Conclusie
1.Feiten
Artikel 5. Garanties
Bijlage 5.1.aopgenomen garantieverklaringen (de “
Verkoper Garanties”), op de Overdrachtsdatum in alle opzichten juist en niet misleidend zijn.
2.Procesverloop
De reconventionele vorderingen tot betaling van achterstallige rente
De bevoegdheid tot opschorting
opschortenvoor zover zij zelf een vordering heeft op [verweerster 1] en [verweerster 4] (c.q. hun rechtsopvolgers). De in dit geding toe te wijzen concrete bedragen die Licorne Nederland te vorderen heeft van [verweerster 1] en [verweerster 4] (dan wel hun rechtsopvolgers) kan Licorne Holding
verrekenenmet haar verplichtingen uit hoofde van de achtergestelde lening op grond van hetgeen hiervoor bij de verrekening is overwogen, en
daarmee opschorten. Voor verdere
opschortingdoor Licorne Holding ter zake van door Licorne Nederland te lijden schade bestaat geen grond. Voor zover Licorne Holding besluit de in dit geding toe te wijzen, gemaakte kosten
niet te verrekenen, maar te incasseren, gaat haar opschortingsrecht teniet omdat zij niets meer te vorderen heeft en is zij gehouden de reeds verschuldigde rente en de in de toekomst verschuldigde rentetermijnen te voldoen, alsmede de aflossingen op de hoofdsom binnen de grenzen van de overeenkomst. De door Licorne c.s. gevorderde verklaring voor recht dat zij haar verplichtingen uit hoofde van de achtergestelde lening mag
opschortentotdat
de totale omvangvan de door [verweersters] aan haar te vergoeden schade
is komen vast te staanis niet toewijsbaar. De door [verweersters] gevorderde verklaring voor recht tot betaling van de rente uit hoofde van de achtergestelde geldlening is daarmee wel toewijsbaar.”
de reconventionele vorderingen tot betaling van achterstallige rente
3.Bespreking van het principaal cassatieberoep
onderdeel 1richt klachten tegen het oordeel dat Licorne Holding haar verplichtingen uit de achtergestelde lening niet kan opschorten (rov. 2.30.-2.35.) en tegen de daaropvolgende toewijzing van de vordering van [verweersters] tot betaling van achterstallige rente over de achtergestelde lening. De klachten houden kort gezegd in dat het hof in dit verband de schade van Licorne Holding ten onrechte heeft gekwalificeerd als afgeleide schade;
onderdeel 2komt op tegen de toewijzing van de vordering van [verweersters] tot betaling van achterstallige rente met de klacht dat de motivering van het toegewezen bedrag, gelet op de betwisting daarvan door Licorne c.s., niet voldoet;
onderdeel 3klaagt dat het hof ten onrechte de door [verweersters] over de achterstallige rente gevorderde wettelijke handelsrente heeft toegewezen; volgens het onderdeel heeft het hof art. 6:119a BW ten onrechte toegepast.
onderdeel 1stel ik het volgende voorop. Art. 6:52 BW Pro bepaalt dat een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser, bevoegd is de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen. In ieder geval dient de vordering van de schuldenaar op de schuldeiser opeisbaar te zijn. Dat is bij een vordering tot schadevergoeding het geval vanaf het moment dat de schade is geleden en aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid is voldaan, ook al komt de omvang daarvan pas in een later stadium vast te staan, bijvoorbeeld na bewijslevering, dan wel in een afzonderlijke procedure zoals een schadestaat of een arbitraal geding. [34]
Subonderdeel 1.2klaagt dat het hof ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het leerstuk van afgeleide schade. Deze klacht wordt nader uitgewerkt in vijf sub-subonderdelen. Omdat deze sub-subonderdelen mijns inziens terecht zijn voorgesteld, zal ik deze als eerste behandelen. Pas daarna bespreek ik subonderdeel 1.1 (randnummers 3.21-3.23) en subonderdeel 1.3 (randnummers 3.24 e.v.).
