ECLI:NL:PHR:2018:1217

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 november 2018
Publicatiedatum
31 oktober 2018
Zaaknummer
17/01496
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van een mondeling vonnis in hoger beroep zonder aanvulling van bewijsmiddelen

In deze zaak gaat het om de bevestiging van een mondeling vonnis door het gerechtshof Den Haag, waarbij de verdachte is veroordeeld voor het opzettelijk en wederrechtelijk beschadigen van een auto. Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter, maar zonder de gronden aan te vullen met de inhoud van de bewijsmiddelen. De advocaat-generaal adviseert de Hoge Raad om het arrest van het hof te vernietigen, omdat de motivering van de bewezenverklaring niet voldoet aan de wettelijke eisen. De verdachte had eerder een geldboete gekregen, maar het hof voegde een artikel toe omdat de verdachte na de bewezenverklaring opnieuw was veroordeeld. Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte, die twee middelen van cassatie heeft voorgesteld. Het eerste middel betreft de motivering van de bewezenverklaring, waarbij wordt geklaagd over schending van de artikelen in het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat een bevestiging van een mondeling vonnis alleen onder bepaalde voorwaarden is toegestaan. In deze zaak is de motivering van de bewezenverklaring niet voldoende onderbouwd, wat leidt tot de conclusie dat het hof de inhoud van de bewijsmiddelen had moeten aanvullen. Het tweede middel betreft de ontvankelijkheid van de benadeelde partij, die door het hof is verworpen. De conclusie van de advocaat-generaal is dat het eerste middel slaagt en het tweede middel faalt, met de aanbeveling om het arrest van het hof te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.

Conclusie

Nr. 17/01496
Zitting: 6 november 2018
Mr. A.E. Harteveld
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 3 maart 2017 het mondeling vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 24 september 2015 bevestigd, behalve ten aanzien van de overweging en beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel. Bij dat vonnis is de verdachte ter zake van “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen”, veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van €425,- subsidiair 8 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de in het vonnis waarvan beroep aangehaalde wetsartikelen aangevuld met art. 63 Sr, aangezien de verdachte na de datum waarop het door de eerste rechter bewezen verklaarde feit is gepleegd opnieuw tot straf is veroordeeld.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. A.P. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

