Uitspraak
28 februari 1992.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanrijding op 24 december 1984 tussen een auto bestuurd door [verweerster] en een 67-jarige voetganger [betrokkene 1] op een oversteekplaats in Almelo. De voetganger liep zware verwondingen op, waarvoor de verzekeraar IZA de schade heeft vergoed en vervolgens regres vorderde van [verweerster].
De rechtbank kende IZA een deel van de schade toe en stelde een schuldverdeling van 1:4 vast. Het hof bekrachtigde dit oordeel en oordeelde dat [verweerster] zich terecht op overmacht kon beroepen, maar dat haar schuld niet hoger was dan 1:4 ten opzichte van de voetganger. De Hoge Raad bevestigt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en dat de schuldverdeling feitelijk voldoende is gemotiveerd.
De Hoge Raad bespreekt ook de 50%-regel bij aansprakelijkheid van motorrijtuigeigenaren tegenover voetgangers en fietsers, waarbij de eigenaar in ieder geval voor de helft aansprakelijk is tenzij sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid van de voetganger. Deze regel is echter niet van toepassing op regresvorderingen van verzekeraars, zoals in deze zaak, omdat het risico van de voetganger al door verzekering is afgedekt.
Het cassatieberoep wordt verworpen en IZA wordt veroordeeld in de proceskosten. De uitspraak bevestigt belangrijke principes over aansprakelijkheid, schuldverdeling en regres in verkeersrechtelijke aanrijdingszaken.
Uitkomst: Het cassatieberoep van IZA wordt verworpen en de schuldverdeling van 1:4 wordt bevestigd.