaruit de werknemer daadwerkelijk zijn beroepswerkzaamheden verricht, en bij gebreke van een centrum van de activiteiten, naar de plaats waar hij het grootste gedeelte van zijn werkzaamheden verricht.
Hij moet met name vaststellen in welke staat zich de plaats bevindt van waaruit de werknemer zijn transportopdrachten verricht, instructies voor zijn opdrachten ontvangt en zijn werk organiseert, alsmede de plaats waar zich de arbeidsinstrumenten bevinden. Hij moet tevens nagaan in welke plaatsen het vervoer hoofdzakelijk wordt verricht, in welke plaatsen de goederen worden gelost en naar welke plaats de werknemer na zijn opdrachten terugkeert.
De verhouding tussen Rome I en de Detacheringsrichtlijn
ongeacht het op een individuele overeenkomst toepasselijke recht, toepassen voor zover het gaat om een bepaling waarvan de handhaving noodzakelijk is voor openbare belangen, zoals de politieke, sociale of economische organisatie van het land. [64] Onder ‘bepalingen van bijzonder dwingend recht’ kunnen ook regels met betrekking tot werknemersbescherming vallen. [65] Een bekend voorbeeld uit het Nederlandse arbeidsrecht was tot voor kort art. 6 BBA Pro. Ook verbindend verklaarde cao-bepalingen gelden in Nederland als voorrangsregel. [66]
Aanvulling en herziening van de Detacheringsrichtlijn
Handhavingsrichtlijn) aangenomen. [73] Deze richtlijn diende op 18 juni 2016 te zijn omgezet in nationale regelgeving. [74] Zij bevat geen wijzigingen in de Detacheringsrichtlijn, maar komt daar bovenop.
tijdelijkin een andere lidstaat werkzaamheden verricht dan in die waar hij of zij gewoonlijk werkt. Die bepaling luidt:
Herzieningsrichtlijn) is op 28 juni 2018 aangenomen. [78] De lidstaten hebben tot 30 juli 2020 om de Herzieningsrichtlijn om te zetten in nationale regelgeving en vanaf die datum moeten de bepalingen van die richtlijn worden toegepast. Tot die datum blijft Richtlijn 96/71/EG van toepassing zoals die luidde vóór de bij deze richtlijn aangebrachte wijzigingen. [79] Voor de sector van het internationaal wegvervoer is evenwel specifiek bepaald dat deze richtlijn pas van toepassing wordt vanaf de datum waarop een sectorspecifieke richtlijn van toepassing wordt. [80] In overweging 15 van de Herzieningsrichtlijn staat het volgende:
Quod licet Iovi, non licet bovi, waarbij - zoals zich laat raden - de Uniewetgever Jupiter is en de individuele lidstaten het rund. Als in Unieverband een gezamenlijke regeling is overeenkomen, dan biedt dat geen ‘dekking’ aan een bestaande nationale regeling met een het zelfde doel en strekking. [82] Hooguit kan de Herzieningsregeling de toetsing van een dergelijke nationale maatregel aan art. 56 VWEU Pro enigszins inkleuren. [83]
Mobiliteitsvoorstel). [84] De beoogde richtlijn wordt een
lex specialisten opzichte van de Detacheringsrichtlijn, zoals gewijzigd door de Herzieningsrichtlijn.
op het grondgebiedvan die lidstaat is gedetacheerd. Daartoe stelt art. 2 lid 2 de Pro minimumeis dat de chauffeur per kalendermaand ten minste zeven, aaneengesloten (
consecutive) dagen in lidstaat B werkt. [86] Voor cabotageritten (binnenlandse ritten door een buitenlandse transportonderneming) zouden drie aaneengesloten dagen per maand volstaan. [87] Haalt een chauffeur het aantal van zeven dagen niet, dan mag de regelgeving van het gastland inzake het minimum aantal vakantiedagen en het minimumloon, als bedoeld in art. 3 lid 1 aanhef Pro en onder b) en c) van Richtlijn 96/71, niet worden toegepast. Haalt een chauffeur die ondergrens wèl, dan moeten de bepalingen onder letters b) en c) op hem worden toegepast. De betrokken chauffeur heeft in dat geval voor de gehele kalendermaand, en niet slechts voor de dagen waarop hij op het grondgebied van die staat werkzaamheden verrichtte, recht op toepassing van de regeling van dat land.
