Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 11 april 2017
1. Stichting EnergyClaim,
2. [naam 1] ,
3. ARTRI B.V.,
4. [naam 2] ,
5. Dutch Solar Systems B.V.,
De Staat der Nederlanden,
Het geding
De feiten
Energy Performance of Buildings Directive, hierna: “EPB-richtlijn”) in werking getreden. Op grond van de EPB-richtlijn moesten de lidstaten de noodzakelijke maatregelen nemen opdat minimumeisen voor de energieprestatie van gebouwen worden vastgesteld (artikel 4) en ervoor zorgen dat bij de bouw, verkoop of verhuur van een gebouw aan de eigenaar, of door de eigenaar aan de toekomstige koper of huurder, een energieprestatiecertificaat met een geldigheid van maximaal tien jaar wordt verstrekt (artikel 7). In artikel 10 van Pro de EPB-richtlijn was bepaald dat de lidstaten ervoor moesten zorgen dat (onder meer) de certificering van gebouwen op onafhankelijke wijze werd uitgevoerd door gekwalificeerde en/of erkende deskundigen die hetzij zelfstandig, hetzij in dienst van een openbaar of particulier orgaan optraden. Artikel 15 van Pro de EPB-richtlijn bepaalde – kort gezegd – dat de lidstaten de bepalingen uiterlijk op 4 januari 2006 moesten hebben omgezet in hun nationale wet- en regelgeving. Bij gebrek aan gekwalificeerde en/of erkende deskundigen hadden de lidstaten een extra termijn van drie jaar voor de integrale toepassing van de artikelen 7, 8 en 9 van de EPB-richtlijn (artikel 15, tweede lid). Wanneer de lidstaten van deze mogelijkheid gebruik maakten, dienden zij de Commissie daarvan in kennis te stellen, onder opgave van hun redenen en van een tijdschema voor de verdere toepassing van de richtlijn.
Ter voorkoming van verdere verzwaring van de bestaande werklast van de overheid en rechterlijke macht is ervoor gekozen in dit besluit geen expliciete bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhavingssancties op te nemen. (…)”. Door de Staat is aan (de rechtsvoorganger van) EnergyClaim te kennen gegeven dat voor het niet-opnemen van een sanctioneringssysteem ook is gekozen om de administratieve lasten voor burgers en bedrijven in verband met het verplicht hebben van een energielabel te beperken.
Sancties”) van de herziene EPB-richtlijn bepaalt dat de lidstaten de regels vaststellen inzake de toepasselijke sancties en alle nodige maatregelen treffen opdat de (op de herziene EPB-richtlijn gebaseerde) nationale regels worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten moesten de Commissie uiterlijk op 9 januari 2013 in kennis stellen van die bepalingen. Volgens artikel 28 van Pro de herziene EPB-richtlijn is de omzettingstermijn op 9 juli 2012 verstreken; de meeste bepalingen van de herziene EPB-richtlijn dienden uiterlijk 9 januari 2013 door de lidstaten te worden toegepast.
webtoolaanvullen met de belangrijkste energetische woningkenmerken. De woningeigenaar moet daarvoor, indien nodig, digitaal bewijsstukken aanleveren. Een erkend energielabeldeskundige controleert op afstand de juistheid van de gegevens en de aangeleverde bewijsstukken en kan eventueel extra bewijsstukken opvragen. Na akkoord van de erkend energielabeldeskundige en toestemming van de woningeigenaar om een definitief energielabel te registreren verstrekt de beheerder van de
webtool(RVO.nl, een onderdeel van het ministerie van Economische Zaken) het energielabel. Het toezicht en de handhaving berusten sinds 1 januari 2015 bij de Inspectie Leefomgeving en Transport van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (hierna: ILT). De ILT controleert op het aanwezig zijn van het energielabel bij oplevering, verkoop of verhuur van een woning. In geval van overtredingen kan de ILT een last onder dwangsom en/of een bestuurlijke boete opleggen.
