ECLI:NL:PHR:2018:1345

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 november 2018
Publicatiedatum
4 december 2018
Zaaknummer
17/02841
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350.1 SrArt. 36f SrArt. 51a.1 SvArt. 51f SvArt. 361.2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernieling ruit bus en onjuiste toerekening kosten rechtsbijstand aan schadevergoedingsmaatregel

Verdachte is door het hof veroordeeld wegens het opzettelijk vernielen van een ruit van een bus van Connexxion. Het hof kende de benadeelde partij een schadevergoeding toe, waaronder ook kosten van rechtsbijstand, en legde op grond daarvan een schadevergoedingsmaatregel op. De Hoge Raad herhaalt dat kosten van rechtsbijstand niet als rechtstreekse schade in de zin van art. 51f Sv kunnen worden aangemerkt en derhalve niet kunnen worden meegenomen bij de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel op grond van art. 36f Sr.

Het hof heeft deze kosten ten onrechte wel als zodanig behandeld, waardoor de oplegging van de maatregel onjuist is. De Hoge Raad vernietigt dit deel van het arrest en wijst de zaak afdoende af door de kosten van rechtsbijstand buiten de schadevergoeding en maatregel te laten. De kosten van rechtsbijstand worden aangemerkt als proceskosten die apart moeten worden behandeld en in het vonnis moeten worden opgenomen.

De Hoge Raad bevestigt voorts dat het liquidatietarief een redelijke maatstaf is voor de vergoeding van proceskosten, tenzij bijzondere omstandigheden een afwijking rechtvaardigen. De vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.335,09 vermeerderd met wettelijke rente, en de verdachte wordt veroordeeld tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij, met vervangende hechtenis bij niet-betaling.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt deel van hofuitspraak en wijst schadevergoeding toe exclusief kosten rechtsbijstand, met vervangende hechtenis bij niet-betaling.

Conclusie

Nr. 17/02841
Zitting: 6 november 2018
Mr. P.C. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte bij mondeling arrest van 30 mei 2017 wegens “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken. Voorts heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en in dat verband een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld. Mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Hiertegen is door mr. F. Boor, advocaat te Utrecht, een verweerschrift ingediend.
Mr. F. Boor, advocaat te Utrecht, heeft namens de benadeelde partij één middel van cassatie ingediend.

4.Het namens de verdachte ingediende middel

5. Het middel komt op tegen de toewijzing van de vordering benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor zover daarin de kosten van rechtsbijstand zijn betrokken.
6. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 12 augustus 2016 te Almere opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, toebehorend aan Connexxion, heeft vernield.”
7. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 30 mei 2017 houdt onder meer in dat het hoger beroep zich richt tegen de bewezenverklaring. Uit dat proces-verbaal komt verder nog het volgende naar voren. De vordering van de benadeelde partij is aan de orde geweest. De advocaat-generaal merkt op dat de gevorderde kosten van rechtsbijstand niet zijn gespecificeerd en dat daarom moet worden teruggevallen op het liquidatietarief net zoals de politierechter dat heeft gedaan. De raadsman van verdachte stelt zich primair op het standpunt dat de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding vormt en subsidiair verzoekt hij op de vordering te beslissen zoals de politierechter. De raadsman van de benadeelde partij merkt dan op dat dit geen gek idee is. Ik kan het proces-verbaal niet anders lezen dan dat er overeenstemming is dat de kosten voor rechtsbijstand kunnen worden vergoed volgens het liquidatietarief.
8. Het al vermelde proces-verbaal van de zitting van 30 mei 2017 houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel relevant – verder nog in:
“De voorzitter sluit het onderzoek, spreekt zijn beslissingen uit en motiveert die als volgt:
Ter zake van de vordering van de benadeelde partij is er geen discussie over de kosten van de ruit. Ook inzake de beslissing op de vordering van de benadeelde partij volg ik de redenering van de advocaat-generaal. Het liquidatietarief is een redelijke vaststelling van de kosten voor rechtsbijstand. De gestelde gevolgkosten zijn een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte.
(…)
Het gerechtshof:
(…)
Vordering van de benadeelde partij Connexxion
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Connexxion ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 1.535,09 (duizend vijfhonderdvijfendertig euro en negen cent) ter zake van materiële schadeen veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.
Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Connexxion, ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van
€ 1.535,09 (duizend vijfhonderdvijfendertig euro en negen cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.
Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.
Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.”
9. Vooropgesteld dient te worden dat ingevolge art. 51f Sv degene die rechtstreekse schade heeft geleden door een strafbaar feit zich als benadeelde partij in het strafproces kan voegen. Van rechtstreekse schade is sprake indien een persoon is getroffen in het belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. [1] De kosten van rechtsbijstand zijn niet als zodanige rechtstreekse schade aan te merken. [2] Daaruit volgt dat dergelijke kosten ook niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr. [3] Indien een benadeelde partij dergelijke proceskosten als onderdeel van schade in de zin van art. 51f Sv vordert, dient zij ingevolge art. 361, tweede lid, Sv in zoverre in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. [4] Desalniettemin kunnen kosten van rechtsbijstand worden gerekend onder proceskosten in de zin van art. 592a Sv, waaromtrent de rechter een afzonderlijke beslissing dient te nemen, die ingevolge art. 361, zesde lid, Sv afzonderlijk in de uitspraak moet worden opgenomen. [5]
10. Het gaat in deze zaak om het volgende. In cassatie staat vast dat verdachte een ruit (van een bus) heeft vernield. Busmaatschappij Connexxion heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd. Uit het voegingsformulier, dat zich op voet van art. 434, eerste lid, Sv bij de stukken in cassatie bevindt, blijkt dat als schadeposten door de benadeelde partij is opgevoerd: a) de reparatiekosten van de ruit, inclusief wettelijke rente á € 761,54; b) de kosten van de inzet van een ongeval-support voertuig, extra personeel en stilstandkosten, inclusief wettelijke rente á € 573,55 en; c) de kosten van de rechtsbijstand á € 603,75; tot een totaalbedrag van € 1.938,84. Deze vordering is in hoger beroep gehandhaafd.
10. Het hof heeft de gevorderde schade gedeeltelijk toegewezen tot een totaalbedrag van € 1.535,09 en de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hof heeft voor een bedrag van gelijke hoogte de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd. Uit het uitgewerkte proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, in samenhang gelezen met het vorderingsformulier, volgt dat het bedrag van € 1.535,09 uit de voorgenoemde schadeposten a) en b) bestaat en uit een bedrag van € 200,- dat ziet op de kosten van rechtsbijstand.
10. Het hof heeft aldus onder het toegekende bedrag van schadevergoeding kosten van rechtsbijstand gerekend en deze kennelijk als rechtstreekse schade als bedoeld in art. 51f Sv aangemerkt. Bovendien heeft het hof die kosten in aanmerking genomen bij de oplegging van de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr. Daarmee heeft het hof miskend dat proceskosten niet kunnen worden aangemerkt als rechtstreekse schade. Het voorgaande hoeft mijn inziens echter niet tot cassatie te leiden, in aanmerking genomen dat de kosten van rechtsbijstand in hoger beroep niet zijn betwist. Gelet daarop kan de Hoge Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. [6]

