Conclusie
15 dagen hechtenis.
17 januari 2018.
in persoonaan de verdachte betekend, en wel op 11 oktober 2017.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak gaat het om de vraag of de schriftuur met middelen van cassatie tijdig is ingediend door de raadsman van de verdachte. De aanzegging van de stukken bij de Hoge Raad is op 11 oktober 2017 in persoon aan de verdachte betekend. De mededeling van deze aanzegging aan de raadsman is per gewone brief verzonden naar het kantooradres dat door hem was opgegeven. De schriftuur is echter pas op 17 januari 2018 ontvangen, wat buiten de wettelijke termijn van twee maanden valt.
De raadsman stelde dat hij de mededeling van de aanzegging niet had ontvangen, waardoor hij niet tijdig kon reageren. De Hoge Raad overweegt dat, zolang aannemelijk is gemaakt dat de mededeling naar het juiste adres is verzonden en er geen bijzondere omstandigheden zijn die het niet ontvangen aannemelijk maken, de enkele ontkenning van ontvangst onvoldoende is. De verantwoordelijkheid voor de ontvangst van de mededeling ligt in dit geval bij de raadsman.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en bestuursrechtelijke principes over de bewijslast bij verzending en ontvangst van stukken. De Hoge Raad concludeert dat de mededeling rechtsgeldig is verzonden en dat de raadsman geen bijzondere redenen heeft aangevoerd die het niet ontvangen aannemelijk maken. Daarom wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige indiening van de schriftuur.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van de schriftuur met middelen van cassatie.