Vorderingen en de beoordeling in eerste aanleg
Beoordeling van het hoger beroep
Grief 1is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant sub 4] geen procesbelang heeft. Met
grief 2komt EnergyClaim c.s. op tegen onderdeel 4.A van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank de vordering tot nakoming van de plicht tot implementatie van de EPB-richtlijnen heeft beoordeeld. Volgens EnergyClaim c.s. miskent de rechtbank dat zij geen beroep heeft gedaan op de directe werking van bepalingen van de EPB-richtlijn. Er is voldaan aan alle voorwaarden die op grond van Unierechtelijke jurisprudentie mogen worden gesteld voor aansprakelijkheid van de Staat jegens EnergyClaim c.s., inclusief het relativiteitsvereiste.
Grief 3is gericht tegen onderdeel 4.B van het bestreden vonnis, dat betrekking heeft op de vorderingen uit onrechtmatige daad. Volgens EnergyClaim c.s. heeft de rechtbank miskend dat de strikte relativiteitsbenadering in de arresten van de Hoge Raad in
Duwbak Linda(ECLI:NL:HR:2004:AO6012) en
Iraanse vluchtelinge(ECLI:NL:HR:2007:AZ8751) is versoepeld in latere arresten. In ieder geval leidt de correctie Langemeijer er volgens EnergyClaim c.s. toe dat aan het relativiteitsvereiste is voldaan. Nu er wel sprake is van relativiteit en schending van een zorgvuldigheidsnorm, is er volgens EnergyClaim ook sprake van strijdigheid met de Aanwijzingen voor de regelgeving. Met
grief 4komt EnergyClaim c.s. op tegen rechtsoverweging 4.20, waarin de rechtbank het beroep op het égalité-beginsel heeft verworpen. Met
grief 5verwijt EnergyClaim c.s. de rechtbank dat zij niet is ingegaan op de stelling van EnergyClaim c.s. dat het energielabelsysteem niet rechtsgeldig is en dat daardoor de EPB-richtlijnen niet (goed) uitgevoerd kunnen zijn.
Grief 6is gericht tegen het feit dat de rechtbank in het bestreden vonnis niet is ingegaan op de stelling van EnergyClaim c.s. dat de Staat oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van de extra omzettingstermijn van artikel 15, tweede lid van EPB-richtlijn. Met
grief 7ten slotte komt EnergyClaim c.s. op tegen het feit dat in het bestreden vonnis geen melding wordt gemaakt van producties 120 tot en met 139E van EnergyClaim c.s., hoewel deze producties een nadere onderbouwing vormen van de stellingen van EnergyClaim c.s.
Becker, Jur. 1982, blz. 53).
Het gaat echter in deze zaak alleen om de voorwaarden voor staatsaansprakelijkheid, en wel omdat appellanten schadeverhaal verlangen”. En in randnummer 246 van de memorie van grieven stelt EnergyClaim c.s. dat de rechtbank zich in onderdeel 4.A van het bestreden vonnis heeft gebogen over “
een aspect dat door appellanten niet als zodanig in de dagvaarding is aangebracht”. Met dat aspect bedoelt Energyclaim c.s. kennelijk de directe werking van de herziene EPB-richtlijn. Uit deze stellingen leidt het hof af dat EnergyClaim c.s. zich niet op de directe werking van de herziene EPB-richtlijn beroept. Hoe dan ook zijn naar het oordeel van het hof de door EnergyClaim c.s. in haar vordering sub IV genoemde bepalingen van de herziene EPB-richtlijn onvoldoende nauwkeurig om directe werking te kunnen hebben. Daarvoor laten deze bepalingen de lidstaten teveel keuzemogelijkheden bij de uitvoering ervan.
Francovich(ECLI:EU:C:1991:428) volgt dat wanneer een richtlijn geen directe werking heeft, een lidstaat niettemin aansprakelijk kan zijn voor de schade die particulieren lijden doordat de richtlijn niet tijdig of niet juist in nationaal recht is omgezet. Daarvoor moet zijn voldaan aan drie vereisten: (i) de geschonden rechtsregel moet ertoe strekken dat aan particulieren rechten worden toegekend, (ii) er moet sprake zijn van een voldoende gekwalificeerde schending, en (iii) er moet een direct causaal verband bestaan tussen de schending van de op de lidstaat rustende verplichting en de door de benadeelde personen geleden schade (arrest van het HvJ EU in
Brasserie du Pêcheur/ Factortame III, ECLI:EU:C:1996:79, rechtsoverweging 51).
