Conclusie
1.Feiten en procesverloop
schema:
cassatieberoep mannr. 18/01168 -
cassatieberoep mannr. 18/01172
nader raadsonderzoek
°betrekking staat heeft doen blijken, of
2.Bespreking van het cassatiemiddel
dictumvan de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 februari 2015 was ten dele een eindbeslissing gegeven en ten dele een tussenbeslissing. Voor hetgeen daarna nog resteerde te beslissen, heeft die rechtbank de zaak verwezen naar de rechtbank Oost-Brabant. Tegen een aantal beslissingen heeft de man hoger beroep ingesteld en de vrouw incidenteel hoger beroep. De splitsing in de genoemde beschikking van 17 februari 2015, in combinatie met de omvang van het wederzijds ingestelde hoger beroep daartegen, bepaalt de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep. Voor zover hier van belang, brengt dit mee dat alle geschilpunten die de oudste dochter van de vrouw ([dochter 2]) betreffen in deze procedure (de B-procedure) moesten worden beslist. De geschilpunten die de dochter van partijen ([dochter 1]) betreffen, zijn gedeeltelijk in de B-procedure aan de orde en gedeeltelijk in de A-procedure.
schemaworden gezet:
onderdeel 2.1.3bestrijdt de vaststelling in rov. 4.11: “Nadat de rechtbank Oost-Brabant bij beschikking van 27 juli 2016 de hoofdverblijfplaats van [dochter 1] bij de vrouw had bepaald, heeft de man geweigerd om [dochter 1] aan de vrouw af te geven (…)”.
onderdelen 2.1.3 - 2.1.10(2.1.8 bevat geen klacht) werkt de man deze klachten nader uit in een betoog dat samengevat inhoudt:
beidekinderen een beroep op art. 810a Rv heeft gedaan en dat zijn verzoek zowel betrekking had op het eerste als op het tweede lid van dit artikel.
petitumvan het beroepschrift (blz. 95-97) was het verzoek ex art. 810a Rv toegespitst op [dochter 2]. Het middelonderdeel kan evenmin tot cassatie leiden, waar het betoogt dat het verzoek van de man zowel op het eerste als op het tweede lid van art. 810a Rv was gebaseerd. In rov. 4.7 heeft het hof dit in het midden gelaten. Uit rov. 4.9 en impliciet ook uit rov. 4.6 volgt dat het hof er rekening mee hield dat de man zich op
beideleden van dit artikel heeft willen beroepen. Niettemin kwam het hof tot de slotsom dat het verzoek om nader deskundigenonderzoek niet toewijsbaar is. Deze klacht faalt.
recentrapport van de Raad voor de kinderbescherming, is dat volgens de klacht onjuist, omdat een rapport van de Raad voor de kinderbescherming vrije bewijskracht heeft.
tweedelid van art. 810a Rv niet aan de orde, omdat in de B-procedure geen sprake is van het opleggen van een maatregel van kinderbescherming ten aanzien van [dochter 2]; dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Wat betreft het verzoek van de man tot het opleggen van een (omgangs)ondertoezichtstelling t.a.v. [dochter 2] heeft het hof in rov. 4.31 terecht geoordeeld dat de wet daarvoor geen grondslag biedt: de man heeft weliswaar
family lifemet [dochter 2] gehad (als bedoeld in art. 8 EVRM Pro), maar hij is niet haar vader. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en de motivering kan de beslissing dragen. Het hof heeft in zijn beoordeling de inlichtingen van de Raad voor de kinderbescherming betrokken, die de Raad tijdens de mondelinge behandeling had verstrekt. Daarmee is nog geen sprake van een zaak betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag als bedoeld in het tweede lid van art. 810a Rv, waarin de Raad voor de kinderbescherming als partij optreedt en een der ouders om contra-expertise vraagt. De overweging van het hof “dat artikel 810a lid 2 Rv ziet op een contra-expertise en hier geen rapport van de raad of een andere instantie van enige recente datum ligt op grond waarvan een kinderbeschermingsmaatregel wordt gevraagd of afgewezen” is ten overvloede gegeven. Alleen daarom al kunnen de daartegen gerichte klachten niet tot cassatie leiden. Bovendien ligt in deze overweging besloten dat het hof het verzoek “niet terzake dienend” acht. Het middelonderdeel faalt.