sub-subonderdeel 1.2.1klaagt dat het hof met dit oordeel art. 24 Rv Pro heeft geschonden, omdat [verweersters] niet hebben betwist dat ook Licorne Holding schade lijdt door veroordelingen van Licorne Nederland in de Oude Strafzaak of de Nieuwe Strafzaak, en evenmin stellingen hebben ingenomen omtrent de aard van de door Licorne Holding geleden schade;
sub-subonderdeel 1.2.2heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het begrip afgeleide schade; in dit geval is daarvan geen sprake, omdat de schade van Licorne Holding het gevolg is van een rechtstreekse normschending jegens haar;
sub-subonderdeel 1.2.3betoogt verder dat het hof bij de kwalificatie van de schade van Licorne Holding als afgeleide schade voorbij heeft gezien aan de door Licorne Holding gestelde schade aan haar eigen reputatie;
sub-subonderdeel 1.2.4heeft het hof de stellingen van Licorne Holding met betrekking tot haar schade te beperkt uitgelegd;
sub-subonderdeel 1.2.5ten slotte klaagt dat het oordeel dat Licorne Holding geen eigen vordering heeft op [verweersters] onverenigbaar is met het dictum, waarin het hof [verweersters] hoofdelijk heeft veroordeeld tot vergoeding van alle door Licorne Holding en Licorne Nederland te lijden schade in verband met de nieuwe strafzaak.
viahet vermogen van de vennootschap, wordt van ‘afgeleide’ schade gesproken. [38] Het is vaste rechtspraak van Uw Raad dat de aandeelhouder in een dergelijk geval in beginsel geen recht heeft op vergoeding van deze schade. [39] De reden daarvoor is, zoals Uw Raad overwoog in het arrest
Poot/ABP, dat de vennootschap zelf een aanspraak op schadevergoeding heeft. Als zij deze te gelde maakt, stijgt de waarde van de aandelen weer, zodat de aandeelhouder per saldo geen schade (meer) lijdt. [40] Over de reikwijdte van dit leerstuk is veel gedebatteerd, [41] maar duidelijk is dat de aandeelhouder slechts recht heeft op vergoeding van door hem in deze hoedanigheid geleden schadewanneer de aandeelhouder ageert op basis van een (ook) jegens hem persoonlijk geschonden zorgvuldigheidsnorm. [42] Dat kan aan de orde zijn wanneer een onrechtmatige daad of wanprestatie is gepleegd jegens de vennootschap met als doel de aandeelhouder te benadelen, [43] maar (uiteraard) ook als duidelijk wordt dat ‘rechtstreeks’ onrechtmatig is gehandeld jegens de aandeelhouder. [44] Als voorbeeld van een dergelijke situatie wordt genoemd: het geval dat iemand op basis van misleidende mededelingen van de vennootschap en/of derden, aandelen koopt in de vennootschap voor – naar later blijkt – een te hoge prijs. [45] Volgens Uw Raad heeft de koper ((inmiddels) tevens aandeelhouder) in zo’n geval inderdaad een eigen vorderingsrecht. [46] Er zijn dan feitelijk twee redenen om het leerstuk van de afgeleide schade buiten beeld te laten: niet alleen is sprake van een normschending jegens de koper (tevens aandeelhouder), maar deze is ook direct in zijn vermogen geraakt doordat hij een te hoge koopprijs heeft betaald. Zijn schade lijdt hij dus niet via het vermogen van de vennootschap maar rechtstreeks. [47]
Poot/ABPcentraal stond. In het onderhavige geval staat immers vast dat sprake is van een normschending door [verweersters] jegens Licorne Holding: het hof heeft onbestreden geoordeeld dat [verweersters] wanprestatie hebben gepleegd jegens Licorne Holding door de garantiebepalingen uit de Koopovereenkomst te schenden (rov. 2.24.). De schade die Licorne Holding daardoor heeft geleden is dus reeds om die reden niet te kwalificeren als afgeleide schade in de hiervoor (randnummer 3.9) bedoelde zin. Daarbij komt dat de schade die Licorne Holding als aandeelhoudster stelt te hebben geleden ook van een ander type is dan de schade waarvan sprake was in (bijvoorbeeld) het aan
Poot/ABPten grondslag liggende geval. In het onderhavige geval is gesteld dat de schade van Licorne Holding mede ziet op de waardedaling van de aandelen in Licorne Nederland, [48] althans op de betaalde en naar nu blijkt mogelijk te hoge koopprijs. [49] Zo bezien is dus sprake van rechtstreekse of directe schade zoals hiervoor (randnummer 3.9) besproken: de schade van Licorne Holding is niet geleden
viahet vermogen van Licorne Nederland (doordat de aandelen in die vennootschap minder waard zijn geworden) maar rechtstreeks, doordat voor die aandelen een te hoge koopprijs is betaald. Ten slotte hebben Licorne c.s. gesteld dat de schade van Licorne Holding niet enkel bestaat uit de te hoge koopprijs, maar ook uit reputatieschade van Licorne Holding zelf en uit kosten die zij voor de onderhavige procedure heeft gemaakt. [50]
subonderdeel 1.2terecht zijn voorgesteld. Ik licht dat nader toe.
