Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
13 maart 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een ontuchtzaak waarbij verdachte werd veroordeeld voor seksuele handelingen met een minderjarige van negen jaar. In hoger beroep verzocht de verdediging om het horen van de minderjarige aangeefster als getuige, met het oog op tegenstrijdigheden in haar verklaringen en mogelijke beïnvloeding door derden.
Het Gerechtshof Den Haag wees dit verzoek af op grond van artikel 288 lid 1 sub b Sv Pro, omdat het horen van de minderjarige volgens het hof haar gezondheid of welzijn zou kunnen schaden. De Hoge Raad toetste dit oordeel en stelde vast dat het hof onvoldoende concrete feiten en omstandigheden had vermeld ter onderbouwing van dit gegronde vermoeden. De enkele verwijzing naar de jeugdige leeftijd van de aangeefster was niet toereikend, noch had het hof overwogen of beschermende maatregelen getroffen konden worden.
De Hoge Raad benadrukte de motiveringsplicht van de rechter bij het afzien van het horen van een getuige, mede gelet op het recht van verdachte op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro. Gezien deze tekortkomingen vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep, waarbij het verzoek tot het horen van de minderjarige opnieuw moet worden gewogen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest wegens onvoldoende motivering afwijzing horen minderjarige getuige en wijst zaak terug voor hernieuwde behandeling.