3.Het eerste middel

3.1.
Het middel komt met diverse klachten op tegen de motivering van de bewezenverklaring. Onder meer noemt het middel schending van art. 359 lid 2 en 3 Sv alsmede art. 415 Sv, aangezien het bewijs moet steunen op bewijsmiddelen in het vonnis opgenomen, houdende redengevende omstandigheden, tenzij verdachte heeft bekend. Hoewel deze klacht niet nader is gesubstantieerd meen ik dat de steller van het middel kennelijk bedoelt te klagen over de bevestiging door het hof van het mondeling vonnis van de politierechter, zonder dat daarbij de gronden zijn aangevuld met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen.
3.2.
De Hoge Raad heeft in zijn overzichtsarrest van 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026, omtrent de toepassing van de bewijsmotiveringsvoorschriften door een gerechtshof in geval van bevestiging dan wel vernietiging van een mondeling vonnis van onder andere de politierechter, overwogen dat een bevestiging ‘met huid en haar’ – d.w.z. met overneming van gronden - van een mondeling vonnis ten aanzien van het bewijs slechts onder omstandigheden toelaatbaar is. De Hoge Raad overweegt daaromtrent onder 2.3.1. en 2.3.2. als volgt:
“Bevestiging van een mondeling vonnis bij schriftelijk arrest
Op grond van art. 423, eerste lid, Sv is zowel de meervoudige als de enkelvoudige kamer van het hof bevoegd een in eerste aanleg gewezen vonnis te bevestigen. Dit geldt ook indien het een mondeling vonnis betreft dat in het proces-verbaal van de terechtzitting is aangetekend op de wijze als in de Regeling bepaald. De bevoegdheid om zo een mondeling vonnis te bevestigen is niet beperkt tot het geval als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv (bekennende verdachte).
Indien die aantekening mondeling vonnis wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen - in overeenstemming met de Regeling - verwijst naar het proces-verbaal van de terechtzitting en/of andere processtukken, is de meervoudige kamer van het hof in geval van bevestiging van het vonnis in beginsel niet gehouden de inhoud van die stukken (alsnog) in zijn arrest op te nemen. Gelet op het bepaalde in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv lijdt dit evenwel uitzondering indien ter terechtzitting van de meervoudige kamer in hoger beroep door de verdachte anders - dat wil zeggen: niet in bekennende zin - is verklaard of door zijn raadsman vrijspraak is bepleit. In dat geval dient bevestiging te geschieden met aanvulling van gronden, dus met opneming van de (uitgewerkte) inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen in het arrest. Dat houdt in dat de feiten of omstandigheden die redengevend zijn geacht voor de bewezenverklaring, moeten zijn vervat in de door het hof gebezigde en in zijn arrest weergegeven bewijsmiddelen. Indien zij niet in die bewijsmiddelen zijn vermeld, moet het hof met voldoende mate van nauwkeurigheid (a) die feiten of omstandigheden aanduiden, en (b) het wettige bewijsmiddel of de wettige bewijsmiddelen aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.”
3.3.
Het hof heeft in de onderhavige zaak het mondeling vonnis van de rechtbank met overneming van gronden bevestigd, behalve voor wat betreft de overweging en beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel.
3.4.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 15 mei 2014 te Leiderdorp opzettelijk en wederrechtelijk een auto, geheel of ten dele toebehorende aan Leaseplan Nederland N. V, heeft beschadigd door tegen een portier te schoppen”
3.5.
Deze bewezenverklaring steunt blijkens het in het proces-verbaal van de terechtzitting aangetekende mondeling vonnis van de politierechter op de volgende bewijsmiddelen:
“De politierechter is met betrekking tot het bewezen verklaarde feit van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen kan worden volstaan, nu de gehele inhoud daarvan tot het bewijs is gebezigd (conform Hoge Raad 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0898 en ECLI:NL:HR:2009:BK5605; Hoge Raad 25 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011 :B06759). De politierechter heeft de volgende bewijsmiddelen gebezigd voor de bewezenverklaring:
1. het proces-verbaal van aangifte van de politie Eenheid Noord-Holland district Haarlemmermeer, nr. PL1100-2014054361-1, d.d. 16 mei 2014, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (blz. 5);
2. het proces-verbaal van verhoor getuige van de politie Hollands Midden district Leiden, nr. PL 1600-2014071070-9, d.d. 29 augustus 2014, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (blz. 14 t/m 15);