Nationaal recht
WAGA) [91] en de Wet op het algemeen verbindend verklaren van bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten (hierna:
Wet AVV). Met ingang van 18 juni 2016 is de WAGA komen te vervallen en vervangen door de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie (hierna:
WagwEU). [92] De WagwEU implementeert per 18 juni 2016 tevens de Handhavingsrichtlijn. Ook de Wet AVV is per die datum aangepast.
WAGA en WagwEU
niethet gewoonlijk werkland is waar of van waaruit de arbeid wordt verricht maar dat niet relevant is of
eenander gewoonlijk werkland kan worden vastgesteld. [96] Tegelijkertijd erkent de wetgever dat het noodzakelijk is om het gewoonlijk werkland van de gedetacheerde werknemer vast te kunnen stellen. [97] Mogelijk is bedoeld dat eerst moet worden vastgesteld of er een gewoonlijk werkland is. Is dat er wel, dan kan dat land niet het land zijn op het grondgebied waarvan een werknemer is gedetacheerd. Indien geen gewoonlijk werkland kan worden aangewezen, dan is niet uitgesloten - zo luidt mogelijk de gedachte - dat er wel een land is aan te wijzen waar de betrokken werknemer tijdelijk werkt, in welk geval de Detacheringsrichtlijn (en nationaal: de WagwEU) wèl van toepassing zijn. [98]
gedetacheerde werknemer:de werknemer die in het kader van transnationale dienstverrichting op basis van een arbeidsovereenkomst tijdelijk arbeid verricht in Nederland en niet gewoonlijk in of vanuit Nederland arbeid verricht.
Wet AVV
nietalgemeen verbindend is verklaard. Dat zou relevant kunnen zijn voor de cao GN, zij het niet voor tijdvakken vóór 18 juni 2016.
Cao GN
in Nederland gevestigde ondernemingdie is aangesloten bij Goederenvervoer Nederland en die vergunningplichtig wegvervoer verricht. Een Duitse of Hongaarse onderneming, ook als dat een zuster- of dochtervennootschap van een in Nederland gevestigde transportonderneming is, valt niet onder de cao GN.
avantde Herzieningsrichtlijn –verenigbaar is met art. 56 VWEU Pro om een dienstverrichter uit een andere lidstaat te verplichten aan in Nederland gedetacheerde werknemers het volledige cao-loon (dus met inbegrip van toeslagen etc.) te betalen. [102] Nederlandse werkgevers die aan een cao zijn gebonden moeten het daarin vastgelegde loon betalen en mogen daar niet onder gaan zitten. In zoverre kan worden verdedigd dat het gaat om een ‘minimumbeloning’ in de zin van art. 3 lid 1 Detacheringsrichtlijn Pro (het wettelijke minimumloon zou dan de ondergrens zijn als de algemeen verbindend verklaring is afgelopen). Ik vermoed dat de FNV het ook zo ziet. Mij lijkt art. 3 lid 1 Detacheringsrichtlijn Pro echter uit te gaan van het (nationale) minimum. Anders valt ook niet goed te begrijpen waarom de Herzieningsrichtlijn, waarin minimumlonen (‘
minimum rates of pay’) is vervangen door ‘beloning’ (‘
remuneration’), wordt gezien als stap naar
beteresociale bescherming. Er moet toch iets zijn veranderd.
Lagere rechtspraak over het toepasselijk recht op werknemers in het wegvervoer
Mooy
Koelzschen
Voosgeerd(zie hiervoor, 3.26 en 3.27) af dat Nederland het land was van waaruit gewoonlijk werd gewerkt. Derhalve zijn de dwingende bepalingen van Nederlands (arbeids)recht op de arbeidsovereenkomsten tussen Mooy PL en de aan Mooy BV uitgeleende chauffeurs van toepassing. Volgens Hof Den Bosch was de Waga wèl van toepassing. Het arrest gaat verder over de vraag
welkecao van toepassing is, die voor uitzendbureaus of die voor transportondernemingen, wat hier niet ter zake doet.