Onderdeel 2.3.1concludeert uit het Raadsrapport van 16 november 2015 en de beschikkingen van 27 juli 2016 (Rb) en 19 december 2017 (hof) dat het bij de bepaling van de hoofdverblijfplaats met name aankomt op de vraag welke ouder bereid is de andere ouder een plaats te geven in het leven van de minderjarige. Hieraan verbindt het onderdeel de klacht dat het hof in rov. 4.20 zijn beslissing om niet de hoofdverblijfplaats van [dochter 2] bij de man te bepalen onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd, nu de man had gesteld dat juist de vrouw degene is die omgang van de man met [dochter 2] heeft verhinderd en de vrouw dit ook tijdens de mondelinge behandeling op 9 juni 2017 heeft verklaard. Daarnaast bevat het onderdeel de (tweede) klacht dat het hof heeft miskend dat niet van belang is dat de man noch juridisch noch biologische de vader van [dochter 2] is, aangezien het belang van [dochter 2] en de eerbiediging van ‘
family life’in de zin van art. 8 EVRM Pro voorop dienen te staan.
family lifeals bedoeld in art. 8 EVRM Pro. De klacht faalt.
Onderdeel 2.3.4vervolgt met een klacht over onbegrijpelijkheid van de overweging dat daarmee ook twijfel rijst of, zo de hoofdverblijfplaats van [dochter 2] bij de man zou worden vastgesteld, hij bereid en in staat is om ook de vrouw omgang met [dochter 2] te laten hebben. Het onderdeel voert het argument aan dat, als onbetwist, tussen partijen vaststaat dat in de periode waarin [dochter 2] feitelijk bij de man heeft gewoond (van 21 oktober 2012 tot 17 december 2012) zij steeds omgang met de vrouw heeft gehad. Volgens het onderdeel kan aan de man niet worden tegengeworpen dat hij van mening is dat de vrouw [dochter 2] begin 2013 heeft ontvoerd en dat de vrouw sindsdien heeft geweigerd omgang met [dochter 2] aan de man toe te staan.
Onderdeel 2.3.10noemt het onjuist en onbegrijpelijk, dat het hof de verklaring van [dochter 2] zelf in de beoordeling heeft betrokken. Volgens het middelonderdeel was daarvoor geen plaats, omdat [dochter 2] voorafgaand aan de eerdere cassatieprocedure al was gehoord, inmiddels gebleken is dat haar verklaring onjuist was en zij in de procedure na cassatie en verwijzing niet opnieuw kon worden gehoord.
Onderdeel 2.3.13stelt dat hetgeen de man had aangevoerd bij aanvullend verzoekschrift van 11 november 2016 niet is tegengesproken door de vrouw in haar verweerschrift van 23 november 2016. Om die reden heeft het hof volgens de klacht niet kunnen oordelen “m.b.t. het wel of niet goed gaan met [dochter 2], de opvoedsituatie van [dochter 2], het traject bij SCJ medio 2015, het voorop kunnen stellen van de belangen van [dochter 2], de onttrekking van [dochter 2] door de vrouw aan de hoofdverblijfplaats en het opzicht van de man, de ‘omgangsweigerachtigdheid’ van de vrouw sinds april 2013, de woon-, werk-, en privésituatie van de vrouw” (rov. 4.20). Het hof is buiten het partijdebat getreden, althans heeft in strijd met de wet zelf de door partijen gestelde feiten aangevuld, zo betoogt het middelonderdeel.
Onderdeel 2.4.1 onder Iklaagt dat het hof heeft miskend dat de beschikkingen van 23 april 2014, 18 juni 2015 en 23 juli 2015 in kracht van gewijsde zijn gegaan, waardoor de daarin opgenomen feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan. Het hof had daarom van die feiten en omstandigheden moeten uitgaan bij zijn beoordeling. Het gaat de man met name om het oordeel over het verzoek om een Raadadvies met het oog op een beslissing over gezag, het oordeel dat de man recht heeft op bescherming van zijn
family lifein de vorm van omgang met [dochter 2] en de gebleken onjuistheid van de verklaring van [dochter 2] dat zij geen omgang met de man wil.
