Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
HR BNB 2018/19 [3] , dat geen sprake kan zijn van een schending van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) op regelniveau indien het rendement op één bepaalde bezitting structureel lager is dan 4%. Het Hof overweegt dat voor de vraag of het rendement van 4% haalbaar is, gekeken dient te worden naar het rendement op het totale box 3-vermogen, en noemt hierbij als voorbeelden spaargeld, aandelen, obligaties en onroerende zaken. Volgens het Hof heeft belanghebbende gesteld noch aannemelijk gemaakt dat een rendement van 4% op het totale box 3-vermogen onhaalbaar is.
eerste cassatiemiddelvoert belanghebbende aan dat het Hof belanghebbendes standpunt te beperkt heeft weergegeven. Het oordeel kan dan per definitie niet juist zijn, aldus belanghebbende.
tweede cassatiemiddelricht zich tegen het oordeel van het Hof dat omtrent de onhaalbaarheid van het 4%-rendement niets is gesteld. Belanghebbende meent dat niet alleen is gesteld maar ook aannemelijk is gemaakt dat het rendement van 4% niet haalbaar is gebleken.
derde cassatiemiddelkomt belanghebbende op tegen het oordeel van het Hof dat de vermogensrendementsheffing op spaarsaldi op regelniveau niet in strijd is met artikel 1 EP Pro.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
HR BNB 2015/174 [8] en
HR BNB 2016/177 [9] , namelijk indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van 4% voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last.
HR BNB 2016/177heeft bepaald dat het enkele feit dat een 4% rendement op een bepaalde bezitting structureel niet wordt gehaald niet kan leiden tot strijd met artikel 1 EP Pro.
3.Het geding in cassatie
eerste cassatiemiddelis sprake van schending, althans verkeerde toepassing, van artikel 1 EP Pro en verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming tot nietigheid leidt, met name het motiveringsvereiste van artikel 8:77 van Pro de Awb, nu het Hof het standpunt van belanghebbende onjuist heeft verwoord.
tweede cassatiemiddelis sprake van schending, althans verkeerde toepassing, van artikel 1 EP Pro en verzuim van vormen, waarvan de niet inachtneming tot nietigheid leidt, met name het motiveringsvereiste van artikel 8:77 van Pro de Awb, nu het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat omtrent de onhaalbaarheid van het 4%-rendement niets is gesteld.
derde cassatiemiddelis sprake van schending van artikel 1 EP Pro nu het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de vermogensrendementsheffing op spaarsaldi op regelniveau niet in strijd is met artikel 1 EP Pro. Belanghebbende heeft zijn toelichting op dit middel onderverdeeld in vijf onderdelen.
eerste onderdeel van de toelichtingdat de vermogensrendementsheffing op regelniveau in strijd is met artikel 1 EP Pro, met name indien de rendementsgrondslag geheel bestaat uit bank- en spaartegoeden. Door die belastingplichtigen (waarvan de rendementsgrondslag geheel bestaat uit bank- en spaartegoeden) wordt het forfaitaire rendement van 4% in werkelijkheid niet gehaald, zodat dit leidt tot een buitensporige zware last op regelniveau. Belanghebbende stelt vervolgens onder verwijzing naar
Hutten-Czapska tegen Polen [11] dat de verschuldigde inkomstenbelasting ter zake van het box 3-vermogen zo’n groot deel van het haalbare en behaalde nettorendement betreft dat geen
decent profitmeer resteert. Belanghebbende voert aan dat er ook gevallen zijn waarin de vermogensrendementsheffing het door de belastingplichtigen behaalde nettorendement overtreft. Naar de mening van belanghebbende heeft de vermogensrendementsheffing daarmee een confiscatoir karakter. Belanghebbende betoogt dat dit confiscatoir karakter wordt versterkt doordat (1) geen tegenbewijs mogelijk is, (2) geen verrekening van eerder geheven bedragen mogelijk is, en (3) een plafond in de hoogte van de heffing ontbreekt. Met betrekking tot dit laatste punt verwijst belanghebbende naar
Imbert de Tremiolles tegen Frankrijk [12] . Hieruit volgt dat het evenwicht tussen het algemeen belang van de vermogensrendementsheffing en het individueel belang van belastingplichtigen niet meer in balans is. Met andere woorden, er is sprake van een disproportionele inbreuk in het door 1 EP beschermde eigendomsrecht van belastingplichtigen, aldus belanghebbende. Vervolgens wijst belanghebbende nog op de conclusie van mijn ambtsgenoot Niessen van 4 februari 2016 [13] , waarin is opgemerkt dat de vermogensrendementsheffing tot willekeurige uitkomsten leidt en dat uit het in onderdeel 8.7 van die conclusie opgenomen EHRM arrest volgt dat “een regeling die op willekeurige wijze een inbreuk maakt op het eigendomsrecht en niet omgeven is met processuele waarborgen die het mogelijk maken de inbreuk op effectieve wijze, niet lawful is”. Voorts verwijst belanghebbende voor een nadere uitwerking van dit onderdeel naar de bij de Rechtbank ingediende motivering van het beroep van 28 april 2016.