Farm Trans
Vos
Brinkman
of sprake is van een zodanig nauwe band van het vervoer met het Nederlands grondgebied dat gezegd kan worden dat de buitenlandse chauffeurs door hun werkgevers (…) op het Nederlandse grondgebied aan Brinkman ter beschikking zijn gesteld.” (rov. 5.20). Die situatie doet zich hier voor. Het feit dat “
alles wordt geregeld door en vanuit Brinkman in Nederland” (rov. 5.22) voert tot het oordeel dat er nauwe banden bestaan van het chartervervoer in kwestie met het Nederlandse grondgebied. Het gerechtshof voegt daar aan toe: “
Dat het vervoer feitelijk grotendeels over buitenlandse wegen plaatsvond doet daar in de omstandigheden van dit geval niet, althans onvoldoende, aan af.” (rov. 5.23). In betrekkelijk grote stappen bereikte het gerechtshof aldus de conclusie dat de Detacheringsrichtlijn van toepassing was.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Uitgangspunten
de betrokken werknemers’.
[verweerster 1] is niet de werkgever van de betrokken werknemers: in feitelijke aanleg was aanvankelijk de meest vergaande stelling van FNV dat de betrokken werknemers geacht moesten worden bij [verweerster 1] in dienst te zijn. [109] De cao GN zou daarom rechtstreeks op hen van toepassing zijn. Het hof is daar niet van uitgegaan. [110] Daarom moet het ervoor worden gehouden dat [verweerster 2] respectievelijk Silo-Tank de werkgever zijn. Zij vallen niet onder de cao GN.
Er is geen bewijs van een schijnconstructie: FNV heeft in feitelijke aanleg gesteld dat er aan de zijde van [verweerster 1] sprake zou zijn van een schijnconstructie, omdat de Duitse en de Hongaarse vestiging slechts op papier zouden bestaan. [111] Door deze constructie zou heen gekeken moeten worden en daarom zou het Nederlands arbeidsrecht, waaronder de cao GN, rechtstreeks op de betrokken werknemers van toepassing zijn. Het hof is daar terecht niet van uitgegaan. [112] [verweersters] hebben gedocumenteerd dat zowel de Duitse als de Hongaarse vestiging ‘substantie’ heeft, [113] naar het voorkomt meer dan de Oost-Europese vestigingen in elk van de zaken genoemd aan het slot van hoofdstuk 3. [verweerster 2] is qua aantal vergunningen en werknemers niet zo heel veel kleiner dan de Nederlandse hoofdvestiging. [114] Overigens stelt Europese rechtspraak hoge eisen aan het, per individueel geval, te leveren bewijs van misbruik van Unierecht met als enig oogmerk bepaalde nationale regelgeving te omzeilen. [115]
Enkel vervoer verricht in onderaanneming is aan de orde: FNV heeft in feitelijke aanleg niet duidelijk aangegeven welke vorm van detachering aan de orde is. [116] [verweerster 1] heeft op haar beurt duidelijk gemaakt dat, indien al sprake is van het beschikbaar stellen van werknemers, het daarbij om onderaanneming gaat (variant a). [117] Ook het hof is daarvan uitgegaan. [118] De door FNV gekozen rechtsgrondslag van haar vorderingen, de charterbepaling in art. 44 van Pro de cao GN, wijst daar eveneens op. Collegiale inleen, waar FNV zich aanvankelijk op beriep, [119] komt volgens [verweerster 1] sinds begin 2012 niet meer voor. [120]
Onderscheid tussen arbeidsperiode en ritten: het vervoer van de betrokken chauffeurs van Hongarije naar Nederland is m.i. geen onderdeel van hun werkzaamheden. [121] Een gewerkte periode van gemiddeld drie weken begint op een fysieke opstapplaats en eindigt op een fysieke afstapplaats, door [verweerster 1] aangeduid als wisselplaatsen. Het hof heeft vastgesteld, in rov. 3.15.2.2, dat “
het chartervervoer in de betrokken periode doorgaans vanuit Erp plaatsvond en de ritten doorgaans in Erp eindigden.” Dat de feitelijke situatie volgens [verweerster 1] inmiddels is gewijzigd (zie hiervoor, 1.8, derde streepje) kan haar in cassatie niet baten. Relevant is daarentegen wel dat tijdens de arbeidsperiode van drie weken tal van internationale ritten worden uitgevoerd. Met betrekking tot die ritten heeft het hof vastgesteld, in rov. 3.1. onder e), dat die “
in meer dan overwegende mate buiten Nederland [plaatsvinden] en slechts voor een gering deel op Nederlands grondgebied”.