Danske Slagterier(ECLI:EU:C:2009:178) en
Jutta Leth(ECLI:EU:C:2013:166) meebrengt dat ook de gestelde omzetderving van de EPA-adviseurs binnen de beschermingsdoelstelling van de EPB-richtlijnen valt. In dat verband heeft Energyclaim c.s. aangevoerd dat de schade geleden door de EPA-adviseurs een “rechtstreeks economisch gevolg” is van de niet tijdige en onjuiste toepassing van de richtlijnen.
Danske Slagterierals in het arrest
Jutta Lethwas er een zodanige nauwe samenhang tussen de doelstelling van de geschonden norm (bevordering van de intracommunautaire handel in vers vlees, respectievelijk bescherming van het milieu en de kwaliteit van het bestaan), enerzijds, en de belangen van eisers (invoer van vers vlees, respectievelijk behoud van de waarde van een woning), anderzijds, dat de beschermingsdoelstelling van de norm zich mede tot die belangen kon uitstrekken. In het onderhavige geval ontbreekt die nauwe samenhang. Weliswaar kan de niet tijdige of onjuiste invoering van de EPB-richtlijnen leiden tot een omzetderving van EPA-adviseurs, maar er is geen nauwe samenhang tussen de belangen van deze bedrijven en de doelstelling van de EPB-richtlijnen om het energieverbruik terug te dringen door de energieprestatie van gebouwen te verbeteren. Het gaat hier veeleer om indirecte economische gevolgen, die op één lijn kunnen worden gesteld met de concurrentienadelen genoemd door het HvJ EU in het arrest
Jutta Leth.
installateurs en aannemers (…) van cruciaal belang [zijn] voor de succesvolle uitvoering van deze richtlijn”). Anders dan EnergyClaim c.s. stelt, vormen de EPA-adviseurs dus geen afgebakende groep die zich voldoende onderscheidt van andere bedrijven die economische gevolgen ondervinden van niet tijdige of onjuiste uitvoering van de EPB-richtlijnen. (De groep bedrijven waarvoor EnergyClaim c.s. opkomt is overigens zelf ook niet scherp afgebakend; zo lijkt appellant sub 5 zich niet bezig te houden met EPA-adviezen en meer gemeen te hebben met installateurs.) Indien in het geval van EnergyClaim c.s. zou worden aangenomen dat aan het relativiteitsvereiste is voldaan, dan zou eenzelfde conclusie moeten gelden voor alle andere bedrijven die nadelige economische gevolgen ondervinden van de niet tijdige of onjuiste uitvoering van de EPB-richtlijnen en die schade op de Staat zouden willen verhalen. Daarmee zou het relativiteitsvereiste zijn betekenis verliezen.
Barneveld/Gasunie(ECLI:NL:HR:2007:AZ1598)
, Hangmat(ECLI:NL:HR:2010:BM6095),
Fabricom II(ECLI:NL:HR:2014:3073) en
Imagine(ECLI:NL:HR:2016:162) uitgegaan van een ruimere toepassing van het relativiteitsvereiste dan in de arresten
Duwbak Lindaen
Iraanse vluchteling, die de rechtbank in het bestreden vonnis als uitgangspunt heeft gehanteerd. Aan dat ruimere relativiteitsvereiste zou in het geval van EnergyClaim c.s. wel zijn voldaan.
Barneveld/Gasuniediende de geschonden norm in de eerste plaats de belangen van de omwonenden en gebruikers van de gasleiding. Het oordeel van de Hoge Raad dat jegens Gasunie aan het relativiteitsvereiste was voldaan, berustte op de nauwe samenhang tussen het belang van Gasunie en de belangen van de omwonenden bij de voorkoming van ongelukken met de gasleiding. Hiervoor is reeds geconstateerd dat tussen het door de EPB richtlijnen nagestreefde algemene belang van het terugdringen van het energieverbruik en de belangen van EnergyClaim c.s. geen nauwe samenhang bestaat. De belangen van EnergyClaim c.s. kunnen ook niet worden vereenzelvigd met de belangen van de eigenaars en gebruikers van gebouwen, die mede door de EPB-richtlijnen worden gediend.