Sub-subonderdeel 1.2.2slaagt dus.
sub-subonderdeel 1.2.3slaagt dus.
Sub-subonderdeel 1.2.4slaagt daarom eveneens.
Ook sub-subonderdeel 1.2.5is dus terecht voorgesteld.
subonderdeel 1.2die zien op de toepassing door het hof van het leerstuk van afgeleide schade zijn dus terecht voorgesteld: het hof kon dit leerstuk niet toepassen. Bij deze stand van zaken volsta ik ten aanzien van
sub-subonderdeel 1.2.1, dat klaagt dat het hof met die toepassing buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, met de vaststelling dat [verweersters] inderdaad geen op toepassing van afgeleide schade gericht betoog hebben gevoerd. [51] Het sub-subonderdeel wijst daar mijns inziens terecht op. [52] Ook
sub-subonderdeel 1.2.1slaagt daarom.
subonderdeel 1.2zijn dus terecht voorgesteld.
onderdeel 1van het middel: subonderdeel 1.1 en vervolgens subonderdeel 1.3.
Sub-subonderdeel 1.1.1voert tegen dat oordeel twee
specifiekeklachten aan. Ten eerste wordt geklaagd dat de afwijzing van het beroep op opschorting niet voldoet als motivering voor de toewijzing van de reconventionele vorderingen, omdat dat oordeel het toe te wijzen bedrag onverlet laat. Op zichzelf lijkt mij juist dat het oordeel van het hof dat Licorne Holding haar verplichtingen tot betaling van rente niet kan opschorten, niet betekent dat de door [verweersters] gevorderde bedragen aan achterstallige rente (geheel) toewijsbaar zijn: zo kan bijvoorbeeld (zoals in dit geval) nog worden betwist dat die bedragen correct zijn berekend. De klacht, dat de verwerping van het beroep op opschorting niet voldoet als motivering voor de toegewezen bedragen, mist strikt genomen belang indien uit het arrest blijkt dat een andere (zelfstandig dragende) motivering is gegeven voor het toegewezen bedrag.
Onderdeel 2van het middel ziet daarop. Zoals echter uit de bespreking van dat onderdeel volgt (hierna randnummers 3.28 e.v.), heeft het hof geen andere motivering voor het toegewezen bedrag gegeven.
Sub-subonderdeel 1.1.1klaagt dus terecht dat de afwijzing van het beroep op opschorting niet kan volstaan als motivering voor de toewijzing van de gevorderde bedragen aan achterstallige rente.
sub-subonderdeel 1.1.1is gericht tegen rov. 2.35. en klaagt dat het hof bij de beoordeling van de mogelijkheid tot opschorting diende te volstaan met een voorshands oordeel over de tegenvordering van Licorne c.s. Bovendien was, anders dan het hof volgens het sub-subonderdeel aanneemt, rechtens niet vereist dat (de omvang van) deze tegenvordering “is komen vast te staan”. [59] Ook
sub-subonderdeel 1.1.2richt een klacht tegen rov. 2.35. Die klacht houdt in dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting waar het oordeelt dat het opschortingsrecht van Licorne Holding teniet gaat voor zover zij de toe te wijzen kosten niet verrekent maar incasseert. Beide klachten behoeven geen nadere bespreking: nu, door het slagen van subonderdeel 1.2, het oordeel van het hof over de opschortingsbevoegdheid van Licorne Holding niet in stand kan blijven, geldt dat eveneens voor de daarop voortbouwende overwegingen, waaronder rov. 2.35.