Risico op verdringing en verschillen in salaris zijn juridisch niet relevant: aanleiding voor FNV om procedures als de onderhavige te voeren is de vrees voor verdringing van Nederlandse internationale chauffeurs door goedkopere arbeid uit Oost-Europa. Daar valt van alles over te zeggen. Voor het slagen van het cassatieberoep van FNV is het evenwel niet noodzakelijk dat in het geval van [verweerster 1] sprake is (geweest van) verdringing van Nederlandse internationale chauffeurs. Dat FNV daarvan in feitelijke aanleg geen concreet bewijs heeft geleverd maakt daarom niet uit. Ook het exacte verschil tussen het Nederlandse cao-loon en het salaris van de Hongaarse werknemers doet niet ter zake. [122] Ik merk op dat FNV zich in feitelijke aanleg niet uitgelaten over het Duitse salaris van de chauffeurs in dienst van [verweerster 2] , terwijl haar vorderingen wel op deze chauffeurs betrekking hebben.
Enige grondslag voor de vorderingen is art. 44 cao Pro GN: het geschil betreft niet de WAGA, de WagwEU of de Wet AVV. De vorderingen van FNV zijn, in deze zaak, niet gegrond op de ge-avv’de cao Beroepsgoederenvervoer - ook niet waar het de vorderingen tegen Silo-Tank betreft -, maar enkel op (art. 44 van Pro de) cao GN. Daarmee heeft FNV het zich moeilijk gemaakt.
In het principaal cassatieberoep
Onderdeel 1, primaire rechtsklacht
onder 20van de procesinleiding betreft (i) de beslissing in rov. 3.16.3, dat
“een ruime uitleg van ‘op het grondgebied’ naar (onder meer) ‘vanaf het grondgebied van één specifieke lidstaat voor diensten in alle overige lidstaten van de Unie(…)
geen recht doet aan de bedoeling van de Detacheringsrichtlijn”, (ii) de beslissing in rov. 3.16.5 dat de Detacheringsrichtlijn slechts ziet op nationaal, dat wil zeggen op het grondgebied van een andere lidstaat, of in elk geval overwegend op het grondgebied van een andere lidstaat uitgevoerde charters en (iii) de op basis daarvan in rov. 3.16.7 bereikte conclusie.
“op het grondgebied van een lidstaat”in de zin van art. 1 lid 1 en Pro lid 3 van de Detacheringsrichtlijn. Volgens FNV heeft het hof miskend dat
“op het grondgebied van een lidstaat”in voornoemde bepaling aldus moet worden uitgelegd dat de werkzaamheden die in het kader van de terbeschikkingstelling worden uitgevoerd ‘op of vanuit het grondgebied’ van een lidstaat moeten plaatsvinden, hetgeen betekent dat de Detacheringsrichtlijn niet alleen van toepassing is op terbeschikkingstelling ‘op het grondgebied’ van een andere lidstaat dan het gewoonlijk werkland maar ook van toepassing is in het geval de terbeschikkingstelling inhoudt dat werkzaamheden worden verricht vanaf/vanuit het grondgebied van een andere lidstaat.
de Detacheringsrichtlijn (…) bewust niet [ziet] op de charters als in deze zaak aan de orde, doch slechts op nationaal dat wil zeggen op het grondgebied van een andere lidstaat of in elk geval overwegend op het gebied van die andere lidstaat uitgevoerde charters.”
in elk geval overwegend in dat land charters uitvoeren”.
vanuitNederland wordt verricht. Een gedetacheerde chauffeur concurreert met Nederlandse internationale vrachtwagenchauffeurs, wat kan leiden tot verlies aan werkgelegenheid op de Nederlandse arbeidsmarkt en tot misstanden op het Nederlands grondgebied.
lidstaat van ontvangst”, binnenlandse arbeidsmarkt” of “
het land waar het contract wordt uitgevoerd” (zie rov. 3.16.4 en 3.16.5), doet daar volgens FNV niet aan af.