3. het proces-verbaal Fotoblad van de politie Hollands Midden district Leiden, bevattende een viertal foto’s (blz. 9t/m 12);
alsmede de hieronder aangeduide redengevende inhoud van het volgende bewijsmiddel:
3. [4., AEH] het proces-verbaal van verhoor verdachte van de politie Eenheid Noord-Holland district Haarlemmermeer, nr. PL1100-2014054361-1, d.d. 16 mei 2014, opgemaakt in de wettelijke vorm door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, als de op 24 juli 2014 tegenover deze opsporingsambtenaar afgelegde verklaring van verdachte, inhoudende (blz. 24):
Op 15 mei 2014 omstreeks 19:00 uur was ik onderweg naar Amsterdam. Ik reed in de auto van mijn broer, een Audi A3 voorzien van kenteken [AA-00-BB]. Ongeveer ter hoogte van Leiden / Leiderdorp heb ik een conflict gehad met een bestuurder van een Toyota Prius., als vermeld op pagina 24 t/m 25;
Nadere bewijsoverweging
Blijkens de aangifte van [betrokkene 1] bevond hij zich op 15 mei 2014 in de auto van Leaseplan Nederland BV (een Toyota Prius, gekentekend [CC-00-DD]), toen verdachte tegen voornoemde auto trapte, ter plaatse van de deur bij de bestuurderskant, het voorportier. Hierdoor is volgens de aangever de deuk en lakschade in het voorportier, aan de zijde van de bestuurderskant ontstaan. Verdachte heeft ontkend tegen de auto te hebben getrapt. Hoewel in het proces-verbaal van aangifte niet wordt vermeld dat voordat verdachte tegen de auto trapte, de portierdeur aan de bestuurderskant voor onbeschadigd was, kan het naar het oordeel van de politierechter - gelet op hetgeen door aangever is verklaard en de verklaring van een onafhankelijke getuige - niet anders zijn dan dat verdachte door te schoppen tegen de portierdeur voor, aan de bestuurderskant, de schade aan die deur heeft veroorzaakt.
De politierechter grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de voornoemde bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.”
3.6.
Aldus heeft de politierechter – in ieder geval wat de bewijsmiddelen onder 1. 2. en 3. betreft – gebruik gemaakt van de mogelijkheid die op grond van de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197) openstond om niet de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen in het vonnis op te nemen maar te volstaan met verwijzing naar processtukken.
3.7.
Waar uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof niet blijkt dat door de verdachte in bekennende zin is verklaard en bovendien door zijn raadsman vrijspraak is bepleit mocht het hof derhalve het mondeling vonnis niet zonder aanvulling met de inhoud van de onder 1. 2. en 3. gebezigde bewijsmiddelen bevestigen. De motivering van de bewezenverklaring voldoet, bij gebreke van de bedoelde aanvulling, niet aan de eis der wet.
3.8.
Ten overvloede voeg ik aan het voorgaande nog toe dat de eis die de Hoge Raad op dit punt stelt niet een puur formele kwestie is, maar dat deze ertoe strekt om de controle in cassatie op de deugdelijkheid van de bewijsconstructie zo goed mogelijk te doen geschieden. Waar de verdachte het feit bekend heeft, of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit, valt aan te nemen dat bij een controle op de deugdelijkheid van de bewijsmotivering geen belang is gemoeid. Is de procesopstelling van de verdachte en zijn raadsman een andere dan komt het er vaak op aan welke onderdelen van het in het dossier voorhandene ‘bewijsmateriaal’ door de rechter zijn geselecteerd. De enkele verwijzing naar processtukken mist dan de vereiste precisie om de controle in cassatie mogelijk te maken. In de onderhavige zaak speelt dat ook een rol, als gekeken wordt naar de overige bewijsklachten die het middel formuleert, en die bijvoorbeeld te maken hebben met hetgeen op de foto’s van de schade aan het voertuig te zien zou zijn (bewijsmiddel 3.) en wat de “onafhankelijke getuige” (bewijsmiddel 2.) heeft verklaard. Als de feitenrechter, zoals in de onderhavige zaak, zich niet heeft uitgelaten over hetgeen daarop naar zijn vaststelling is te zien c.q. daarin is te lezen valt er door de cassatierechter weinig van soep van te koken, om het maar eens populair te zeggen. De Hoge Raad is immers geen feitenrechter en kan niet aan de hand van dossier op eigen houtje vaststellen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan – of juist níet. Door van het hof in de genoemde gevallen aanvulling van het bewijs te verlangen komt bij bevestiging van het mondeling vonnis het uiteindelijke resultaat dus dichter bij de situatie te liggen die bereikt wordt met het wijzen door het hof van een ‘gewoon’ arrest met bijbehorende aangeklede bewijsconstructie. Daarmee wordt ook de controleerbaarheid in cassatie gediend.
3.9.
Het middel slaagt.

