Conclusie
- de afwijzing door de rechtbank van hun vordering tot vergoeding van de daadwerkelijke kosten van rechtsbijstand;
- de afwijzing door de rechtbank van hun vordering tot doorbetaling van het meerdere boven € 3.209,80 (oorspronkelijke vordering: € 4.467,30);
- de toewijzing door de rechtbank van de vordering van [eiser] tot betaling van € 2.231,25 (€ 1.875,- vermeerderd met 19% btw) met betrekking tot de verkoop van de dekenrekken en € 1.875,- met betrekking tot de verkoop van een naaimachine (vonnis van 26 maart 2014, 4.16 en 4.18; vonnis van 3 september 2014, 2.5 en 3.1).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
in de eerste plaatsonder verwijzing naar onderdeel 1 tegen de passage uit rov. 6.13 waarin het hof overweegt dat [eiser] heeft gesteld dat onvoldoende inzage is gegeven in de resultaten. [eiser] heeft volgens de klacht primair gesteld dat na aanmaning geen inzage is verleend in de omzet. Het passeren hiervan door het hof als onvoldoende onderbouwd is volgens de klacht onjuist of onbegrijpelijk. Dat [eiser] op grond van de accountantsrapportage zelf kon uitrekenen welk bedrag voor het tweede deel van de overnamesom zou moeten staan, is volgens de klacht niet relevant, omdat dat niet wegneemt dat [verweerders] de gemiste omzet niet eigener beweging hebben verantwoord, zodat geen voldoende inzage in de resultaten is verschaft. Voor die uiteindelijke verschaffing was nota bene een kort geding procedure nodig, terwijl [eiser] volgens art. 6:38 BW Pro meteen aanspraak op inzage in de resultaten had, hetgeen door het hof is miskend (waarvoor wordt verwezen naar onderdeel 2).
in de eerste plaatsdat het hof in rov. 6.6 onder b en 6.13 ten onrechte de rechtsstrijd in hoger beroep afbakent als beperkt tot de kwestie van de boetebepaling en de afgewezen vordering tot betaling van het tweede deel van de overnamesom buiten het bestek van het hoger beroep laat vallen. Dat is een miskenning van de devolutieve werking van het appel, omdat de geldvordering van [eiser] op verschillende grondslagen was gebaseerd: contractuele boete en/of nakoming tot betaling van het tweede deel van de overnamesom. Het succesvol bestrijden door [verweerders] van het rechtbankoordeel over het de verschuldigd zijn van de contractuele boete, tast immers de redenering van de rechtbank aan dat de boete in de plaats komt van de overnamesom nu die niet cumulatief gevorderd kan worden met het tweede deel van de overnamesom. Het hof had daarom ook moeten onderzoeken of het gestelde over het tweede deel van de overnamesom toewijzing van de vordering van € 75.000,- in hoofdsom kon dragen.
onderdeel 2 onder 7 [4] ,waarin onder verwijzing naar onderdeel 1 wordt gesteld dat niet doorslaggevend is of [verweerders] uiteindelijk voldoende inzage hebben gegeven, maar of zij tijdig aan die inzageplicht hebben gedaan. Ik kom te sterker tot bespreking van deze mogelijke lezing na beschouwing van
onderdeel 3 onder 8, zoals hiervoor samengevat in 2.2, over wat [eiser] zelf maar had moeten uitrekenen aan de hand van het accountantsrapport. Deze klachtonderdelen in samenhang bezien komen er dan op neer dat de positie van het hof over stelplicht en datum van voldoende inzage geven gekunsteld is, omdat het er natuurlijk om ging dat veel te laat inzicht is gegeven door [verweerders] (lees: er was zelfs een kort geding voor nodig, zo
onderdeel 3 onder 8) en ook nog eens op gemankeerde wijze, hetgeen het hof wil repareren met de redenering dat [eiser] op grond van het accountantsrapport over niet verantwoorde omzet zelf de omvang van het tweede deel van de overnamesom maar had te becijferen.
onderdeel 3op stuklopen, al lijkt mij hier wel twijfel over mogelijk; met name voedt bij mij die aarzeling het element uit het hofoordeel dat [eiser] zelf aan de hand van de accountantsrapportage had kunnen uitrekenen tot welk bedrag het tweede deel van de overnameprijs zou moeten leiden. Niettemin houd ik het erop dat dit onder het feitelijke prerogatief van het hof valt en (net) niet gezegd kan worden dat hier sprake is van onbegrijpelijkheid in cassatie-technische zin.
onderdeel 3wordt geklaagd over schending van art. 6:38 BW Pro, loopt dat volgens mij stuk op hetgeen daarover in de hierna volgende behandeling van onderdeel 2 wordt opgemerkt.
onder 3 van onderdeel 2. Uit deze stellingen volgt wel dat [eiser] om inzage heeft verzocht (inleidende dagvaarding onder 13, MvA onder 19), maar niet dat deze inzage
terstondkan worden gevorderd. Het gegeven dat [eiser] bij brief van 27 oktober 2008 binnen acht dagen om inzage en nakoming van andere aspecten van de overeenkomst verzocht, brengt hierin geen verandering (prod. 4 bij inleidende dagvaarding, p. 4 bovenaan, zie ook prod. 1 bij MvA). Hetzelfde geldt voor de verwijzingen naar het vonnis in kort geding, waar immers ook niet uit voortvloeit dat de vordering tot inzage terstond opeisbaar is.