Onderdeel 2.5.1 onder Iklaagt dat in het licht van essentiële stellingen van de man onjuist althans onbegrijpelijk is de overweging dat het traject bij SCJ niet van de grond kwam omdat de man niet onvoorwaardelijk aan dat traject wilde meewerken. Het hof verwees ter verklaring van dat oordeel naar de inhoud van de e-mails van de man aan SCJ en naar het feit dat er geen afspraak tussen de man en SCJ kon worden gemaakt. Kort samengevat brengt het middelonderdeel daartegen in:
onvoorwaardelijkheeft willen meewerken aan het traject bij SCJ heeft het hof niet gebaseerd op de brief van de man aan het hof van 31 juli 2015, maar op de inhoud van de (daaraan voorafgaande) e-mails van de man aan SCJ en op het feit dat er geen afspraak kon worden gemaakt tussen de man en SCJ. Het hof heeft daarmee voldoende inzichtelijk gemaakt waarop het deze vaststelling baseert. Gezien de inhoud van bedoelde e-mails (overgelegd bij de rapportage van SCJ aan het hof ’s-Hertogenbosch van 31 juli 2015), is de vaststelling niet onbegrijpelijk [19] . De klacht faalt.
Onderdeel 2.6.1bevat geen zelfstandige klacht die hier bespreking behoeft. Het stelt dat in de cassatieprocedure die heeft geleid tot de beschikking van de Hoge Raad van 8 juli 2016 de man met middelonderdeel 2.4 opkwam tegen de overwegingen van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch met betrekking tot de bijzondere curator in (onder meer) rov. 12.3 van de beschikking van 20 augustus 2015. Nu de Hoge Raad niet aan de beoordeling van dit onderdeel was toegekomen, lag volgens de klacht in de (B-)procedure na cassatie en verwijzing opnieuw ter beoordeling voor, of de taak van de bijzondere curator moest worden beëindigd hoewel [dochter 1] nog niet door het hof was gehoord en hoewel de rapportage van de bijzondere curator slechts een tussenrapport was [20] .
onderdeel 2.6.2heeft het hof in rov. 4.10 ontoelaatbaar de feiten aangevuld en/of is het hof buiten de grenzen van het geschil getreden, omdat geen van partijen had gesteld dat de uitoefening van het recht op omgang van de man met [dochter 2] moet worden afgewezen op de grond dat hij geen volledige medewerking heeft willen verlenen aan de bijzondere curator. Het oordeel is volgens de klacht bovendien onbegrijpelijk, omdat de man zelf had verzocht om de opdracht aan de bijzondere curator te verlenen.
Onderdeel 2.7.1werkt deze klacht verder uit en klaagt over rov. 4.1, wat betreft de vaststelling dat het laatste Raadsrapport dateert van 16 november 2015, en over rov. 4.4, waarin het hof overweegt dat geen nader Raadsonderzoek nodig is en dat aan daarop gerichte verzoeken van de man wellicht al is tegemoetgekomen met het Raadsrapport van 16 november 2015. De man betoogt dat de Raad voor de kinderbescherming nimmer onderzoek heeft verricht ten behoeve van een rechterlijke beslissing over toekenning aan hem van gezag over [dochter 2]. Ook betoogt de man dat de rechtbank Zeeland-West-Brabant in haar beschikking van 23 april 2014 ten behoeve van een beslissing over het gezag een Raadsonderzoek noodzakelijk achtte. Hoewel die beschikking inmiddels kracht van gewijsde heeft, is dat nodig geachte Raadsonderzoek volgens het middelonderdeel nooit uitgevoerd.
op grond van een tussen partijen gesloten overeenkomstde hoofdverblijfplaats van [dochter 1] bij hem te bepalen, heeft afgewezen. Het hof heeft de daarop betrekking hebbende grief VIII onder f verworpen. De onderdelen 2.8.1 t/m 2.8.5 werken deze klacht verder uit. De man heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [dochter 1] bij hem wordt bepaald op grond van de overeenkomst tussen partijen van 10 april 2013 (aldus rov. 4.11; zie voor dat verzoek rov. 3.13 onder A). Het hof heeft als hoofdregel vooropgesteld dat partijen een overeenkomst over de hoofdverblijfplaats van hun kind moeten nakomen, maar een uitzondering aangenomen ingeval van een wijziging van omstandigheden waardoor het belang van het kind zich verzet tegen nakoming van die overeenkomst.
