Conclusie
eerste middelziet op feit 1 met parketnummer 100.00306/14 en klaagt dat het Hof in strijd met art. 1:123 en Pro 2:262 van het Wetboek van Strafrecht Sint Maarten (verder: SrStM) de bewezenverklaring ten aanzien van het medeplegen van poging tot moord onbegrijpelijk en onvoldoende heeft gemotiveerd, nu uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat sprake is van “medeplegen” en “voorbedachte raad”.
dathij op 24 juli 2014 in Sint Maarten tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door de verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen meerdere kogels op [slachtoffer 1] heeft afgevuurd, zijnde de verdere uitvoering van dat door hem en zijn mededader voorgenomen misdrijf niet voltooid.’
Feit 1
verklaring van [slachtoffer 1], -zakelijk weergegeven-:
verklaring van [betrokkene 3]- zakelijk weergegeven-:
een medische verklaringopgemaakt op 25 juli 2014 door M.E. Misset, chirurg, voor zover inhoudende zakelijk weergegeven:
verklaring van verbalisant voornoemd,
verklaring van verbalisant voornoemd, -zakelijk weergegeven-:
als verklaring van die verbalisant -zakelijk weergegeven-:
verklaring van voornoemde verbalisant, -zakelijk weergegeven-:
kennisgeving van inbeslagnemingop 21 augustus 2014 te [a-straat] , opgemaakt door [verbalisant 6] , brigadier bij het Korps Politie Sint Maarten (als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal nr. 1408221100.DZK), voor zover inhoudende als
verklaring van voornoemde verbalisant,-zakelijk weergegeven-:
als verklaring van die verbalisant-zakelijk weergegeven-:
Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituutd.d. 25 februari 2015 genaamd “Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident op 24 juli 2014, opgemaakt door de deskundige R. Hermsen, voor zover inhoudende als verklaring van deze deskundige:
kogel (AADP4561NL)afkomstig uit het
pistool (AAEV5053NL)ingestuurd onder politie-registratienummer 343-14.01.
verklaring van verbalisantenvoornoemd, -zakelijk weergegeven-:
[001]aangetroffen. In deze Blackberry zijn berichten aangetroffen tussen onder meer de volgende Blackberry pinnummers:
[003].
[002]aangetroffen. Op deze Blackberry zit een sticker met daarop vermeld het Blackberrypinnummer [003] in combinatie met imeinummer [002] . Dit imeinummer is voorts gekoppeld aan het telefoonnummer + [004] . Dit telefoonnummer is afgeluisterd en bleek in gebruik te zijn bij [verdachte] . Voorts is door de
[002] .
[007].
[001]en telefoonnummer + [005] . In de contactenlijst van de telefoon die onder de verdachte [verdachte] in beslag is genomen is de naam “ [betrokkene 2] ” gekoppeld aan het telefoonnummer + [005] .
als verklaring van verbalisantenvoornoemd, -zakelijk weergegeven-:
NJ2015/390 m.nt. Mevis aan medeplegen en medeplichtigheid heeft gewijd:
NJ 2011/481). Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. (Vgl. HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905,
NJ 2004/443).
NJ 2011/341). Voor het gewicht van de rol van de medepleger in de zin van art. 47 Sr Pro kan ook worden gewezen op art. 141, eerste lid, Sr. Het daar strafbaar gestelde ‘in vereniging plegen’ van geweld eist dat de verdachte ‘een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld’ heeft geleverd, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn geweest. (Vgl. bijvoorbeeld HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132,
NJ 2013/407).
NJ 2010/193waarin ten aanzien van het medeplegen van een vernieling werd overwogen ‘dat het louter aanwezig zijn bij en zich niet distantiëren van een door een ander gepleegde vernieling, alsmede het louter instemmen met die vernieling, ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien daarvoor onvoldoende zijn’, alsmede HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1307 inzake diefstal door twee of meer verenigde personen waarin onvoldoende werd bevonden de enkele vaststelling ‘dat de verdachte een vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en dat het niet anders kan zijn dan dat over het verschaffen van deze vluchtmogelijkheid van te voren door de verdachte en zijn mededaders afspraken zijn gemaakt’.”
NJ2014/156 m.nt. Keulen het volgende overwogen: [4]
NJ 2012/518.
tweede middelheeft betrekking op feit 1 met parketnummer 100.00269/15 (poging doodslag, meermalen gepleegd) en klaagt dat noch het daderschap van de verdachte noch het opzet op levensberoving uit ’s Hofs bewijsvoering kan volgen, althans dat deze bewijsvoering onbegrijpelijk en onvoldoende is gemotiveerd.
dathij op 16 mei 2014 in Sint Maarten ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet, met een vuurwapen meermalen heeft geschoten op een auto waarin [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zich bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
verklaring van [slachtoffer 2], -zakelijk weergegeven-:
verklaring van [slachtoffer 3], -zakelijk weergegeven-:
verklaring van verbalisant voornoemd, -zakelijk weergegeven-:
transcriptie van een telefoongesprekvoor zover
opmerking van verbalisanten:
verklaring van de verdachte:
verklaring van voornoemde
verklaring van voornoemde verbalisant, -zakelijk weergegeven-:
verklaring van die verbalisant-zakelijk
Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituutvan 7 november 2014, opgemaakt door de deskundige dr. A.G.M. van Gorp, voor zover inhoudende als verklaring van deze deskundige:
NJ2003/552 m.nt. Buruma heeft de Hoge Raad het volgende overwogen aangaande het voorwaardelijk opzet: [6]
derde middelheeft het oog op feit 2 met parketnummer 100.00269/15 en klaagt, bezien in samenhang met de toelichting daarop, dat noch het daderschap van de verdachte noch de voorbedachte raad uit ’s Hofs bewijsvoering kan volgen, althans dat de bewezenverklaring te dien aanzien zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.
dathij op 20 juli 2014 in Sint Maarten ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 4] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meermalen heeft geschoten op
eenslaapkamer van een woning waarin [slachtoffer 4] zich bevond, zijnde de verdere uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.”
Feit 2
verklaring van [slachtoffer 4] , wonende [c-straat 1] te Sint Maarten, -zakelijk weergegeven-:
verklaring van [slachtoffer 4]-zakelijk weergegeven-:
verklaring van [betrokkene 6] , wonende [c-straat 1], - zakelijk weergegeven-:
verklaring van die verbalisant-zakelijk weergegeven-:
verklaring van voornoemde verbalisant, - zakelijk weergegeven-:
verklaring van die verbalisant-zakelijk weergegeven-:
Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituutd.d. 19 december 2014 genaamd “Munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident op Sint Maarten op 20 juli 2014, opgemaakt door de deskundige R. Hermsen, voor zover inhoudende als verklaring van deze deskundige:
verklaring van verbalisanten
verklaring van verbalisanten voornoemd,-zakelijk weergegeven-: