Conclusie
1.Feiten en procesverloop
geëindigd, primair op grond van art. 1:160 BW Pro, subsidiair vanwege verbroken lotsverbondenheid;
nihilte stellen vanwege het ontbreken van behoefte en behoeftigheid aan de zijde van de vrouw;
Baangevuld met het subsidiaire verzoek te bepalen dat de behoefte van de vrouw verbleekt volgens de door de man aangegeven jaarlijkse lineaire afbouw (van € 2.794,- per maand per 1 september 2011 tot € 1.366,- per 1 september 2023).
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
Productie 19:
voorwaardelijkprijsgeven van haar recht op alimentatie door de vrouw is het hof niet buiten de rechtsstrijd getreden. Nu het hof voorts – in cassatie onbestreden – heeft vastgesteld (iii) dat niet is gebleken dat de door de vrouw gestelde voorwaarden zijn vervuld, is de afwijzing van het verzoek van de man tot beperking van de alimentatieverplichting tot 1 januari 2017 evenmin een verrassingsbeslissing, noch is zij onbegrijpelijk.
eersteklacht neemt tot uitgangspunt dat naar ’s hofs oordeel bij de vaststelling van de behoeftigheid van de vrouw
niet relevantis dat de meerderjarige inwonende dochter [betrokkene 2] een eigen inkomen verdient dat hoog genoeg is om te kunnen bijdragen in de huurkosten van de vrouw. Aldus zou het hof blijk geven van een
onjuiste rechtsopvatting, omdat een dergelijke omstandigheid moet worden betrokken bij de beoordeling van de behoeftigheid van de alimentatiegerechtigde.
tweedeklacht berust op de lezing dat het hof van oordeel is dat de omstandigheden van het geval meebrengen dat een dergelijke financiële bijdrage in redelijkheid niet van [betrokkene 2] verwacht mag worden. In dat geval zou dit oordeel
onbegrijpelijkzijn, nu hiervoor door het hof geen enkele reden wordt genoemd en zijn oordeel daarom niet voor de cassatierechter controleerbaar is.
derdeklacht gaat ervan uit dat het hof bedoeld heeft te oordelen dat in confesso is dat [betrokkene 2] geen financiële bijdrage aan de vrouw heeft betaald, en dat met een niet betaalde vergoeding geen rekening kan worden gehouden. In dat geval zou dit oordeel
onjuistzijn, waarvoor verwezen wordt naar de eerste klacht.
vierdevoert de man onder verwijzing naar het partijdebat over een financiële bijdrage van [betrokkene 2] [15] aan dat hieruit volgt dat in rechte is komen vast te staan dat het inkomen van [betrokkene 2] hoog genoeg was om enige financiële bijdrage te kunnen leveren in de woonlasten van de vrouw. Dit gegeven had volgens de man uitgangspunt moeten zijn bij ’s hofs overwegingen over dit geschilpunt. Indien het hof dit uitgangspunt niet heeft gehanteerd, dan heeft het hof de grenzen van het partijdebat overschreden. Indien hiervan geen sprake is, dan zijn de bestreden overwegingen van het hof onbegrijpelijk gemotiveerd, aldus de man.
afgewekenvan de door de rechtbank vastgestelde (huwelijksgerelateerde) behoefte.
tweede,
derdeen
vierdeklacht bij gemis aan feitelijke grondslag.
eersteklacht veronderstelt, heeft het hof niet geoordeeld dat een mogelijke bijdrage van de dochter in de woonlasten niet van belang kan zijn bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw. Het hof heeft deze mogelijke bijdrage in zijn overwegingen betrokken maar, gegeven de eerder vastgestelde huwelijksgerelateerde behoefte, te licht bevonden. Dit feitelijk oordeel is niet onbegrijpelijk en behoefde ook geen nadere motivering.