subonderdeel 1.1behoeven geen nadere bespreking.
subonderdeel 1.3.Dit subonderdeel klaagt dat het hof met zijn oordeel dat Licorne Holding geen eigen vordering heeft op [verweersters] heeft miskend dat Licorne Holding een eigen schadevordering toekomt uit hoofde van de vrijwaring in artikel 7.1 van de Koopovereenkomst.
subonderdeel 1.3stuk.
subonderdeel 1.1en
subonderdeel 1.2(overwegend) slagen. Dit brengt mee dat het arrest van het hof niet in stand kan blijven voor zover daarin (1) de gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot de opschortingsbevoegdheid van Licorne Holding is afgewezen [63] en (2) de vordering van [verweersters] tot betaling van achterstallige rente is toegewezen. [64] De overige klachten van
onderdeel 1falen.
onderdeel 2.
Onderdeel 2van het middel wijst daar terecht op.
Onderdeel 3 aanhefklaagt dat een geslaagd beroep op een opschortingsbevoegdheid op de voet van art. 6:59 BW Pro tot schuldeisersverzuim leidt, zodat art. 6:119a lid 7 BW [71] aan toekenning van wettelijke handelsrente in de weg staat.
subonderdeel 3.1is een vordering als hier aan de orde, een vordering die betrekking heeft op een bedrag aan contractuele rente over een vordering uit geldlening, rechtens niet te kwalificeren als een geldvordering uit hoofde van een handelsovereenkomst in de zin van art. 6:119a BW.
subonderdeel 3.2heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door wettelijke handelsrente toe te wijzen “vanaf het moment van opeisbaarheid”, terwijl deze pas begint te lopen vanaf het uiterste tijdstip voor betaling dan wel het in art. 6:119a lid 2 BW bedoelde moment.
Onderdeel 3 aanhefvoert dus terecht aan dat het slagen van de klachten tegen het oordeel over de opschortingsbevoegdheid (hiervoor randnummers 3.11 e.v.) tevens de grond aan de toewijzing van de wettelijke handelsrente doet ontvallen.
Fitness Carnisselande/ [...]geoordeeld dat art. 6:119a BW niet slechts toepasselijk is op handelstransacties waarvoor een factuur wordt opgemaakt, maar ook op handelstransacties in het kader waarvan geen factuur maar een gelijkwaardig betalingsverzoek wordt verzonden. [90]
Fidium Finanzoordeelde het HvJ EU dat bedrijfsmatige kredietverstrekking (in dat geval aan consumenten) een dienst is, die aldus binnen de reikwijdte van het vrij verkeer van diensten binnen de interne markt valt. Het HvJ EU wees er daarbij op dat het begrip ‘diensten’ in art. 50 van Pro het EG-Verdrag [101] ziet op de verrichtingen die niet door de andere vrijheden worden beheerst, om te vermijden dat economische activiteiten buiten de werkingssfeer van de fundamentele vrijheden zouden vallen. [102] Ook in het kader van de uitleg van de Richtlijn consumentenkrediet kwam het HvJ EU tot het oordeel dat kredietverstrekking onder het vrij verkeer van diensten valt. [103]
Escura/Catilia, waarin het cassatiemiddel mede het betoog inhield dat art. 6:119a BW niet van toepassing was op de verkoop van aandelen in een vennootschap, nu die verkoop niet tot de normale bedrijfsuitoefening van de verkoper behoorde. [105] Volgens A-G Wuisman bestond echter geen ruimte voor een dergelijke beperking van het toepassingsgebied van art. 6:119a BW; hij wees daarbij op de ruime omschrijving van het toepassingsbereik van de Richtlijn en op de doelstelling van de Richtlijn. In het bijzonder achtte hij van belang dat de Richtlijn een regeling geeft voor ‘alle handelstransacties’ en dat daarin in algemene zin wordt gesproken over ‘het bedrijfsleven’. [106] Uw Raad verwierp het cassatieberoep op dit punt met toepassing van art. 81 RO Pro.
