Conclusie
eerste middelklaagt dat ’s hofs afwijzing van het voorwaardelijk gedaan verzoek van de verdediging tot het horen van getuige [betrokkene 35] zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is, nu het hof daarbij niet is ingegaan op het tweede aspect dat aan het voorwaardelijke verzoek ten grondslag is gelegd, te weten dat “de getuige vermoedelijk ook meer kan vertellen over de wijze waarop het huis is gefinancierd”.
Voorwaardelijk verzoek:
mocht u de verklaring van [medeverdachte 4] ter zitting voor wat betreft de voor cliënte ontlastende passages niet zonder meer geloven, dan verzoek ik u de stiefmoeder van cliënte (de moeder van [betrokkene 36] ) als getuige te (doen) horen. Zij is de aangewezen persoon om te achterhalen of zij inderdaad [medeverdachte 4] heeft verteld dat het huis bestemd was voor haar zoon [betrokkene 36] en, zo ja, waarop zij die stelling heeft gebaseerd. Zij kan vermoedelijk ook meer vertellen over de wijze waarop het huis is gefinancierd. Zij is genaamd [betrokkene 35] , geboren [geboortedatum] 1972, en wonende te Kovacevac, Jagodina, Servië. Mocht u het verzoek honoreren, dan zal ik trachten z.s.m. meer exacte adresgegevens te verstrekken.”
“Voorwaardelijk verzoek
NJ2014/441 m.nt. Borgers gaat het bij de beoordeling van de afwijzing van een (voorwaardelijk) verzoek tot het oproepen van getuigen in cassatie uiteindelijk om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Voorts kan bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de beslissing ook het procesverloop van belang zijn (rov. 2.76). [2] Meer dan vroeger het geval was, zal de toetsing zich concentreren op de vraag of de beslissing van de feitenrechter ten aanzien van het al dan niet oproepen onderscheidenlijk horen van getuigen begrijpelijk is. Daarbij verdient opmerking dat die begrijpelijkheid in verband met de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, aldus de Hoge Raad.
tweede middelkeert zich tegen de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit – deelneming aan een criminele organisatie – en klaagt dat (i) het bestaan van een criminele organisatie en (ii) de deelneming daaraan door de verdachte niet zonder meer uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, dan wel dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het namens de verdachte gevoerde bewijsverweer ten aanzien van dit feit heeft verworpen.
“5.5 Feit 1
derde middelkomt met verschillende klachten op tegen ’s hofs bewijsmotivering van feit 2 – het medeplegen van opzettelijk gebruikmaken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, Sr, als ware het echt en onvervalst – en klaagt meer in het bijzonder dat (i) het gebruikmaken, voorhanden hebben, afleveren en overleggen, (ii) de valsheid en het opzet daarop en (iii) de bewijsbestemming daarop niet zonder meer uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid.
“5.2 Feit 2
vierde middelklaagt dat het bewezenverklaarde onder feit 3 niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid voor wat betreft (i) de valsheid en het opzet daarop en (ii) het vereiste oogmerk, en/of dat sprake is van verlating van de grondslag van de tenlastelegging, dan wel dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, het namens de verdachte gevoerde bewijsverweer ten aanzien van dit feit heeft verworpen.
“5.3. Feit 3
mutatis mutandishetzelfde als in de toelichting op het voorgaande middel (over feit 2) is aangevoerd onder de kopjes “Valsheid en opzet daarop” en “Conclusies en belang”, met dien verstande dat het bij dit feit alleen gaat over het eigenaarschap van de eenmanszaak, niet ook over het niet voor eigen rekening drijven daarvan.” Het komt mij voor dat deze klacht te onbepaald en dus te vaag is. Niet wordt aangegeven wat hier precies door mutatis mutandis bestreken wordt en welke inhoud daaraan in het onderhavige verband gegeven moet worden. Het voorliggende feit ziet, anders dan feit 2, niet op het overleggen aan de Rabobank van het uittreksel van de Kamer van Koophandel ten name van “ [A] ”, waarin overigens blijkens bewijsmiddel 2 staat dat deze onderneming voor rekening van de verdachte wordt gedreven, maar op het valselijk opmaken van een Overeenkomst MKB-pakket met de ABN Amro en een Overeenkomst Rabo ondernemers Pakket met de Rabobank. Het had dus op de weg van de steller van het middel gelegen de klachten specifiek met betrekking tot deze overeenkomsten te verduidelijken en inzichtelijk te maken. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat het in bewijsmiddel 2 genoemde uittreksel van de Kamer van Koophandel (anders dan bij feit 2) wel in de bewezenverklaarde pleegperiode van feit 3 valt. Ik meen derhalve dat in zoverre geen sprake is van een middel in de zin der wet. [6] Overigens merk ik op dat het hof, de bewijsoverwegingen van de rechtbank ten aanzien van feit 3 overnemend, niet rept van juridisch eigenaar maar van feitelijk eigenaar en kennelijk en niet onbegrijpelijk de tenlastelegging van feit 3 aldus verstaat, nu daarin in algemene zin van eigenaar wordt gesproken (de verdachte heeft, kort gezegd, zich voorgedaan als eigenaar terwijl zij dat feitelijk niet was).
vijfde middelkomt op tegen het vierde bewezenverklaarde feit – medeplegen gewoontewitwassen – en klaagt dat (i) de herkomst uit misdrijf en het opzet daarop zijdens de verdachte, (ii) het verhullen van de rechthebbende van de rekeningen en (iii) de gewoonte met betrekking tot het witwassen niet zonder meer uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid, dan wel dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd het namens de verdachte gevoerde bewijsverweer ter zake van feit 4 heeft verworpen.
“5.4 Feit 4
zesde middelkeert zich tegen de strafmotivering en valt, bezien in samenhang met de toelichting daarop, in twee klachten uiteen. In de eerste plaats zou het hof de verdachte ten onrechte als volwaardig pleger van de fraude verantwoordelijk hebben gehouden. In de tweede plaats zou het hof onvoldoende hebben gereageerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging ter zake van de strafoplegging.
“8. De op te leggen straf of maatregel
“3. Oplegging van straf of maatregel
De ernst van het feit
geen natuurlijke personen benadeeld(alinea 4.5 pleitnota 1e aanleg).
De persoonlijke omstandigheden van cliënt
first offender.Zij heeft een
gezinom voor te zorgen met drie jonge kinderen die van haar zorg afhankelijk zijn. Het voorarrest en de zaak hebben al een enorme impact op cliënte gehad en tot
psychische klachtengeleid (alinea 4.12-4.13 pleitnota 1e aanleg). Zij moet ook regelmatig naar de neuroloog i.v.m. zware migraineaanvallen. Ook op de kinderen hebben de arrestatie en detentie van hun vader en cliënte een diepe indruk gemaakt. De kinderen dreigen (voor de tweede keer) naar een pleeggezin te moeten als hun moeder weer in detentie moet. In het najaar van 2015 is cliënte van [medeverdachte 1] gescheiden, met name vanwege de ellende die [medeverdachte 1] ook haar heeft berokkend. Zij wonen apart van elkaar, maar houden in het belang van de kinderen wel nog een goed contact. Cliënte zit in de bijstand en werkt op dit moment 2 dagen per week met behoud van uitkering in een kringloopwinkel
(bijlage 1).Omdat er beslag ligt op haar uitkering moet zij wekelijks naar de voedselbank.