Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het achtste middel
4.Beoordeling van de overige middelen
5.Slotsom
6.Beslissing
3 september 2013.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over het misdrijf wederspannigheid. Op 20 februari 2006 verzette de verdachte zich met geweld tegen politieambtenaren die haar wilden verwijderen tijdens een onderzoek ter handhaving van de openbare orde. Het hof oordeelde dat de gedragingen van de verdachte de orde verstoorden en kwalificeerden dit als wederspannigheid in de zin van art. 180 Sr Pro.
De Hoge Raad bevestigt dat opsporingsambtenaren bevoegd zijn de orde te handhaven en dat verzet tegen hun rechtmatig optreden wederspannigheid oplevert. De bewijsvoering bestond uit ambtsedige processen-verbaal van drie politieambtenaren die de gedragingen van de verdachte gedetailleerd beschreven. Het hof's oordeel was niet onjuist.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, wat leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 240 dagen naar 233 dagen, waarvan 161 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 233 dagen, waarvan 161 dagen voorwaardelijk, wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt verder verworpen.