4.Het tweede middel

4.1.
Hoewel uitgaande van mijn conclusie ten aanzien van het eerste middel daaraan strikt genomen geen behoefte meer zou hoeven te zijn behandel ik toch ook het tweede middel. Dit middel beoogt te klagen dat het hof de benadeelde partij ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in haar vordering. De namens de verdachte gevoerde verweren dat niet is gebleken van een schriftelijke volmacht ter zake van de indiening van de vordering benadeelde partij en dat daarnaast slechts sprake is van een offerte en niet van een declaratie voor herstel, zou het hof hebben verworpen op gronden die die verwerping niet kunnen dragen.
4.2.
Blijkens de pleitnota is in hoger beroep namens de verdachte het volgende aangevoerd:
“9. De benadeelde partij dient - ook in geval van bewezenverklaring - in haar vordering niet ontvankelijk te worden verklaard. De vordering is ingediend namens Leaseplan Nederland N.V.; in het formulier is echter niet aangegeven wie deze vordering heeft ingediend en ondertekend, laat staan dat duidelijk is dat deze persoon daartoe gemachtigd was (art 51c Sv). Als een bijzondere volmacht ontbreekt, zou dit nog gedekt kunnen zijn indien het voegingsformulier is ingevuld door iemand die volgens de wet of statuten - bijvoorbeeld een directeur - bevoegd is de rechtspersoon te vertegenwoordigen. We tasten echter compleet in het duister omtrent de identiteit van de persoon die het formulier heeft ingevuld. Nu niet kan worden vastgesteld wie het formulier heeft ingevuld en ondertekend, kan ook niet worden vastgesteld dat deze bevoegd of gemachtigd was. Voorts is volstaan met het overleggen van een begroting, en geen declaratie inzake verricht schadeherstel. De enige nota bij de stukken betreft die voor de verrichte expertise (€ 30,-). Gelet hierop is de geclaimde schade onvoldoende onderbouwd.”
4.3.
De verweren zijn in het arrest van het hof als volgt samengevat en verworpen:
“De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep -op gronden als vermeld in de overgelegde pleitnotities- op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, nu niet kan worden vastgesteld wie het formulier heeft ingevuld en ondertekend en of diegene bevoegd was dat namens LeasePlan te doen en dat voorts de geclaimde schade onvoldoende is onderbouwd.
De raadsvrouw stelt in de pleitnota voorop dat de vordering is ingediend namens LeasePlan Nederland N.V. De advocaat-generaal heeft dit niet weersproken. Het hof zal hen in dat uitgangspunt volgen. Vervolgens voert de raadsvrouw aan dat niet kan worden vastgesteld wie het formulier heeft ingevuld en ondertekend, zodat onbekend blijft of deze daartoe bevoegd was.
Het hof overweegt dat het dossier twee (iets van elkaar verschillende) versies van het Schadeopgaveformulier Misdrijven bevat en dat het stempel van deze vennootschap op het voegingsformulier boven de ondertekening staat, dat het voegingsformulier per briefpapier van LeasePlan Nederland N.V. is toegestuurd en dat de stukken waarop de onderbouwing van de schade is afgedrukt het beeldmerk van LeasePlan bevatten. In een van de versies is vermeld dat [betrokkene 2] het formulier heeft ingediend. In de andere versie wordt onder de aanbiedingsbrief de naam van [betrokkene 2] vermeld. Bij die stand van zaken is voldoende aannemelijk dat de indiener (kennelijk [betrokkene 2]) daartoe gerechtigd was.
Met de gespecificeerde en van foto's voorziene schadebegroting heeft LeasePlan Nederland N.V. haar schade - die abstract wordt berekend - voldoende onderbouwd.”
4.4.
Voor zover het middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de benadeelde partij, wegens het ontbreken van een schriftelijke volmacht ter zake van de indiening, niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, keert het zich tegen een geenszins onbegrijpelijke motivering van de verwerping van het verweer. Op basis van de vaststelling dat de vordering is ingediend namens LeasePlan Nederland N.V. en onder de verwijzing naar de genoemde gegevens uit de Schadeopgaveformulieren Misdrijven heeft het hof mijns inziens op niet onbegrijpelijke wijze kenbaar gemaakt dat aangenomen mag worden dat het invullen van die formulieren door [betrokkene 2] geschiedde met instemming van die benadeelde vennootschap. [1]
4.5.
Het kennelijke oordeel van het hof dat de vordering van de benadeelde partij genoegzaam aannemelijk is geworden betreft voorts een oordeel van feitelijke aard. Temeer nu het hof uitgaat van een abstracte berekening van de schade, hetgeen bij het berekenen van autoschade niet onbegrijpelijk is [2] , en de vordering van de benadeelde partij namens de verdachte niet op zodanige wijze is betwist dat het hof gehouden was tot nadere motivering, heeft het hof het verweer op toereikende gronden verworpen. [3]
4.6.
Dit middel faalt.
5. Het eerste middel slaagt, het tweede middel faalt kan met de aan art. 81 RO ontleende overweging worden afgedaan.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het hof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3043, rov. 3.3.2.
2.C.J.M. Klaassen,
3.Vgl. de conclusie van P-G Silvis van 12 juni 2018, ECLI:NL:PHR:2018:600, onder punt 14 en onder verwijzing naar HR 18 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0173, rov. 2.3 en HR 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7391.