Onderdeel 2.8.2herhaalt de klacht dat de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 27 juli 2016 niet tot gevolg had dat de hoofdverblijfplaats van [dochter 1] niet langer bij de man was, gegeven de in het middel genoemde beschikkingen van het gerechtshof en de Hoge Raad en gelet op de in kort geding getroffen voorlopige voorzieningen, die volgens de man nog doorliepen. Volgens het middelonderdeel kan de genoemde beschikking van 27 juli 2016 daarom geen valide grondslag opleveren om af te wijken van de eerder tussen partijen gesloten overeenkomst.
tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Indien het gaat om de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van een minderjarig kind, is de rechter niet gebonden aan de standpunten van de ouders, dus ook niet aan het uitblijven van een betwisting door de vrouw van het beroep dat de man op die overeenkomst had gedaan. Ingevolge het bepaalde in art. 3 Verdrag Pro voor de rechten van het kind, vormen de belangen van het kind voor de rechter de eerste overweging. Op dat belang – het belang van de betrokken minderjarige – is de beslissing in rov. 4.11 uitdrukkelijk gebaseerd.
Onderdeel 2.9.1verwijst, ter uitwerking van deze klacht, naar onderdeel 2.7. Daarnaast bevat het onderdeel de klacht dat het hof voorbij gaat aan het feit dat de man pleegouder van [dochter 2] is (geweest) op grond van de overeenkomst van 21 oktober 2012.
weleen brief van [dochter 2] waarin zij omgang tussen haar en de man zou hebben afgewezen, en een brief van de G.I. van 24 mei 2017 in zijn beoordeling heeft betrokken. Volgens de klacht heeft de man geen gelegenheid gekregen zich over deze stukken uit te laten. Hij acht het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. [24]
onderdelen 2.12 onder I - IIIlichten deze klacht toe als volgt. Bij het begin van de mondelinge behandeling heeft het hof medegedeeld dat deze zitting zou worden opgenomen (op een geluidsdrager). Desondanks bevat het proces-verbaal volgens de man op essentiële punten niet een volledige weergave van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken. De ontbrekende mededelingen zijn opgesomd in onderdeel 2.12 onder III. Het middelonderdeel verbindt hieraan de gevolgtrekking dat de bestreden beschikking niet in overeenstemming met art. 19 Rv Pro en art. 149 Rv Pro tot stand is gekomen en dat er geen eerlijk proces is geweest als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro. De man en zijn advocaat hebben op 4, respectievelijk 14 augustus 2017 aan het hof verzocht om afgifte van het proces-verbaal. Eerst op 20 december 2017 is hen een afschrift van het proces-verbaal verstrekt. Vervolgens heeft de advocaat van de man om aanvulling van dat proces-verbaal verzocht, maar bij brief van 8 februari 2018 heeft het hof dat verzoek afgewezen. In het cassatieverzoekschrift is aangekondigd dat de man opnieuw om een aanvulling/verbetering van het proces-verbaal zal verzoeken.
Onderdeel 1Aricht een rechts- annex motiveringsklacht tegen de overwegingen van het hof die betrekking hebben op het standpunt dat de Raad voor de kinderbescherming tijdens de mondelinge behandeling heeft ingenomen:
Onderdeel 1Bbestrijdt (in aanvulling op onderdeel 2.2) de volgende overweging in het kader van de beoordeling van het verzoek ex art. 810a Rv:
Onderdeel 1Ckeert zich tegen elementen uit de motivering die het hof gaf voor de afwijzing van het verzoek van de man om de bijzondere curator opnieuw in te schakelen:
Onderdeel 1Dbestrijdt enkele elementen uit de motivering van de afwijzing van het verzoek van de man om, op basis van de overeenkomst van 10 april 2013, de hoofdverblijfplaats van [dochter 1] bij hem te bepalen, te weten: dat de pogingen in het kader van het traject bij SCJ om tot begeleid contact tussen [dochter 1] en de vrouw te komen zijn mislukt, mede door de houding van de man, en dat de man thans weigert om (in het kader van de ondertoezichtstelling) contact met [dochter 1] te hebben. Het onderdeel voert aan dat het hof tijdens de mondelinge behandeling heeft geconstateerd dat de man wél, maar de vrouw niet bereid was om uitvoering te geven aan het omgangstraject bij SCJ. Dat blijkt volgens de toelichting op deze klacht onder meer uit de verklaring van de vrouw dat zij heel graag geen omgang tussen de man en [dochter 2] wil en uit de ‘nadere voorwaarden’ die zij daarvoor stelde, namelijk dat eerst iemand met [dochter 2] zou moeten praten om te horen wat zij wil. Verder wordt aangevoerd dat het hof ermee bekend was dat de omgangsbeschikking van 16 februari 2017 niet uitvoerbaar was, zodat aan de man niet verweten kan worden dat de omgang met [dochter 1] niet is gestart.