13.Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel

14. Het middel komt op tegen de beslissing van het hof uit te gaan van het liquidatietarief bij de vaststelling van de proceskosten.
14. Ook als geen acht wordt geslagen op de in hoger beroep kennelijk bestaande overeenstemming over de vergoeding van de proceskosten (randnummer 7) kan het middel niet slagen. In de eerste plaats merk ik op dat, voor zover de steller van het middel heeft beoogd kosten van rechtsbijstand te vorderen die meer bedragen dan reeds in feitelijke aanleg is gevorderd, dergelijke kosten niet eerst in cassatie kunnen worden gevorderd. [7] In de tweede plaats blijkt uit HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:653 (onder meer) dat de rechter het aangewezen
kanachten het “liquidatietarief kantonzaken” toe te passen dan wel in voorkomende gevallen de proceskosten te berekenen aan de hand van het “liquidatietarief rechtbank of hof”. De rechter
kanevenwel ook afwijken van het liquidatietarief, indien hij de werkelijke kosten wenst te vergoeden. In dergelijke gevallen geldt een (nadere) motiveringsverplichting. [8] Zoals hiervoor onder 6 weergegeven, heeft het hof geoordeeld dat hij het redelijk heeft geacht om, in navolging van de politierechter, op grond van het liquidatietarief (kennelijk) € 200,- als kosten van rechtsbijstand toe te wijzen. Dat is niet onjuist, noch onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd, gelet op de hiervoor vermelde uitspraak van 11 april 2017.
16. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
16. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
16. Deze conclusie strekt ertoe het bestreden arrest voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel te vernietigen, de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering tot schadevergoeding voor zover deze betreft de kosten van rechtsbijstand, de verdachte te verwijzen in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, te weten € 200,- ter zake van rechtsbijstand, en die zij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, de vordering tot schadevergoeding aan de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 1.335,09, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, de verdachte voor genoemd bedrag de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, van een bedrag van € 1.335,09, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 23 dagen hechtenis, te bepalen dat, indien de verdachte (gedeeltelijk) heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Kamerstukken II 1989-1990, 21 345, nr. 3, p. 11.
2.HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1533,
3.Vgl. HR 21 september 1999,
4.Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:653 en de conclusie van mijn ambtgenoot Harteveld (PHR:2016:1104) vóór HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:890.
5.Kamerstukken II 1991-1992, 21 345, nr. 9, p. 8, HR 18 april 2000,
6.Vgl. HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1426, rov. 2.4 en de daaraan voorafgaande conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Vellinga (PHR:2016:607). Zie voorts HR 21 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1533,
7.Vgl. HR 20 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2140,
8.Vgl. HR 20 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7995,