acte clair [107] of
acte éclairé. [108] In dit geval gaat het om een implementatie van Unierecht en staat na deze cassatie geen gewoon rechtsmiddel meer open. Gelet op de ruime definitie van het begrip ‘diensten’ door het HvJ EU (randnummer 3.46) meen ik dat van een acte clair kan worden gesproken en dat het niet nodig of geïndiceerd is om aan het HvJ EU als prejudiciële vraag voor te leggen of overeenkomsten van geldlening binnen het bereik van de wettelijke handelsrente (kunnen) vallen. In dat verband wijs ik op een relatief recente bijdrage van Junglas over het Duitse recht op dit punt, waarin op grond van rechtspraak van het HvJ EU wordt geconcludeerd dat het verschaffen van krediet een dienst is in de zin van de Richtlijn en dat de rente naar de heersende opvatting in de Duitse literatuur een vergoeding vormt in de zin van art. 1 van Pro de Richtlijn. [109] Dit sluit aan bij de in randnummer 3.49 aangeduide benadering. Daar komt bij dat de Richtlijn strekt tot minimumharmonisatie (hiervoor randnummer 3.40) en dus op zichzelf niet in de weg staat aan een ruimere toepassing in een lidstaat van de regeling van de wettelijke handelsrente ten gunste van de schuldeiser, zodat het stellen van een prejudiciële vraag vanuit Europeesrechtelijk perspectief niet is vereist. [110] Mede tegen die achtergrond meen ik dat er geen noodzaak bestaat tot het stellen van prejudiciële vragen. Daarover zou echter ook anders kunnen worden gedacht in het licht van de ratio van de Richtlijn bedrijven te behoeden voor (liquiditeits)problemen door betalingsachterstanden, waarbij met name is gedacht aan het midden- en kleinbedrijf (hiervoor randnummer 3.38). Nu deze laatste categorie bij overeenkomsten van geldlening doorgaans schuldenaar is, zou zij nadeel kunnen ondervinden van een ruime uitleg van de Richtlijn. Verder is de feitenrechtspraak niet geheel eenduidig. In dat licht zou Uw Raad toch het stellen van prejudiciële vragen kunnen overwegen, maar de genoemde omstandigheden leggen daarvoor naar mijn smaak onvoldoende gewicht in de schaal; het toepassingsbereik van de richtlijn is immers niet tot het midden- en kleinbedrijf beperkt, maar strekt zich uit tot alle handelstransacties tussen ondernemingen (hiervoor randnummer 3.39).
subonderdeel 3.1vergeefs is voorgesteld.
onderdeel 3 aanhefen
subonderdeel 3.2zijn terecht voorgesteld,
subonderdeel 3.1faalt daarentegen.
4.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
Subonderdeel 1.1faalt derhalve.
subonderdeel 1.2vergeefs voorgesteld.
subonderdeel 1.3.
Subonderdeel 1.4is daarmee vergeefs voorgesteld.
5.Afdoening
subonderdelen 1.1 en 1.2 in het principaal beroepslagen merendeels. Dat betekent dat het oordeel van het hof over de opschortingsbevoegdheid van Licorne c.s. niet in stand kan blijven en de daarop voortbouwende oordelen evenmin. Daaronder valt ook de toewijzing van de vorderingen van [verweersters] met betrekking tot betaling van bedragen uit hoofde van de achtergestelde lening.
onderdeel 2en
subonderdeel 3.2in het principale beroep, tevens de juistheid van de gevorderde bedragen en het aanvangsmoment van de over die bedragen gevorderde wettelijke handelsrente moeten worden beoordeeld. Omdat de klachten in het
voorwaardelijk incidenteel cassatieberoepmijns inziens falen, blijft ’s hofs oordeel dat de hoofdsom van de achtergestelde lening door partijen is verlaagd in stand.