“op het grondgebied van een lidstaat”aansluiting te zoeken bij de uitleg die het HvJEU heeft gegeven aan de woorden
“het land waar de werknemer(…)
gewoonlijk zijn arbeid verricht”.
ophet grondgebied van een lidstaat werkt wanneer hij van daaruit werkt (zoals te onderscheiden van de situatie waarin hij voor zijn werkgever vanuit zijn gewoonlijk werkland internationale ritten uitvoert en steeds weer daarnaar terugkeert).
Koelzsch, dat over internationale vrachtautochauffeurs gaat.
op het grondgebied van een lidstaat” doet recht aan de doelstellingen van de Detacheringsrichtlijn. Er wordt mee voorkomen dat chauffeurs, die in verschillende landen ritten afleggen, de bescherming op grond van die richtlijn mislopen.
ineen andere lidstaat om geacht te worden de gehele kalendermaand in dat land te hebben gewerkt, zijn er nog ca. 14 dagen in de maand waar de werknemer elders heeft gewerkt zodat hij geacht moet worden gedurende die andere dagen
vanuitdie lidstaat te hebben gewerkt.
gewoonlijkwerkland van een werknemer is, eveneens te gebruiken voor het vaststellen van diens
tijdelijkwerkland. [127] Beide landen zijn per definitie verschillend. Anders is een werknemer ook niet
tijdelijkter beschikking gesteld en mist de Detacheringsrichtlijn om die reden toepassing. [128]
op het grondgebied”. Een verruiming van ‘op’ naar ‘vanuit’ levert als zodanig niet de vereiste nauwe band op om dat land aan te wijzen als het tijdelijke werkland. Daarvoor zijn additionele criteria nodig. Tekst en opzet van art. 44 lid 1 cao Pro GN bieden voor die lezing steun. De bedingplicht kent als voorwaarde dat onderaanneming “in of vanuit” de in Nederland gevestigde onderneming van de werkgever wordt uitgevoerd.
Daarnaastmoet de Detacheringsrichtlijn van toepassing zijn. Als het voor toepasselijkheid van de richtlijn volstond dat charters “in of vanuit” Nederland plaatsvinden, dan was het niet nodig om apart de eis te stellen dat genoemde richtlijn van toepassing is.
ineen lidstaat moet worden gewerkt. Indien de Commissie had willen opteren voor het ‘op of vanuit’-criterium (c.q. het ‘waar of van waaruit’-criterium) uit het IPR dan had zij dat ongetwijfeld in haar voorstel opgenomen.
moetworden toegepast om de lidstaat aan te wijzen waar werknemers zijn gedetacheerd. De tekst, de opzet en het doel van de Detacheringsrichtlijn nopen niet tot de door FNV voorgestane uitleg.
onjuisterechtsopvatting is uitgegaan, waar het overweegt dat pas sprake is van “
ter beschikbaar stellen [van werknemers] op het grondgebied van een lidstaat”, als een werknemer “
op het grondgebied van een andere lidstaat of in elk geval overwegend op het gebied van die andere lidstaat charters uitvoert”. Het hof heeft aangesloten bij de tekst van de richtlijn. Dat lijkt mij niet onjuist. Het arrest kan daarom in zoverre in stand blijven.
Onderdeel 1, subsidiaire rechtsklacht
onder 21een subsidiaire rechtsklacht tegen de beslissing in rov. 3.17.7. FNV leest deze overweging aldus, dat het oordeel dat niet is voldaan aan de eis van terbeschikkingstelling van de werknemers op het grondgebied van de lidstaat Nederland, klaarblijkelijk moet worden gelezen in samenhang met de feitelijke vaststelling dat [verweerster 1] met [verweerster 2] en Silo-Tank charterovereenkomsten voor internationale transporten sluit, waarbij het vervoer uit dien hoofde
“in meer dan overwegende mate plaats vindt buiten Nederland en maar voor een gering deel op Nederlands grondgebied.”FNV stelt dat in cassatie als hypothetische feitelijke grondslag moet worden aangenomen dat de ritten die werknemers van [verweerster 2] en Silo-Tank voor [verweerster 1] uitvoeren wel deels
geheel in Nederlandplaatsvonden, nu dit is gesteld en de juistheid van die stelling door het hof in het midden is gelaten. [129] Met het oordeel dat
in het geheel nietis voldaan aan de eis van terbeschikkingstelling van werknemers op het grondgebied van de staat Nederland, heeft het hof volgens FNV miskend dat werknemers ook voor een
deelvan hun werkzaamheden rechten aan de Detacheringsrichtlijn kunnen ontlenen, indien dat deel van de werkzaamheden wel degelijk
“op het grondgebied van”of binnen een lidstaat als bedoeld in de Detacheringsrichtlijn plaatsvindt.