Fabricom IIgaat evenmin op. Anders dan door EnergyClaim c.s. wordt bepleit, zijn certificeringsdeskundigen niet te beschouwen als materieel begunstigden van de EPB-richtlijnen. Zoals hiervoor is overwogen, kunnen zij wel profiteren van de uitvoering van die richtlijnen, maar dat is slechts een neveneffect en niet het doel van die richtlijnen.
Hangmaten
Imaginehaar standpunt ondersteunen vanwege de methode die de Hoge Raad in deze arresten heeft gehanteerd om de reikwijdte van kwalitatieve aansprakelijkheden te bepalen. De Hoge Raad heeft in deze arresten eerst aansluiting gezocht bij de tekst van de wet, vervolgens bij de parlementaire geschiedenis en uiteindelijk bij wat “
naar maatschappelijke opvattingen, in aanmerking genomen de belangen van de benadeelde, de bezitter en de aansprakelijkheidsverzekeraar, het meest redelijk moet worden geacht(…)” (rechtsoverweging 4.3.4 van het arrest
Hangmat). In het onderhavige geval kan reeds op grond van de
tekstvan de EPB-richtlijnen worden vastgesteld dat met deze richtlijnen niet wordt beoogd de belangen te dienen van de bedrijven waarvoor EnergyClaim c.s. opkomt. Ten overvloede wijst het hof nog op het volgende. Ten aanzien van de parlementaire geschiedenis heeft EnergyClaim c.s. gewezen op uitlatingen van Nederlandse overheidsinstanties. Die uitlatingen zijn echter niet relevant voor de bepaling van de reikwijdte van instrumenten van Unierecht. Ten aanzien van de Unierechtelijke wetsgeschiedenis heeft EnergyClaim c.s. niets aangevoerd dat haar standpunt met betrekking tot de beschermingsomvang van de EPB-richtlijnen ondersteunt. EnergyClaim c.s. heeft evenmin voldoende gemotiveerd gesteld waarom de maatschappelijke opvattingen in dit geval mee zouden moeten brengen dat de beschermingsomvang van de EPB-richtlijnen wordt uitgebreid tot de belangen van de bedrijven waarvoor zij opkomt.
AstraZeneca/Menzis, ECLI:NL:HR:2006:AY9317).
Praxis e.a./gemeente Zwolle(ECLI:NL:RVS:2016:732).
(...) eerst actief, uitdrukkelijk en zonder voorbehoud op te roepen en te stimuleren om met het oog op de komende EPDB-regelgeving te investeren in hun bedrijfsvoering, terwijl [de Staat] vervolgens die vereiste EPDB-regelgeving niet, niet juist, niet tijdig en niet effectief implementeert” (memorie van grieven, randnummer 79). EnergyClaim c.s. heeft deze stelling onder meer in randnummer 19 van de memorie van grieven onderbouwd met verwijzingen naar verschillende brieven en uitlatingen van ambtenaren en bewindspersonen en publicaties in opdracht van de overheid, waarin volgens EnergyClaim c.s. concrete verwachtingen zijn gewekt ten aanzien van de invoering van de EPB-richtlijnen en de essentiële rol die EPA-adviseurs daarbij zouden vervullen.
(…) eerst actief, gericht en op instigatie van de Staat hebben geïnvesteerd in een toekomstige (o.g.v. Europese regelgeving door de Staat verplicht te implementeren) wetgeving (…) terwijl de Staat vervolgens deze implementatie niet, niet goed en niet effectief implementeert” (memorie van grieven, randnummer 84). Voor zover in dit verband van een last kan worden gesproken, is deze echter speciaal noch abnormaal, om de hiervoor genoemde redenen: de EPA-adviseurs vormen geen afgebakende groep, die zich voldoende onderscheidt van andere ondernemingen die nadelige economische gevolgen ondervinden van de niet tijdige of onjuiste invoering van de EPB-richtlijnen, en de door EnergyClaim c.s. gestelde, vergeefse investeringen behoren tot het normale bedrijfsrisico.