Conclusie
‘met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam’tot een gevangenisstraf van 810 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Aan het voorwaardelijk strafdeel heeft het hof een proeftijd van drie jaren verbonden en de bijzondere voorwaarden als in het arrest genoemd. Voorts heeft het hof een schadevergoeding en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als in het arrest omschreven.
eerste middelkomt op tegen ’s hofs afwijzing van het door verdachtes raadsman ter terechtzitting gedane verzoek om het minderjarige slachtoffer als getuige te (doen) ondervragen.
“Verzoek 1, horen [betrokkene 1]
Namens cliënt is verzocht om [betrokkene 1] te horen als getuige.
Het dulden van het misbruik (niet terug naar moeder, duivel, slaan);
De red(d)en om te stoppen (moe, gezegd niet willen);
De volgorde van handelingen (voelen-penetreren of andersom);
De plaats in de woning (kamer [betrokkene 3] – Woonkamer);
Slachtofferverklaring met nieuwe informatie (aftrekken);
“een zeer jeugdige leeftijd”, aldus het middel.
‘zeer jeugdige leeftijd’van de getuige haar gezondheid of welzijn in gevaar brengt en dat het voorkomen van dat gevaar zwaarder weegt dan het belang van de verdediging, is daartoe niet voldoende. Hieraan doet niet af dat het hof een vorm van compensatie heeft geboden voor het ontbreken van de mogelijkheid tot (rechtstreekse) ondervraging van de getuige (in de vorm van een deskundigenonderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige [7] ), nu de beoordeling van het verzoek tot het horen van haar als getuige daaraan vooraf dient te gaan. [8] Op het subsidiaire verzoek van de verdediging tot een studioverhoor heeft het hof überhaupt geen beslissing genomen, noch wordt duidelijk waarom (ook) zo’n verhoor op gezondheidsbezwaren zou stuiten.
tweede middelklaagt over een tegenstrijdigheid tussen enerzijds (de motivering van) de verwerping van het verweer dat de verklaring van de niet-ondervraagde getuige (ingevolge art. 6 EVRM Pro) niet tot het bewijs kan worden gebezigd, en anderzijds (de motivering van) de verwerping van het verweer dat niet is voldaan aan het bewijsminimum.
de verdediging heeft [betrokkene 1] (hierna: het slachtoffer) niet kunnen horen. Hoewel hierom zowel in eerste aanleg als in hoger beroep uitdrukkelijk is gevraagd, is dit steeds afgewezen. Op basis van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Nederlandse rechtspraak kan een verklaring van een getuige niet worden gebruikt, indien die verklaring van doorslaggevende/beslissende betekenis is voor het bewijs van het ten laste gelegde en de verdediging geen mogelijkheid heeft gehad om de getuige te horen.
De enkele verklaring van het slachtoffer is onvoldoende. Deze verklaring vindt geen steun in de verklaring van haar moeder [betrokkene 4] en haar buurjongen [betrokkene 3] . Zij kunnen immers niets uit eigen wetenschap verklaren omtrent hetgeen in de woning van de verdachte is gebeurd. Voorts is niet te achterhalen wat [betrokkene 4] van haar dochter heeft begrepen, nu het proces-verbaal van het zogenoemde informatieve gesprek niet in het dossier aanwezig is en de wijze van openbaring (disclosure) door het meisje daardoor buiten het zicht is komen te liggen.
In het dossier is geen ondersteuning, te vinden voor de mogelijkheid dat de verklaring van het slachtoffer ontstaan is door bewuste beïnvloeding.
De "disclosure" lijkt spontaan te hebben plaatsgevonden. Ook andere mogelijkheden met betrekking tot de ontstaansgeschiedenis van de verklaring, zoals het verzinnen van gebeurtenissen of het aanwijzen van de foute dader, vinden naar het oordeel van de deskundige geen ondersteuning in het dossier.
Er zijn geen problemen met de volledigheid en consistentie van de verklaring van het slachtoffer.
Er is in het dossier geen ondersteuning te vinden voor alternatieve scenario's voor de ontstaansgeschiedenis van de verklaring van het slachtoffer.
De verklaringen van het slachtoffer in het studioverhoor zijn duidelijk en gedetailleerd. De onthulling van het misbruik was spontaan en er zijn geen aanwijzingen dat haar verklaringen daarover zijn gestuurd of beïnvloed. De deskundige ziet ook geen enkele aanleiding voor een mogelijk valse verklaring. De verklaringen van het slachtoffer zijn consistent ten opzichte van de verklaringen van haar moeder bij de aangifte. De deskundige concludeert daarom dat de verklaringen afgelegd door het- slachtoffer in hoge mate betrouwbaar zijn.
Diverse elementen in de verklaringen van het slachtoffer worden bevestigd door andere getuigen; hun verklaringen ondersteunen de betrouwbaarheid ervan.
slechtsin het geval dat die verklaring
‘het enige of beslissende bewijsmateriaal’vormt, toekomt aan de vraag of compenserende factoren noodzakelijk zijn. “
Immers, de vraag of er compensatie moet worden geboden door het ontbreken van een ondervragingsmogelijkheid is pas aan de orde indien er voldoende steunbewijs ontbreekt,” aldus poneert het middel. Aangezien het hof in die compenserende factor heeft voorzien, ligt in ‘s hofs overweging besloten dat steunbewijs ontbreekt, aldus wederom het middel. ‘s Hofs vaststelling ten aanzien van het bewijsminimumverweer dat steunbewijs niettemin aanwezig is, is volgens de steller van het middel daarmee inconsistent.
derde middelklaagt dat het hof de bewezenverklaring in strijd met art. 342, tweede lid, Sv uitsluitend heeft doen steunen op de verklaring van de getuige [betrokkene 1] , zodat de bewezenverklaring niet naar de eisen der wet met redenen is omkleed.