kansprake zijn van detachering in de zin van de Detacheringsrichtlijn. Het hof heeft dit ofwel miskend, ofwel - voorondersteld dat ook van cabotage sprake was - zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Uit het bestreden oordeel blijkt niet waarom ten aanzien van het deel van de werkzaamheden dat uitsluitend op Nederlands grondgebied heeft plaatsgevonden niet kan worden gesproken van detachering in de zin van de Detacheringsrichtlijn. Deze constatering neemt niet weg dat op dit moment niet steeds duidelijk is wanneer bij cabotage sprake is van detachering.
Onderdeel 1, voortbouwende rechts- en motiveringsklacht
Onder 22klaagt zij primair dat het hof de in die bepaling vervatte zinsnede
“wanneer dat voortvloeit uit de Detacheringsrichtlijn”te beperkt heeft uitgelegd op de eerder weergegeven gronden. Voor zover op dit onderdeel niet met een rechtsklacht tegen het oordeel van het hof kan worden opgekomen, omdat art. 44 cao Pro GN niet is aan te merken als recht in de zin van art. 79 RO Pro, klaagt FNV
onder 23dat de door het hof gekozen uitleg onbegrijpelijk is, nu deze steunt op de hiervoor bestreden uitleg van de Detacheringsrichtlijn.
Onderdeel 2
In het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
Rüffert. [131] Ik volg FNV in die uitleg niet om de redenen die ik hiervoor in 3.16 heb genoemd. Het ontbreken van een algemeen verbindend verklaring van de cao GN heeft m.i. tot gevolg dat [verweerster 2] en Silo-Tank niet
op grond vanart. 3 lid 1 van Pro de Detacheringsrichtlijn gebonden kunnen worden aan de bepalingen van de cao GN die betrekking hebben op de in die richtlijnbepaling opgenomen ‘harde kern’-onderwerpen.
nietmede heeft gebaseerd op art. 73 van Pro de cao Beroepsgoederenvervoer. [133] Indien deze beide ondernemingen geacht moeten worden op het grondgebied van Nederland werknemers te hebben gedetacheerd (óf dat het geval is vormt het voornaamste geschilpunt in deze zaak), dan waren zij aan díe cao gebonden en was de ingewikkelde route via art. 44 cao Pro GN niet nodig geweest.
op grond vanart. 3 lid 1 van Pro de Detacheringsrichtlijn gebonden kunnen worden aan de bepalingen van de cao GN betekent dat een toets aan art. 56 VWEU Pro moet plaatsvinden als deze buitenlandse ondernemingen op een andere grond - bijvoorbeeld via doorcontractering – ertoe kunnen worden verplicht de basisvoorwaarden uit de cao GN na te leven. Óf zich strijd met art. 56 VWEU Pro voordoet, zal dus nog moeten worden beoordeeld.
indiende uitkomst van die toetsing aan art. 56 VWEU Pro zou zijn dat deze verdragsbepaling is geschonden, dat niet zonder meer tot gevolg heeft dat art. 44 cao Pro GN nietig is. Deze bepaling zal dan in het individuele geval buiten toepassing moeten worden gelaten maar het Unierecht dwingt niet tot het aannemen van nietigheid. [134] Bij een onderaanneming zonder grensoverschrijdende effecten kan art. 44 cao Pro GN overigens wèl worden toegepast.