tweede onderdeel van de toelichtingmerkt belanghebbende op dat als niet het toetsingskader van artikel 1 EP Pro aangelegd dient te worden, maar het toetsingskader zoals geformuleerd in
HR BNB 2015/174, de volgende vragen in het kader van de eerste voorwaarde van de door de Hoge Raad gegeven toets opkomen: (1) Hoe moet ‘niet meer haalbaar’ worden geïnterpreteerd? (2) Wanneer betreedt een belastingplichtige het rode gebied van ‘niet meer haalbaar’? (3) Is dit criterium wel werkbaar voor een belastingheffing die per jaar plaatsvindt? (4) Moet bij de haalbaarheid de veronderstelling van de wetgever destijds (zonder risico is iedereen in staat dit rendement te kunnen behalen) als uitgangspunt worden gehanteerd? Bij deze laatste vraag merkt belanghebbende op dat het zou moeten gaan om het rendement dat zonder risico gehaald kan worden. Volgens belanghebbende is ook nog onduidelijk of de door de Hoge Raad aangelegde toets cumulatieve criteria bevat. Uit het arrest
HR BNB 2014/219 [14] volgt dat ook op het niveau van de regelgeving sprake kan zijn van strijd met artikel 1 EP Pro en dus dat “ook de vermogensrendementsheffing op regelniveau (…) een buitensporige zware last kan vormen”. Belanghebbende betoogt dat een buitensporige zware last ontstaat vanwege het verschil tussen het werkelijk ontvangen rendement op spaargelden en het rendement van 4% dat hij geacht wordt te kunnen behalen.
derde onderdeel van de toelichtingstelt belanghebbende dat de nadelige gevolgen voor belastingplichtigen veroorzaakt door het niet invoeren van een tegenbewijsmogelijkheid, dienen te worden hersteld. De nadelige gevolgen bestaan hierin dat een jaarlijks rendement van 4% op risicoarme beleggingen niet kan worden gehaald. Dit geldt eens te meer indien, zoals - naar belanghebbende meent - door de wetgever is beoogd, moet worden uitgegaan van een reëel rendement.
vierde onderdeel van de toelichtingstelt belanghebbende dat in 2014 reeds sprake was van de situatie dat de vermogensrendementsheffing leidde tot onteigening van het inkomen of vermogen (over een reeks van jaren). In dit kader verwijst belanghebbende naar de noot in V-N 2017/49.8. Nu de staatssecretaris van Financiën in een brief [15] heeft benadrukt dat de vermogensrendementsheffing de facto niet mag leiden tot onteigening van inkomen of vermogen (over een reeks van jaren), ontleent belanghebbende hieraan “bij deze” vertrouwen.
vijfde onderdeel van de toelichtinggaat belanghebbende in op de beperking van de rechtsvraag in de massaal bezwaarprocedure tot spaargelden. Belanghebbende licht toe dat de rechtsvraag over spaargelden aansluit bij veronderstellingen van de wetgever en de feitelijke situatie van de belastingplichtigen. In het kader van de bescherming gegeven door artikel 1 EP Pro kan niet geoordeeld worden dat een rendement van 4% wel gehaald had kunnen worden indien niet alleen in spaarsaldi was belegd. Belanghebbende wijst er vervolgens op dat ook indien het wel zo is dat niet alleen naar spaargelden gekeken dient te worden, maar conform de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 2 juni 2017 [16] naar een mix van spaarrekeningen, termijndeposito’s en staatsobligaties, een rendement van 4% evenmin haalbaar was.
4.Beoordeling van de middelen
eerste cassatiemiddel.
HR BNB 2016/177, terecht geoordeeld dat voor een inbreuk op artikel 1 EP Pro niet voldoende is dat het rendement op een bepaalde bezitting structureel onder de 4% blijft. Zoals ik in onderdeel 7.6 van de gemeenschappelijke bijlage heb opgemerkt, kan de in het kader van massaal bezwaar geformuleerde rechtsvraag: “Is de vermogensrendementsheffing zoals vastgelegd in artikel 5.2, eerste lid van de Wet IB 2001, op spaarsaldi naar haar aard in strijd met artikel 1, eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), zonder dat in geschil is of sprake is van een schending van de fair balance op grond van een individuele en excessieve last?” nimmer leiden tot strijd met artikel 1 EP Pro op regelniveau. In zoverre faalt belanghebbendes derde middel.
voor het totale box 3-vermogen. Het Hof heeft hierbij als voorbeeld gewezen op spaargeld, aandelen, obligaties en onroerende zaken.
HR BNB 2015/174en
HR BNB 2016/177, zo heeft uitgelegd dat gekeken dient te worden naar de rendementen behaald op lage risicobeleggingen. Wel moet worden opgemerkt dat belanghebbende in het beroepschrift voor het Hof in een voetnoot heeft opgemerkt dat uit voornoemd eindrapport blijkt dat ook op beleggingen in aandelen het rendement van 4% in de periode 2001 tot en met 2012 niet is gehaald. Hoewel belanghebbende niet expliciet heeft gesteld dat het rendement van 4% over de gehele box 3-linie niet is gehaald, heeft hij wel degelijk op rendementen gewezen die zien op risicovolle beleggingen (in dit geval aandelen). Dat belanghebbende geen rendementen heeft genoemd die zijn behaald op onroerend goed, kan dan hoogstens tot het oordeel leiden dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat het rendement van 4% niet is gehaald over de gehele box 3-linie (zie daarover echter mijn opmerkingen in onderdeel 7.12 van de gemeenschappelijke bijlage). Maar de vaststelling dat belanghebbende niets heeft gesteld omtrent de onhaalbaarheid van het 4% rendement over de gehele box 3-linie, is onjuist. In zoverre is het oordeel van het Hof onvoldoende gemotiveerd.
tweede cassatiemiddel. Hiervoor dient dan verwijzing te volgen.
HR BNB 2015/174en
HR BNB 2016/177gegeven toets. Belanghebbende werpt allerlei vragen op over deze toets, en geeft dan aan dat voor de ‘haalbaarheidstoets’ dient te worden uitgegaan van de reële rendementen behaald op lage risico beleggingen. De buitensporige zware last ontstaat wegens het verschil tussen het forfaitaire rendement en het werkelijke rendement, aldus belanghebbende.
derde cassatiemiddelfaalt.