ECLI:NL:HR:1999:AA3369
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Roelvink
- raadsheer Neleman
- raadsheer Van der Putt-Lauwers
- raadsheer Fleers
- raadsheer De Savornin Lohman
- raadsheer Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling aanvang verjaringstermijn geldleningsovereenkomst voor onbepaalde tijd
In deze zaak gaat het om een geldlening van ƒ 10.000,-- die eiser in juli 1974 renteloos van overledene heeft ontvangen. Overledene sommeerde eiser in september 1994 tot terugbetaling, welke eiser weigerde. De rechtbank veroordeelde eiser bij verstek tot betaling, waarna eiser verzet instelde en zich op verjaring beriep. De rechtbank en het Hof Amsterdam verwierpen het beroep op verjaring, omdat de leningsovereenkomst volgens hen eerst door opzegging opeisbaar kon worden gemaakt, waarna de verjaring zou aanvangen.
Eiser stelde cassatie in tegen het arrest van het Hof, stellende dat de leningsovereenkomst voor onbepaalde tijd was en dat de vordering ieder moment opeisbaar was, zodat de verjaringstermijn al in 1974 was begonnen. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte had aangenomen dat de verjaringstermijn pas begint na feitelijke opzegging, terwijl het erom gaat tegen welk tijdstip de lening had kunnen worden opgezegd.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof Amsterdam en verwees de zaak naar het Hof te ’s-Gravenhage voor nader onderzoek naar het tijdstip waarop de lening had kunnen worden opgezegd en de verjaring dus aanving. Tevens veroordeelde de Hoge Raad de erven van overledene in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak verwezen voor nader onderzoek naar het tijdstip van opzegging en aanvang verjaring.