onderdeel 4louter voortbouwt op het slagen van klachten uit (naar ik begrijp) onderdelen 1, 2 en 3 en van slagen daarvan volgens mij geen sprake is, kan onderdeel 4 ook niet tot cassatie leiden.
onderdeel 5behandel ik eerst de
tweede klachtdat geen sprake zou zijn van afwijzing van de overnamesomvordering van [eiser] door de rechtbank, omdat de rechtbank had aangegeven dat zij wegens honorering van de boeteclaim daar niet aan toekwam. Van afwijzing is wel sprake, omdat de rechtbank bij eindvonnis het meer of anders gevorderde heeft afgewezen, zodat deze klacht feitelijke grondslag mist.
eerste klacht uit onderdeel 5is dat het hof ten onrechte meent dat in appel alleen nog aan de orde is de kwestie van de boetebepaling en dat de afgewezen vordering tot betaling van het tweede deel van de overnamesom buiten het bestek van het hoger beroep valt.
zoals begrepen door de rechtbanktwee grondslagen had: contractuele boete en nakoming betalingsverplichting tweede deel overnamesom. Terecht voert de klacht aan dat het succesvol bestrijden door [verweerders] in appel van het rechtbankoordeel over het verbeuren van de boete wegens onvoldoende inzicht verschaffen in de resultaten – en dat oordeel sneuvelt inderdaad bij het hof, zoals we gezien hebben – ook betekent dat dan niet langer overeind kan blijven de redenering van de rechtbank dat de boete in de plaats komt van het tweede deel van de overnamesom en er geen ruimte is voor cumulatie van boete en dat tweede deel van de overnamesom. Nu de boetepoot niet houdt, bracht de devolutieve werking mee dat de nakomingspoot tweede deel overnamesom uit [eiser] vordering had moeten worden onderzocht, zodat deze klacht slaagt.
reformatio in peius) [27] . Indien in het dictum van de uitspraak in het nadeel van de geïntimeerde is beslist, kan dit alleen ten gunste van geïntimeerde veranderd worden door het instellen van incidenteel hoger beroep [28] .
verschillende vorderingen, in tegenstelling tot verschillende
grondslagen voor dezelfde vordering [33] . Bakels, Hammerstein en Wesseling-van Gent wijzen er in dit kader op dat te bedenken valt dat vorderingen soms als primair en subsidiair worden aangeduid, hoewel het om één en dezelfde vordering gaat, die op twee onderscheiden grondslagen is gebaseerd [34] . Aldus is de aanduiding die oorspronkelijk eiser eraan heeft gegeven niet beslissend, maar de daadwerkelijk tussen die vorderingen bestaande verhouding. Illustratief hiervoor is het arrest
[…] /ABN AMRO [35] . In deze zaak was sprake van verschillende grondslagen voor dezelfde vordering, niet van – zo oordeelde het hof – (inhoudelijk) verschillende vorderingen. Uw Raad heeft geoordeeld (vgl. rov. 3.2.1-3.2.4) dat in een dergelijk geval, wanneer in hoger beroep de subsidiaire vordering wordt afgewezen (terwijl deze in eerste aanleg is toegewezen), de als “primaire vordering” ingeklede primaire grondslag alsnog aan de orde moet komen, ook al is geen incidenteel hoger beroep ingesteld [36] . Dat geeft denk ik de richting aan hoe in onze zaak moet worden geoordeeld.
vorderingen, in plaats van verschillende
grondslagenvoor dezelfde vordering. Dit terwijl we hebben gezien dat de aanduiding die oorspronkelijk eiser aan de vordering geeft (nog daargelaten dat deze daar ter comparitie een “authentieke uitleg” aan heeft gegeven als hiervoor besproken) niet beslissend is, maar dat dat is de daadwerkelijk tussen die vorderingen bestaande verhouding. Gelet op de devolutieve werking van het appel, die zich ook uitstrekt tot verschillende grondslagen voor dezelfde vordering, had het hof volgens mij de vordering van [eiser] tot nakoming van het tweede deel van de overnamesom dan ook moeten behandelen bij afwijzing van de boetegrondslag voor het gevorderde bedrag. Niets wijst erop dat [eiser] deze tweede grondslag van zijn vordering heeft prijsgegeven. Zoals het onderdeel terecht betoogt heeft het feit dat [eiser] niet gegriefd heeft tegen de afwijzing van zijn vordering alleen tot gevolg dat de rechtsstrijd in hoger beroep is beperkt tot een bedrag van € 75.000,00 in hoofdsom. De overweging van het hof dat de rechtsstrijd in hoger beroep voor wat betreft de vorderingen van [eiser] is beperkt tot de door de rechtbank toegewezen vordering tot betaling van de contractuele boete van € 75.000,- lijkt mij dan ook terecht aangevallen in onderdeel 5.