Onderdeel 1Ekomt op tegen de in rov. 4.19 en 4.20 door het hof gegeven motivering voor het afwijzen van het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats van [dochter 2] bij hem te bepalen. Het onderdeel herhaalt dat het hof tijdens de mondelinge behandeling heeft geconstateerd dat de vrouw niet bereid is omgang tussen de man en [dochter 2] toe te staan.
Onderdeel 1Fbevat een voortbouwende klacht tegen de in rov. 4.24 en 4.25 gegeven motivering voor het ontzeggen van omgang tussen de man en [dochter 2]. Daarnaast bestrijdt het middelonderdeel de rov. 4.20 en 4.24, voor zover het hof daar de verklaring van [dochter 2] in zijn beoordeling heeft betrokken. Op grond van in de aanvulling van het proces-verbaal vermelde uitlatingen van de vrouw en van het hof zelf, had het hof, volgens de klacht, niet zonder meer mogen afgaan op de schriftelijke verklaring van [dochter 2] dat zij geen omgang met de man wil.
Onderdeel 1Gbestrijdt rov. 4.20, wat betreft de vermelding van het advies van de Raad voor de Kinderbescherming om het hoofdverblijf van [dochter 2] bij de vrouw te laten. Het onderdeel klaagt dat noch uit het oorspronkelijk proces-verbaal noch de aanvulling daarop blijkt dat de Raad tijdens de mondelinge behandeling zijn advies om het hoofdverblijf van [dochter 2] bij de vrouw te bepalen heeft gemotiveerd. Volgens het onderdeel heeft het hof hier de feiten aangevuld.
Onderdeel 2.13is gericht tegen rov. 4.35 en 4.36, waarin het hof heeft overwogen:
essentiëlestellingen of een
essentieelverweer onbesproken heeft gelaten en ook niet (impliciet) uit de redengeving kan worden afgeleid waarom de rechter die stellingen of dat verweer heeft verworpen of waarom de rechter aan die stellingen of aan dat verweer niet is toegekomen. In dit geval lijkt mij duidelijk dat het hof niet is toegekomen aan een afzonderlijke bespreking van de in het middelonderdeel genoemde brief van de advocaat met bijlagen, omdat het hof de actuele situatie het meest van belang vond. Weliswaar is mogelijk dat gebeurtenissen in het verleden van belang zijn voor zover daaruit iets kan worden afgeleid over de actuele feitelijke situatie, maar in de redenering van het hof was dat niet het geval. Van het passeren van essentiële stellingen van de man is, naar mijn mening, geen sprake. De rechtsklacht faalt daarom.
Onderdeel 2.14klaagt over de beslissing om de man te veroordelen in de proceskosten van het principaal hoger beroep.
Onderdeel 2.1.14.1voert aan dat het slagen van een of meer van de voorafgaande klachten meebrengt dat deze proceskostenveroordeling niet in stand kan blijven. Deze klacht deelt vanzelfsprekend het lot van de voorgaande middelonderdelen.
Onderdeel 2.1.14.2houdt de klacht in dat de proceskostenveroordeling onjuist of onbegrijpelijk is. Ter toelichting wordt aangevoerd dat in familiezaken de proceskosten in beginsel plegen te worden gecompenseerd en pas indien sprake is van een bij voorbaat kansloze procedure een veroordeling in de proceskosten volgt. Die beslissing moet de rechter dan naar behoren te motiveren. Deze klacht komt inhoudelijk overeen met middelonderdeel 2.16 in de parallelzaak en faalt om dezelfde redenen.
Onderdeel 3is gericht tegen rov. 4.26 - 5.3 en tegen het
dictum. Deze veegklacht mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande klachten en behoeft geen afzonderlijke bespreking.