Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof bij de verwerping van het verweer inzake de rechtmatigheid van de bediening van de groepsleider bij de Justitiële Jeugd Inrichting in de zaak met parketnummer 13-689064-16 heeft miskend dat de strekking van het verweer was dat het uitgeoefende geweld in de gegeven omstandigheden disproportioneel was, zodat de verwerping van het verweer, althans de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
Bespreking van in hoger beroep gevoerde verweren
houdgreepde rechtmatigheid van de uitoefening van de bediening aantast, die stelling onvoldoende is onderbouwd. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat door de verdediging in wezen is aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een situatie waarin de groepsleider jegens de verdachte mocht handelen zoals hij heeft gedaan en dat dit verweer onvoldoende wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. Ik acht het oordeel van het hof, gelet op het gevoerde verweer echter niet onbegrijpelijk, nu het hof heeft vastgesteld dat er geen nekklem is toegepast en het verweer met name hierop was toegespitst.
tweede middelkomt op tegen de strafmotivering. Het bevat de klacht dat het hof de opgelegde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar heeft verklaard terwijl uit het arrest en evenmin uit het verhandelde terechtzitting blijkt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
derde middelbevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.