“level playing field”, dan wel van een situatie die
“materieel(…)
op één lijn te stellen[is]
met het geval dat de toepasselijke cao GN wel algemeen verbindend zou zijn verklaard”niet voldoende is de enkele omstandigheid dat de charterbepaling uit de cao GN identiek is aan die in de wèl algemeen verbindend verklaarde cao Beroepsgoederenvervoer. Vereist is dat - breder - de harde kern van arbeidsvoorwaarden uit beide cao’s identiek zijn. Het zijn die voorwaarden die krachtens de charterbepaling door de buitenlandse dienstenverrichter moeten worden toegepast op hun werknemers en die aan de dienstenverrichter een bijkomende economische last opleggen. Hooguit wanneer de harde kern van arbeidsvoorwaarden uit beide cao’s volledig identiek zijn, zou sprake kunnen zijn van het door het hof bedoelde
level playing fieldrespectievelijk de door het hof bedoelde situatie die materieel op één lijn zou zijn te stellen met die waarin de cao GN algemeen verbindend was verklaard. Door het hof is evenwel niet onderzocht, laat staan vastgesteld, of en in hoeverre de harde kern van arbeidsvoorwaarden uit beide cao’s overeenstemmen. Tevens klagen [verweersters] dat het hof in rov. 2.14.5 enkel terloops heeft overwogen dat de beide cao’s
“voor het overige[dat wil zeggen: behalve de charterbepaling]
qua inhoudelijke bepalingen”vrijwel gelijkluidend zijn.
loon en overige vergoedingen, arbeidstijden, daaronder begrepen overwerk, rusttijden, arbeid in nachtdienst, pauzes, de duur van vakantie en het werken op feestdagen.” Voorts leert een snelle vergelijking tussen de cao GN (versie 2012-2013, overgelegd als prod. 1 bij de dagvaarding) en de cao Beroepsgoederenvervoer (versie die op 25 januari 2013 verbindend is verklaard), dat beide uitgaan van een sterk vergelijkbare structuur, dat zij dezelfde loonschalen (A0-H9) hanteren en dat de bedragen nauwelijks verschillen (die in de cao GN zijn een fractie lager). De kans dat het verwijzingshof zal oordelen dat sprake is van sterk vergelijkbare cao’s lijkt zeer aanzienlijk. Vernietiging voegt dan weinig toe.
5.Voorstel voor prejudiciële vragen
Toepasselijkheid Detacheringsrichtlijn op internationaal wegvervoer
nietop deze sector toepasselijk is. [138] Het feit dat deze richtlijn, anders dan het Mobiliteitsvoorstel, niet (mede) is gebaseerd op art. 91 VWEU Pro (transport) lijkt mij daarentegen niet relevant omdat de Detacheringsrichtlijn betrekking heeft op de dienst bestaande in het ter beschikking stellen van werknemers (zie hiervoor, 3.7), en niet op de diensten die deze werknemers tijdelijk verrichten. De reden dat het Mobiliteitsvoorstel (mede) is gebaseerd op art. 91 VWEU Pro is dat daarin tevens wijzigingen worden aangebracht in Richtlijn 2006/22/EG, die is gebaseerd op art. 91 VWEU Pro (zie hiervoor, 3.39).
Uitleg van de zinsnede “op het grondgebied van een lidstaat”
op het grondgebied van een lidstaat”in art. 1 lid Pro 1, dat het toepassingsgebied van de richtlijn afbakent, en in art. 2 lid Pro 1, dat een definitie bevat van ‘ter beschikking gestelde werknemer’. De primaire rechtsklacht van FNV heeft daarop betrekking.
Koelzschheeft bepaald in verband met het vaststellen van het gewoonlijk werkland (zie hiervoor, 3.27).
nietalgemeen verbindend is verklaard. Hier spelen de volgende vragen: a) of ‘algemeen verbindend verklaard’ een nationaal of een communautair begrip is en b) wat de rechtsgevolgen zijn als niet aan de eis van algemeen verbindend verklaring is voldaan (zie ook hiervoor, 3.16 en 4.24).
Rüffert, punt 26, zo worden uitgelegd, dat een cao die
nietovereenkomstig het nationale recht algemeen verbindend is verklaard, voor de toepassing van art. 3, lid 1, van Richtlijn 96/71 toch als algemeen verbindend in de zin van 3, lid 8, eerste alinea, van die richtlijn moet worden aangemerkt, wanneer is voldaan aan de in die bepaling genoemde voorwaarden?